GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-18/00473 t/m 18/00481 Uitspraak van 13 maart 2019 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, (vertegenwoordigers: B.A.E.M. Meulendijks en D.M. Stalenberg), de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 februari 2018, nummers SGR 17/5711, 17/5712, 17/5714, 17/5715, 17/5717, 17/5718 en 17/5720 t/m 17/5722, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslagen en beschikkingen. Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.
(2)van Directorate Advisor. Oordeel van de Rechtbank 4. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen. “10. De rechtbank overweegt in navolging van de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 19 oktober 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3314, het volgende. 11. [Belanghebbende] bepleit voor de onderhavige jaren vrijstelling van het inkomen uit sparen en beleggen op grond van internationaal verdragsrecht. Omdat [belanghebbende] de Nederlandse nationaliteit bezit, is artikel 10 van de Zetelovereenkomst, dat aan degenen werkzaam in rang A4 een gelijk voorrecht toekent als aan diplomatieke ambtenaren van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, niet van toepassing (zie lid 6 van dat artikel). Mitsdien is ook niet van toepassing artikel 37 van het Verdrag van Wenen en het voorrecht van artikel 34 van dat Verdrag dat van belastingheffing het inkomen uit bronnen in de ontvangststaat van belastingheffing uitzondert. Ook voormeld artikel 37 zondert de “nationals van de receiving state” uit. In het geval van [belanghebbende] is slechts artikel 16 van het Protocol van toepassing waarin is bepaald dat het salaris en emolumenten die van het EOB worden ontvangen door de werknemer van het EOB zijn vrijgesteld van nationale inkomstenbelastingheffing, dus niet het inkomen uit sparen en beleggen. 12. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 juli 2011, 10/03467, LJN: BR0387 de vraag of sprake is van discriminatie doordat een voordeel uit sparen en beleggen van de betreffende belanghebbende in aanmerking wordt genomen, terwijl dergelijke voordelen niet in aanmerking worden genomen bij collega's van de belanghebbende werkzaam bij het EOB, die geen onderdaan zijn van Nederland en hier evenmin duurzaam verblijf houden, ontkennend beantwoord en het volgende overwogen: “5.3.1. Het beleid berust op overeenkomstige toepassing van artikel 37 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (Trb. 1962, 159, hierna: het Verdrag). Hiermee wordt vooruitgelopen op de inwerkingtreding van een daarmee overeenstemmende regeling in de Overeenkomst van 27 juni 2006 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in 's-Gravenhage (Trb. 2006, 155, hierna: de Overeenkomst). 5.3.2. Ingevolge artikel 37, lid 2, van het Verdrag gelden diplomatieke voorrechten en immuniteiten in de ontvangende staat, waaronder fiscale voorrechten, ook voor leden van het administratieve en technische personeel van een diplomatieke zending. Daarop wordt een uitzondering gemaakt indien deze personen onderdaan zijn van de ontvangende staat of daar duurzaam verblijf houden. Deze uitzondering kan worden verklaard door de band die deze personen hebben met de ontvangende staat, en die rechtvaardigt dat deze staat die personen in de belastingheffing betrekt. 5.3.3. Bij de Overeenkomst is in 2006 een overeenkomstige regeling getroffen voor personeel dat in Nederland werkzaam is bij het Europees Octrooibureau . De totstandkoming van deze regeling vloeit voort uit beleid dat het kabinet in 2005 heeft vastgesteld ter stimulering van de vestiging van internationale organisaties in Nederland. In het kader van dat beleid heeft het kabinet besloten de medewerkers van internationale organisaties die in Nederland zijn gevestigd op uniforme wijze te behandelen. Daarbij is beoogd aan te sluiten bij een internationaal ontwikkelde praktijk (Kamerstukken II 2004/2005, 30 178, nr. 1, blz. 10-11). Die uniforme behandeling houdt in dat het hoogste personeel van een internationale organisatie eenzelfde behandeling krijgt als diplomaten met gelijke rang van een ambassade, en dat het overige personeel gelijkgesteld wordt met administratief en technisch personeel van een ambassade, onder meer met betrekking tot fiscale voorrechten. 5.3.4. In artikel 10, lid 2, van de Overeenkomst is daartoe bepaald dat personeelsleden van het Europees Octrooibureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen, die - zoals belanghebbende - niet onder de regeling voor de hoogste functionarissen uit het eerste lid vallen en niet behoren tot het zogenoemde bedienend personeel, dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als die welke door Nederland overeenkomstig het Verdrag worden verleend aan administratief en technisch personeel van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd. Voor deze categorie personeelsleden gelden als gevolg daarvan fiscale voorrechten overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag, waaronder voorrechten met betrekking tot de heffing over voordelen uit sparen en beleggen, tenzij het gaat om personen die - zoals belanghebbende - onderdaan zijn van Nederland of in Nederland duurzaam verblijf houden. In artikel 10, lid 6, van de Overeenkomst is bepaald dat dit artikel niet van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland. Daarmee kent die regeling eenzelfde beperking van de kring van personen die voor de fiscale vrijstellingen in aanmerking komen als artikel 37, lid 2, van het Verdrag. De verklaring voor deze beperking die hierboven in 5.3.2 is vermeld en die hier ook heeft te gelden, geeft een voldoende grondslag voor het oordeel dat het maken van het door belanghebbende aangevochten onderscheid in de Overeenkomst en in het hiervoor onder 3.1.5 voor 2005 gevoerde beleid niet van redelijke grond ontbloot is. 5.4. Gelet op het hiervoor in 5.3 overwogene is van discriminatie geen sprake. Het middel van belanghebbende faalt daarom.” 13. [Belanghebbende] heeft gesteld dat hij voordat hij werd aangesteld bij het EOB in Nederland van februari 1988 tot en met augustus 2004 bij het EOB in Munchen heeft gewerkt, aldaar voor de functie bij het EOB in Nederland is geworven en daarom voor wat betreft de vrijstelling gelijk gesteld moet worden met een werknemer van het EOB in Nederland met een andere dan de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank overweegt dat het gegeven dat [belanghebbende] vóór zijn aanstelling bij het EOB in Nederland niet in Nederland woonde, niet wegneemt dat [belanghebbende] de Nederlandse nationaliteit heeft behouden en daarmee de band met Nederland heeft behouden, ook tijdens zijn verblijf buiten Nederland. [Belanghebbende] heeft de Nederlandse nationaliteit en is ingezetene van Nederland. [Belanghebbende] is niet vanuit het buitenland naar Nederland gezonden en is geen buitenlands belastingplichtige. Het aanvullend verdrag beoogt een uniforme regeling te treffen voor diegenen die vanuit het buitenland naar Nederland worden gezonden om alhier te werken voor internationale organisaties die in Nederland een vestiging hebben, een en ander overeenkomstig het verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, en die, met name vanwege hun nationaliteit, in de zendstaat belastingplichtig blijven (vergelijk Hof Den Haag 21 juli 2010, nr. BK-09/00815, ECLI:NL:GHSGR:2010: BN5781). 14. [Belanghebbende] heeft, onder verwijzing naar het Bosman-arrest rechtsoverweging 96, een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 45, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) en artikel 7 van de Verordening. Dit beroep faalt. Het bepaalde in artikel 45, tweede lid, VwEU waarborgt het vrije verkeer van werknemers en verbiedt elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Het verkrijgen van inkomen uit sparen en beleggen is geen onderdeel van arbeidsvoorwaarden, maar een gevolg van een zelfstandige activiteit van de spaarder/belegger. Het belasten van het inkomen uit sparen en beleggen is daarom niet strijd met artikel 45, tweede lid, VwEU. 15. Gesteld noch gebleken is dat de heffingsrente tot een te hoog bedrag is berekend. 16. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond [het Hof leest: ongegrond] te worden verklaard.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 5.1. In hoger beroep is in geschil of het inkomen uit sparen en beleggen bij belanghebbende in de heffing van inkomstenbelasting mag worden betrokken. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. 5.2. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar, en tot vermindering van de aanslagen tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. 5.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Verdragsrechtelijke bepalingen inzake privileges EOB-personeel 6.1. Het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (met uitvoeringsreglement en protocollen) van 5 oktober 1973 (Trb. 1975, 108; het Europees Octrooiverdrag; hierna: het EOV), bepaalt in artikel 8: “Voorrechten en immuniteiten In het bij dit Verdrag gevoegde Protocol inzake voorrechten en immuniteiten worden de voorwaarden omschreven waaronder de Organisatie, de leden van de Raad van Bestuur, het personeel van het Europees Octrooibureau en alle andere in dat Protocol genoemde personen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Organisatie, in elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteiten genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken.” 6.2. Artikel 16, lid 1, van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie (Trb. 1976, 101; hierna: het Protocol) luidt: “Onder de voorwaarden en op de wijze zoals die worden vastgesteld door de Raad van Bestuur binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijn de in de artikelen 13 en 14 bedoelde personen onderworpen aan een belasting ten gunste van de Organisatie op de door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten. Van de datum waarop deze belasting ingaat af zijn deze salarissen en emolumenten vrij van nationale inkomstenbelasting. De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen.” 6.3. Artikel 19 van het Protocol vermeldt de reden voor het verlenen van de privileges en immuniteiten: “1. De in dit Protocol voorziene voorrechten en immuniteiten zijn niet bedoeld om de personeelsleden van het Europees Octrooibureau of de deskundigen, die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaam zijn tot persoonlijk voordeel te strekken. Zij beogen uitsluitend het onbelemmerd functioneren van de Organisatie onder alle omstandigheden, zomede de volledige onafhankelijkheid van de personen aan wie zij worden toegekend.” 6.4. Artikel 10 van de Overeenkomst van 27 juni 2006 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie (hierna: EOO) betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in 's-Gravenhage (Trb. 2006, 155; hierna: de Zetelovereenkomst) luidt: “Voorrechten en immuniteiten van de personeelsleden van het Bureau 1. Personeelsleden van het Bureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen, a. in rang A5 en hoger, of b. in rang A4, mits zij langer dan twee jaar in die rang zijn geweest en een basissalaris niet lager dan A5 periodiek 1 hebben, vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin aan beide eisen is voldaan genieten dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke door Nederland worden verleend aan diplomatieke ambtenaren van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen, met dien verstande dat immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken en persoonlijke onschendbaarheid zich niet uitstrekken tot handelingen verricht buiten hun officiële taken. 2. Personeelsleden van het Bureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen, die geen bedienend personeel zijn en die niet onder het bepaalde in het eerste lid vallen, genieten dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke door Nederland worden verleend aan administratief en technisch personeel van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen, met dien verstande dat immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken en persoonlijke onschendbaarheid zich niet uitstrekken tot handelingen verricht buiten hun officiële taken. 3-5. (...) 6. Dit artikel is niet van toepassing op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland.” 6.5. De artikelen 34 en 37 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 (Trb. 1962, 159; hierna: het Verdrag van Wenen) luiden: “Artikel 34 Een diplomatieke ambtenaar is vrijgesteld van alle belastingen en rechten, zowel persoonlijke als zakelijke, hetzij landelijke, gewestelijke of gemeentelijke belastingen, met uitzondering van: (
- a)indirecte belastingen die normaal in de prijs van goederen of diensten begrepen zijn; (
- b)belastingen en rechten op particulier onroerend goed dat gelegen is op het grondgebied van de ontvangende staat tenzij hij dit onroerend goed onder zich heeft ten behoeve van de zendstaat voor de werkzaamheden van de zending; (
- c)door de ontvangende staat met inachtneming van de bepalingen van lid 4 van artikel 39 geheven successierechten en rechten van overgang; (
- d)belastingen en rechten op particulier inkomen welks bron is gelegen in de ontvangende staat en vermogensbelastingen op in bedrijven in de ontvangende staat belegd vermogen; (
- e)heffingen wegens bepaalde verleende diensten; (ƒ) registratie-, griffie- en hypotheekrechten en zegelrecht met betrekking tot onroerend goed, met inachtneming van de bepalingen van artikel 23.” “Artikel 37 1. (...) 2. Leden van het administratieve en technische personeel van de zending, alsmede inwonende gezinsleden, genieten, indien zij geen onderdaan zijn van, of niet duurzaam verblijf houden in, de ontvangende staat, de in de artikelen 29 t/m 35 omschreven voorrechten en immuniteiten, met dien verstande dat de immuniteit van de burger- en administratiefrechtelijke bevoegdheid van de ontvangende staat omschreven in lid 1 van artikel 31 zich niet uitstrekt tot handelingen die geen ambtshandelingen zijn. Zij genieten voorts de in artikel 36, lid 1, omschreven voorrechten met betrekking tot goederen die worden ingevoerd ten tijde dat zij zich voor het eerst inrichten. 3-4. (...).” 6.6. Ingevolge de in 6.1, 6.2 en 6.4 geciteerde bepalingen van het EOV, het Protocol en de Zetelovereenkomst is belanghebbende over het salaris dat hij van het EOB ontvangt geen Nederlandse inkomstenbelasting verschuldigd. Uit de in 6.4 en 6.5 geciteerde bepalingen van de Zetelovereenkomst en het Verdrag van Wenen volgt dat personeelsleden van het EOB die werkzaamheden in Nederland verrichten en niet de Nederlandse nationaliteit bezitten noch duurzaam verblijf houden in Nederland, dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als diplomatiek, administratief en technisch personeel van de in Nederland gevestigde diplomatieke vertegenwoordigingen geniet ingevolge - afhankelijk van hun rang - artikel 34 respectievelijk artikel 37 van het Verdrag van Wenen. Behandeling van de grieven I. Is sprake van een verboden discriminatie in de zin van het EVRM en het IVBPR? 6.7. Belanghebbende stelt in de eerste plaats dat hij op grond van zijn nationaliteit wordt gediscrimineerd ten opzichte van personeelsleden van het EOB die evenals hij vanuit het buitenland zijn aangeworven en vervolgens in Nederland zijn gaan wonen, maar die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten. 6.8. Het door de Rechtbank in r.o.12 van haar uitspraak aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2011, nr. 10/03467, LJN: BR0387, BNB 2011/251 (hierna: het arrest van 8 juli 2011) betrof een niet vanuit het buitenland aangeworven werknemer van het EOB met de Nederlandse nationaliteit. Deze belastingplichtige wenste gelijk te worden behandeld als de niet-Nederlandse werknemers van het EOB, ten aanzien van wie de Belastingdienst, vooruitlopend op de totstandkoming van de Zetelovereenkomst, het beleid voerde dat zij voor de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting geacht werden niet in Nederland te wonen en buitenlands belastingplichtig te zijn. Dat bracht, kort gezegd, mee dat de rendementsgrondslag voor de vermogensrendementsheffing van deze werknemers was beperkt tot in Nederland gelegen onroerende zaken. Aan de orde was de vraag of sprake was van discriminatie doordat een voordeel uit sparen en beleggen bij de betrokken belastingplichtige in aanmerking werd genomen, terwijl een dergelijk voordeel niet behoorde tot de rendementsgrondslag van diens EOB-collega's die niet de Nederlandse nationaliteit bezaten en hier te lande geen duurzaam verblijf hielden. De Hoge Raad oordeelde: “5.3.1. Het beleid berust op overeenkomstige toepassing van artikel 37 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (Trb. 1962, 159, hierna: het Verdrag). Hiermee wordt vooruitgelopen op de inwerkingtreding van een daarmee overeenstemmende regeling in de Overeenkomst van 27 juni 2006 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in 's-Gravenhage (Trb. 2006, 155, hierna: de Overeenkomst). 5.3.2. Ingevolge artikel 37, lid 2, van het Verdrag gelden diplomatieke voorrechten en immuniteiten in de ontvangende staat, waaronder fiscale voorrechten, ook voor leden van het administratieve en technische personeel van een diplomatieke zending. Daarop wordt een uitzondering gemaakt indien deze personen onderdaan zijn van de ontvangende staat of daar duurzaam verblijf houden. Deze uitzondering kan worden verklaard door de band die deze personen hebben met de ontvangende staat, en die rechtvaardigt dat deze staat die personen in de belastingheffing betrekt. 5.3.3. Bij de Overeenkomst is in 2006 een overeenkomstige regeling getroffen voor personeel dat in Nederland werkzaam is bij het Europees Octrooibureau. De totstandkoming van deze regeling vloeit voort uit beleid dat het kabinet in 2005 heeft vastgesteld ter stimulering van de vestiging van internationale organisaties in Nederland. In het kader van dat beleid heeft het kabinet besloten de medewerkers van internationale organisaties die in Nederland zijn gevestigd op uniforme wijze te behandelen. Daarbij is beoogd aan te sluiten bij een internationaal ontwikkelde praktijk (Kamerstukken II 2004/2005, 30 178, nr. 1, blz. 10-11). Die uniforme behandeling houdt in dat het hoogste personeel van een internationale organisatie eenzelfde behandeling krijgt als diplomaten met gelijke rang van een ambassade, en dat het overige personeel gelijkgesteld wordt met administratief en technisch personeel van een ambassade, onder meer met betrekking tot fiscale voorrechten. 5.3.4. In artikel 10, lid 2, van de Overeenkomst is daartoe bepaald dat personeelsleden van het Europees Octrooibureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen, die - zoals belanghebbende - niet onder de regeling voor de hoogste functionarissen uit het eerste lid vallen en niet behoren tot het zogenoemde bedienend personeel, dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als die welke door Nederland overeenkomstig het Verdrag worden verleend aan administratief en technisch personeel van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd. Voor deze categorie personeelsleden gelden als gevolg daarvan fiscale voorrechten overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag, waaronder voorrechten met betrekking tot de heffing over voordelen uit sparen en beleggen, tenzij het gaat om personen die - zoals belanghebbende - onderdaan zijn van Nederland of in Nederland duurzaam verblijf houden. In artikel 10, lid 6, van de Overeenkomst is bepaald dat dit artikel niet van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland. Daarmee kent die regeling eenzelfde beperking van de kring van personen die voor de fiscale vrijstellingen in aanmerking komen als artikel 37, lid 2, van het Verdrag. De verklaring voor deze beperking die hierboven in 5.3.2 is vermeld en die hier ook heeft te gelden, geeft een voldoende grondslag voor het oordeel dat het maken van het door belanghebbende aangevochten onderscheid in de Overeenkomst en in het hiervoor onder 3.1.5 voor 2005 gevoerde beleid niet van redelijke grond ontbloot is. 5.4. Gelet op het hiervoor in 5.3 overwogene is van discriminatie geen sprake. Het middel van belanghebbende faalt daarom.” 6.9. De door de Hoge Raad in r.o. 5.3.3. van het arrest van 8 juli 2011 aangehaalde passage uit Kamerstukken II 2004/2005, 30 178, nr. 1, blz. 10-11 (betreffende het Kabinetsstandpunt met betrekking tot het Interdepartementaal Beleidsonderzoek ‘Beleidskader Werving en Opvang Internationale Organisaties’) luidt als volgt (weergegeven zonder voetnoten): “Met betrekking tot de gesignaleerde problematiek van ongelijke behandeling van dezelfde categorieën personeel bij de verschillende internationale organisaties die reeds in Nederland zijn gevestigd, heeft het kabinet op grond van de internationale concurrentiepositie tussen vestigingsplaatsen voor internationale organisaties besloten nu nog bestaande verschillen tussen personeel van IO's op te heffen. Er komt een algehele stroomlijning naar categorieën personeel die volgens de internationale classificatie en registratie worden onderscheiden, te weten: het hoogste personeel van een internationale organisatie zal worden gelijkgesteld aan diplomaten met gelijke rang van een ambassade en het overig personeel zal worden gelijkgesteld aan het administratief en technisch personeel van een ambassade en waar van toepassing met het bedienend personeel van een ambassade. Hierbij zal worden aangesloten bij het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer