GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.208.766/01 Rolnummer rechtbank : 4567732\ CV EXPL 15-47977 arrest van 2 april 2019 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats 1], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. L.R. Ridderbroek te Rotterdam, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats 2], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. R. Scheltes te Rotterdam. Het geding Bij tussenarrest van 13 november 2018 is [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om een akte te nemen. Deze akte heeft zij genomen en [appellant] heeft daarop bij antwoordakte gereageerd. Partijen hebben de stukken gefourneerd en arrest gevraagd. Verder beoordeling van het hoger beroep In het tussenarrest van 13 november 2018 heeft het hof voorshands geoordeeld dat het bewijs is geleverd van de stelling dat [appellant] voor een bedrag van € 9.069,-- in contanten aan [geïntimeerde] heeft geleend als “huishoudgeld”. [geïntimeerde] is in de gelegenheid gesteld dit bewijs te ontzenuwen. [geïntimeerde] stelt in bewijsnood te verkeren. Zij heeft geen bewijsstukken overgelegd of getuigen voorgebracht. De stellingen van [geïntimeerde] bij akte zijn een herhaling van zetten. Het hof heeft over deze stellingen al geoordeeld en er is geen reden om daarop terug te komen. De conclusie is dat het bewijs niet is ontzenuwd zodat dit bewijs nu is geleverd. Uit het voorgaande volgt dat de door [appellant] gevorderde hoofdsom en (verdere) betaling van contractuele rente toewijsbaar is. In zoverre slagen de grieven 1 tot en met 3. Als gezegd in r.o. 4 van het tussenarrest van 13 november 2018 beoogt [appellant] met grief 5 zijn eis te vermeerderen, in die zin dat hij ook een contractuele boete vordert, waarmee hij terugkomt op een eisvermindering in eerste aanleg op dit punt. [geïntimeerde] stelt dat de eisvermindering in eerste aanleg “rechtsgevolgen heeft waarop niet zomaar kan worden teruggekomen” (memorie van antwoord sub 40). Het hof gaat hieraan voorbij. Voor zover [geïntimeerde] betoogt dat [appellant] afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrecht ter zake van de boete is dat onvoldoende onderbouwd. Hierbij is van belang dat een vermindering van eis, op zichzelf beschouwd, niet het karakter heeft van een afstand van recht (vgl HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1278, r.o. 3.2). Dit laat onverlet dat onder bijzondere omstandigheden anders kan worden geoordeeld. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De toets is dan of de eisvermeerdering in hoger beroep in strijd is met de eisen van een goede procesorde (art. 130 lid 1 jo 353 lid 1 Rv). Daartoe heeft [geïntimeerde] niets aangevoerd. Evenmin zijn er feiten of omstandigheden op grond waarvan het hof ambtshalve tot het oordeel komt dat daarvan sprake is. De gevorderde boete is gebaseerd op art. 7 van de overeenkomst van 31 augustus 2012. Daarin is bepaald dat [geïntimeerde] een direct opeisbare boete van € 2.500,-- is verschuldigd bij niet nakoming van de verplichtingen uit deze overeenkomst. [geïntimeerde] stelt dat deze bepaling niet geldig is omdat deze onredelijk bezwarend en eenzijdig is. Dit laatste omdat [appellant] geen boete verschuldigd is als hij zijn verplichtingen niet nakomt (conclusie van eis in reconventie sub 19). Het hof verwerpt dit standpunt van [geïntimeerde]. Zij doet kennelijk een beroep op de vernietigbaarheid als geregeld in art. 6:233 lid 1 BW. Dit beroep gaat niet op omdat niet is onderbouwd dat art. 7 is opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen (art. 6:231 aanhef en onder a BW). De gang van zaken wijst op het tegendeel. Zo heeft [appellant] onweersproken gesteld dat hij de boetebepaling (specifiek) met haar heeft afgesproken “om voor haar een prikkel te zijn om de afspraken na te komen in haar eigen belang” (proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg; memorie van grieven sub 1.88). Het beroep op de eenzijdigheid van het beding heeft geen zelfstandige betekenis en zal worden betrokken in de belangenafweging ter zake van de gevraagde matiging van de boete. Niet in geschil is dat de boete van € 2.500,-- door [geïntimeerde] is verschuldigd, er van uitgaande dat het boetebeding geldig is. Te beoordelen is dan of er grond is de boete te matigen. Daartoe overweegt het hof als volgt. 9.1. Het eerste lid van artikel 6:94 BW geeft de rechter de bevoegdheid een contractuele boete op verlangen van de schuldenaar te matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Aan deze voorwaarde kan voldaan zijn in het geval dat de bedongen boete in verhouding tot de schade als gevolg van de overtredingen buitensporig is (HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4779, NJ 2000, 277). De maatstaf in artikel 6:94 BW brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken (HR 27 april 2007, NJ 2007, 262 e.a.). Daarbij zal de rechter moeten letten op alle omstandigheden van het geval, waaronder: a. de aard van de overeenkomst, b. de inhoud en de strekking van het beding, c. de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, d. de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen. Uit HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4986 (NJ 2012, 459), volgt dat - bijvoorbeeld - ook de hoedanigheid van partijen meegewogen mag worden. 9.2. De overeenkomst van 31 augustus 2012 voorziet in de kern in een regeling van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.