← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2019:869

Rolnummer: 22-003082-15 Parketnummer: 09-755154-10 Datum uitspraak: 23 april 2019 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2015 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats](Suriname) op [geboortedatum] 1953, [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 29 januari 2019, 4, 5, 6, 12, 18, 19, 20 en 27 februari 2019, 6, 7, 19 en 25 maart 2019 en 9 april 2019. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 5 primair en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen beslist als nader vermeld in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep De officier van justitie heeft, gezien de akte rechtsmiddel, onbeperkt hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2019 hebben de advocaten-generaal medegedeeld dat het Openbaar Ministerie zich niet verzet tegen de vrijspraken ter zake van het medeplegen van witwassen met betrekking tot de panden aan de [pand X], [pand Y] en [pand Z]. Het hof begrijpt deze mededeling aldus dat het Openbaar Ministerie de grieven tegen deze vrijspraken niet langer handhaaft. Het hof ziet ambtshalve geen aanleiding voor verder onderzoek naar de zaak voor zover het deze deelvrijspraken betreft. Het hof zal daarom het Openbaar Ministerie naar analogie van het bepaalde in artikel 416, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv)in zoverre niet ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Namens de verdachte is, blijkens de akte rechtsmiddel, onbeperkt hoger beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, Sv staat echter voor de verdachte geen hoger beroep open tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken. Het hof zal de verdachte in zoverre dan ook niet ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het inhoudelijke oordeel van dit hof onderworpen. Onderzoekwensen De verdediging heeft bij appelschriftuur onderzoekwensen ingediend en deze ter terechtzitting van 30 maart 2017 (vrijwel allemaal) uitgesproken. Ter terechtzitting van 11 mei 2017 heeft het hof zijn beslissingen op deze onderzoekwensen medegedeeld. Het hof neemt als uitgangspunt dat op grond van het bepaalde in artikel 322, vierde lid, jo. artikel 415, eerste lid, Sv de beslissingen die het hof in een andere samenstelling op de (getuigen)verzoeken heeft genomen, na het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting, in stand zijn gebleven. De verzoeken die de verdediging ter terechtzitting van 29 januari 2019 heeft gedaan, betreffen verzoeken tot het horen of oproepen van getuigen die de verdediging reeds eerder had gedaan. Deze dienen dus te worden gezien als verzoeken die zijn gedaan op de voet van de artikelen 328 en 331, eerste lid, jo. 415, eerste lid Sv, die ertoe strekken dat het hof gebruik zal maken van diens bevoegdheid om zelf die getuigen op te roepen, onder toepassing van artikel 315 jo. artikel 415, eerste lid Sv. De maatstaf bij de beoordeling van dergelijke verzoeken is of het hof het horen van de getuigen noodzakelijk acht. Onder omstandigheden kan volgens de Hoge Raad van de verdachte bezwaarlijk worden gevergd dat hij getuigen reeds bij appelschriftuur opgeeft. Zo kunnen zich gevallen voordoen waarin het belang bij het horen van getuigen eerst is opgekomen door onvoorziene ontwikkelingen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een appelschriftuur. In dergelijke gevallen brengt - tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist - de eis van een eerlijke procesvoering mee dat het hof bij gebruikmaking van de in vorengenoemde bepalingen voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium de desbetreffende omstandigheden in zijn afweging betrekt. Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt (zie Hoge Raad d.d. 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702 en Hoge Raad d.d. 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 ro. 2.59 e.v.). Door de verdediging zijn ter terechtzitting van 29 januari 2019 een viertal omstandigheden aangehaald welke – kort gezegd - als de hiervoor genoemde gevallen zouden hebben te gelden. Dit betreft het taxatierapport van het stuk land aan de [perceel A] in Suriname, de verklaring van [medeverdachte A], de verklaring van [broer verdachte] en de verklaring van [oudere broer verdachte]. Ten aanzien van de overige verzoeken van de verdediging aan het hof geldt dat dit verzoeken zijn als bedoeld in artikel 328 in verbinding met artikel 330 Sv om gebruik te maken van de in artikel 316, eerste lid, jo. artikel 415, eerste lid Sv omschreven bevoegdheid om ambtshalve onderzoek te gelasten. Ongeacht het moment waarop deze verzoeken worden gedaan, is de maatstaf bij de beoordeling van dergelijke verzoeken of het hof de noodzaak van hetgeen wordt verzocht is gebleken (zie Hoge Raad d.d. 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3302). Daar waar de verdediging haar eerdere verzoeken heeft gehandhaafd, onderbouwd en toegelicht, dan wel (gemotiveerd) nieuwe verzoeken heeft gedaan, zal het hof deze verzoeken in het hierna volgende dan ook beoordelen aan de hand van het criterium dat volgt uit vorengenoemde jurisprudentie. Daarbij merkt het hof op dat het in de door de verdediging aangehaalde omstandigheden geen aanleiding ziet om de gedane verzoeken te beoordelen aan de hand van het noodzaakscriterium, als ware het verdedigingsbelang van toepassing. Naar het oordeel van het hof blijkt uit geen van deze vier omstandigheden enig (nieuw) concreet aanknopingspunt voor (nader) onderzoek naar de herkomst van de gelden van de vader van de verdachte. Inzage politiedossier De verdediging heeft verzocht om inzage in het volledige dossier, nu de raadsman stelt dat tijdens een eerdere inzage in maart 2017 niet het complete politiedossier aanwezig was, kennelijk vanuit de aanname dat er meer stukken moeten zijn, dan het politiedossier zoals dat deel is gaan uitmaken van het strafdossier. De raadsman heeft ook nadien ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat vrij recent het politiedossier door hem is ingezien en dat dit niet meer stukken omvat dan het strafdossier waarover hij reeds beschikte. Het hof stelt vast dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om het dossier in te zien, en dat er geen reden is om aan te nemen dat daarbij stukken zouden zijn achtergehouden. Gelet hierop acht het hof het niet noodzakelijk om de verdediging nogmaals in die gelegenheid te stellen. Het hof wijst het verzoek af. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De Zaak [betrokkene A] De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep tijdens zijn pleidooi en bij dupliek verzocht de ‘Zaak [betrokkene A]’ buiten beschouwing te laten. Doordat de officier van justitie bij requisitoir in eerste aanleg deze kwestie aan de orde heeft gesteld, hoewel de ‘Zaak [betrokkene A]’ als zodanig ook volgens de rechtbank geen onderdeel uitmaakte van de behandeling ter zitting, heeft de officier van justitie gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesgang, namelijk het fair-play beginsel en het beginsel van equality of arms, hetgeen de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie raakt. Daarnaast stelt de raadsman dat ook de advocaat-generaal heeft gehandeld in strijd met deze beginselen door de zaak van [betrokkene A] ook in hoger beroep, pas in een laat stadium, namelijk eerst bij requisitoir, aan de orde te stellen. Indien het hof de zaak [betrokkene A] zal beschouwen als onderdeel van de behandeling ter terechtzitting verzoekt de raadsman om [betrokkene B], [betrokkene A], [betrokkene C] en [betrokkene D] als getuige te horen dan wel de zaak terug te wijzen. Het hof overweegt hierover als volgt. De ‘Zaak [betrokkene A]’, heeft, naast oplichting van een zekere [betrokkene A], naar de kern weergegeven betrekking op oplichting van de rechtbank Den Haag. Als zodanig maakt die zaak dus geen deel uit van de tenlastelegging. Dat laat onverlet dat de stukken die ook in verband gebracht kunnen worden met oplichting van genoemde [betrokkene A] en de gelden die dat heeft gegenereerd wel onderdeel uitmaken van het procesdossier en als zodanig in ogenschouw genomen kunnen worden bij de beoordeling van het aan de verdachte ten laste gelegde. Naar het oordeel van het hof heeft het Openbaar Ministerie, door – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – bij requisitoir ook die stukken in de beschouwing te betrekken geen geschreven en ongeschreven strafprocesrechtelijke vormvoorschriften geschonden en is evenmin sprake van een handelen in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Naar het oordeel van het hof is het verzoek tot het horen van de getuigen dat in dit verband gedaan is, zo summier onderbouwd dat op grond daarvan de noodzaak om deze personen te horen niet kan worden vastgesteld. Het hof acht het horen van de verzochte personen als getuige overigens evenmin noodzakelijk voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) te nemen beslissing. Het hof wijst de verzoeken af. Het hof acht het verzoek van de raadsman om de zaak te verwijzen naar een andere rechtbank tardief nu hierom pas bij pleidooi in hoger beroep is verzocht. Verder geldt op dit punt nog het volgende. Weliswaar is de ‘Zaak [betrokkene A]’ niet uitgemond in een zelfstandig verwijt dat deel uitmaakt van een van de feiten die aan de verdachte zijn ten laste gelegd, maar stukken die betrekking hebben op dat deelonderzoek bevonden zich reeds tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg in het dossier. Het hof is van oordeel dat deze in eerste aanleg en in hoger beroep als voorgelezen mogen worden aangemerkt als bedoeld in artikel 301 juncto artikel 415 Sv en artikel 417 Sv, wat betreft de feiten die verband houden met de verdenkingen die betrekking hebben op het pand [pand A] te Den Haag. In eerste aanleg heeft de officier van justitie in zijn ‘Prezi’, blz. 32-45, de geldstromen met betrekking tot het pand [pand A] overigens ook uitgebreid besproken en toegelicht. Daarnaast heeft de advocaat-generaal tijdens haar requisitoir de stukken aan de orde gesteld en heeft de verdediging naar aanleiding hiervan niet verzocht om nadere bespreking van de stukken. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat het recht op berechting in twee feitelijke instanties hierdoor niet is aangetast en dat het Openbaar Ministerie niet heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Ook overigens is het hof van oordeel dat uit hetgeen de raadsman heeft aangevoerd niet is gebleken dat op dit punt sprake is van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en ziet het hof geen aanleiding om de zaak terug te wijzen. Trial by media De raadsman heeft aangevoerd dat er een inbreuk is gemaakt op de onschuldpresumptie van de verdachte, doordat sprake is geweest van een ‘trial by media’ die mede tot stand is gekomen door de persberichten van het Openbaar Ministerie. Het hof overweegt hierover als volgt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de eventuele negatieve gevolgen van een ‘trial by media’ zouden zijn toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie. Het enkele uitgeven van een persbericht naar aanleiding van een (openbare) terechtzitting waarop de veroordeling van de verdachte door de rechtbank is uitgesproken is daartoe onvoldoende en kan in elk geval niet aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan. Schending van artikel 6 EVRM is hier ook anderszins niet aan de orde. Verwijzing van de zaak op grond van artikel 46b RO De raadsman heeft in hoger beroep eerst op 18 februari 2019 bij pleidooi, op pagina 9 tot en met 18 van zijn pleitnota, aangevoerd dat de verdediging in eerste aanleg de rechtbank heeft verzocht om de zaak te verwijzen naar een andere rechtbank, op de grond dat de Rechtbank Den Haag vanwege meerdere omstandigheden (kort gezegd betrokkenheid van medeverdachten en familieleden bij de rechtbank alsmede door het Openbaar Ministerie verricht onderzoek bij die rechtbank) betrokken is bij de onderhavige strafzaak en daarom geen onpartijdig forum meer kan zijn. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de zaak verwezen had moeten worden naar een andere rechtbank en dat de rechtbank dit bij haar beslissing van 18 februari 2015 ten onrechte niet heeft gedaan. Bij dupliek stelt de raadsman dat het aan het hof is voorbehouden om de inhoud en juistheid van ook deze beslissing te toetsen. De rechtbank heeft bij beslissing van 18 februari 2015 het verzoek tot verwijzing van de strafzaak naar een andere rechtbank gemotiveerd afgewezen. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat niet is gebleken van enige (schijn van) betrokkenheid van de rechtbank in de zin van artikel 46b RO. Het hof ziet zelf overigens evenmin reden om gebruik te maken van de ook hem (op grond van artikel 62b Wet RO) toekomende discretionaire bevoegdheid om de zaak ter verdere behandeling naar een ander gerecht te verwijzen. Geheimhoudersgesprekken De raadsman van de verdachte heeft het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Hiertoe heeft de raadsman – kort gezegd - aangevoerd dat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a Sv, nu in het onderzoek Waterstof geheimhoudersgesprekken zijn getapt, opgenomen en uitgeluisterd. Deze gesprekken zijn voorts niet aanstonds vernietigd. Gelet op het verloop van het onderzoek en de (kennelijke) inhoud van de getapte en niet aanstonds vernietigde gesprekken, kan niet uitgesloten worden dat informatie uit voornoemde geheimhoudersgesprekken is gebruikt als sturingsinformatie in het onderzoek in de casussen [aangever A] en [aangever B]. Aldus is volgens de verdediging gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde en dient het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair is het verweer gevoerd dat dit vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting en meer subsidiair dat het dient te leiden tot strafvermindering. Het hof overweegt hierover als volgt. Niet in geschil is dat in het opsporingsonderzoek onder de naam Waterstof telefoongesprekken tussen de verdachte enerzijds en geheimhouders anderzijds zijn afgeluisterd en opgenomen, terwijl de opnamen van die gesprekken niet terstond zijn vernietigd. Ook is niet in geschil dat daarmee het bepaalde in het tweede lid van artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is geschonden en dat dat in dit geval een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert. Bij de beoordeling van dit vormverzuim dient het hof rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. In dat kader overweegt het hof het volgende. De officier van justitie, die tevens optreedt als advocaat-generaal in hoger beroep, heeft in eerste aanleg in een brief van 30 maart 2015 uiteengezet dat uit het totaal aan getapte telefooncontacten 426 contacten zijn aangetroffen waarvan – kort gezegd – op basis van een aantal zoektermen mogelijk sprake was van een geheimhoudersgesprek. Hiervan zijn uiteindelijk 70 contacten ten onrechte niet aanstonds vernietigd. Van deze 70 contacten hebben 39 contacten plaatsgevonden met [Advocatenkantoor] of de advocaten [betrokkene E] of [betrokkene B]. Van die 39 contacten zijn er 17 daadwerkelijke gesprekken tot stand gekomen waaraan een van deze advocaten gespreksdeelnemer is. Verder zijn er 2 gesprekken waaraan de secretaresse van het kantoor [betrokkene F] deelneemt. Van de 15 overgebleven ten onrechte niet vernietigde gesprekken heeft de toenmalige officier van justitie alsnog een bevel tot vernietiging afgegeven. Voor zover de raadsman van de verdachte heeft willen betogen dat voornoemd vormverzuim aanleiding geeft om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van alle op de inleidende dagvaarding genoemde feiten, overweegt het hof dat daarvoor, gelet op het hiervoor gegeven kader, een feitelijke, noch (toereikende) juridische grondslag bestaat. Immers, niet is komen vast te staan dat de getapte geheimhoudersgesprekken in de overige zaken (kort gezegd de feiten 1, 2 en 3) in het vooronderzoek, al dan niet in de zin van sturingsinformatie, enige rol hebben gespeeld. Het hof acht dit ook geenszins aannemelijk geworden. Aldus is niet aannemelijk geworden dat door voornoemd verzuim enig nadeel voor de verdachte met betrekking tot die feiten is veroorzaakt. Wat de zaken [aangever A] en [aangever B] betreft (feiten 4 en 6 op de dagvaarding) overweegt het hof als volgt. De casus [aangever A] vangt aan rondom de beslaglegging op de woning van (wijlen) [aangever A1] in februari 2009 en de aangifte van diens vader [aangever A], die dateert van 13 augustus 2009. Eerst met ingang van 1 september 2010 is het onderzoek Citroen, de voorganger van het onderzoek Waterstof, gestart. Voor het hof is evident dat de ‘tapgesprekken’ waar de raadsman aan refereert, de telefoongesprekken zijn die [aangever A] voerde met de verdachte en diens dochter en die [aangever A] zelf heeft opgenomen en aan de politie ter beschikking heeft gesteld. Dat blijkt ook gevoeglijk uit het ‘PV AH 746 aanvulling’ van verbalisant Van der Noordt van 27 november 2013. Dat er, zoals de raadsman stelt, door de verdachte met een van zijn advocaten telefonisch over deze casus is gesproken en dat zo’n alsdan afgeluisterd geheimhoudergesprek sturing zou hebben gegeven aan het onderzoek, acht het hof mede gelet op de (daarvoor relevante details behelzende inhoud van

  1. de)door de aangever opgenomen en aan de politie overgedragen telefoongesprekken niet aannemelijk geworden. Aldus is niet aannemelijk geworden dat in de zaak [aangever A] voor de verdachte enig nadeel door dat vormverzuim is veroorzaakt. Wat de zaak [aangever B] betreft blijkt uit het dossier dat het onderzoeksteam (in de persoon van verbalisant A.S. van der Noordt) van de penitentiaire inrichting, waarin verdachte toen zat, op 24 februari 2012 een gegevensdrager heeft ontvangen met daarop een aantal gesprekken die globaal zijn beluisterd teneinde te onderzoeken of in deze gesprekken door de verdachte over traceerbaar vermogen werd gesproken (AH/700). Hierbij zat een gesprek dat de verdachte kennelijk op 17 februari 2012, de dag na het overlijden van [betrokkene YY], met [zoon verdachte] heeft gevoerd over een overeengekomen transactie betreffende een perceel van 10 hectare grond in [perceel A] (fonetisch) (DD/418). Verbalisant Van der Noordt verbaliseert dat hij naar aanleiding hiervan een zoekslag heeft gemaakt op de woorden [perceel A], [perceel A gecorrigeerd], grond e.d. en in het beslag van [makelaarskantoor] (digitaal) een aantal - relevante - documenten heeft aangetroffen zoals koopovereenkomsten uit 2010 waarbij onder anderen [broer verdachte] en [betrokkene G] als (ver)koper optreden. Blijkens AH/691 heeft [aangever B] op 22 februari 2012 aangifte van valsheid in geschrift/oplichting gedaan, welk proces-verbaal is gesloten en ondertekend op 29 februari 2012. Uit het in AH/700 weergegeven tapgesprek blijkt dat de verdachte met ‘[betrokkene E]’ (het hof begrijpt: zijn toenmalige civiele advocaat [betrokkene E] ) de onderhandelingen heeft geregeld en dat de verdachte met [betrokkene E] heeft kunnen bellen toen hij in beperkingen zat. Ook uit hetgeen in DD/500 (een tapgesprek tussen de verdachte en zijn kinderen, de medeverdachten [dochter verdachte] en [zoon verdachte]) is opgenomen blijkt dat de verdachte in die periode regelmatig contact onderhield met [betrokkene E] . Uit hetgeen als bijlage bij de aangifte van [aangever B] is gevoegd op pagina AH/691/062 volgt dat [betrokkene E] in diezelfde periode onderhandelingen voerde over de casus [aangever B]. Daarmee is naar het oordeel van het hof aannemelijk dat de verdachte in de periode voorafgaand aan de aangifte van [aangever B] met zijn toenmalige advocaat [betrokkene E] over deze casus heeft gesproken. Deze gesprekken zijn zonder meer aan te merken als geheimhoudersgesprekken en deze hadden daarom vernietigd moeten worden. Reeds op 27 november 2013, dus voordat de kwestie van de geheimhoudersgesprekken door de verdediging aan de orde was gesteld, heeft verbalisant Van der Noordt al in voornoemd ‘PV AH 746 aanvulling’ geverbaliseerd dat de zaak [aangever B] is voortgekomen uit ‘het uitluisteren van diverse tapgesprekken’ specifiek AH 751, blz. 01-03 en 58-61. In hoger beroep is een aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 januari 2019 ingebracht waarin door verbalisant A.S. van der Noordt is geverbaliseerd dat – in afwijking van de in AH 700 genoemde datum van 24 februari 2012 - reeds op 21 februari 2012 de tot dan toe opgenomen gesprekken zijn ontvangen, onder toevoeging van een kopie van een afsprakenjournaal dat dit bevestigt. Hiertussen bevond zich het gesprek dat in AH/700 is weergegeven en dat aanleiding heeft gegeven om de inbeslaggenomen goederen te doorzoeken. Dit leverde de in AH/700 weergegeven resultaten op en heeft aanleiding gegeven om contact op te nemen met [aangever B] op 22 februari 2012, hetgeen heeft geresulteerd in voornoemde aangifte. Over de vraag of aannemelijk is dat de inhoud van enig gesprek tussen [betrokkene E] en de verdachte als sturingsinformatie is gebruikt in de zin dat op basis van de inhoud van dat gesprek [aangever B] is benaderd overweegt het hof als volgt. De verdediging heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat enig uitgeluisterd geheimhoudersgesprek is gebruikt als sturingsinformatie geen enkel concreet aanknopingspunt aangedragen. In het licht van hetgeen verbalisant A.S. van der Noordt bij aanvullend proces-verbaal onder toevoeging van een afsprakenjournaal uit die periode, heeft gerelateerd, acht het hof het, mede gelet op de datering van de hierboven weergegeven gebeurtenissen, aannemelijk dat op basis van het in AH/700 weergegeven getapte gesprek met de medeverdachte [zoon verdachte], in combinatie met de zoekresultaten uit de onder [makelaarskantoor] inbeslaggenomen goederen, contact is gezocht met [aangever B], en dus niet naar aanleiding van het enig met [betrokkene E] gevoerd telefoongesprek. Naar het oordeel van het hof is ook in de zaak [aangever B] derhalve niet gebleken dat door het vormverzuim enig nadeel voor de verdachte is veroorzaakt. Naar het oordeel van het hof is evenmin aannemelijk geworden dat de ambtenaren die met de opsporing of vervolging zijn belast doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak hebben tekortgedaan. Gelet op de beperkte ernst van het verzuim dat zich in de zaak van verdachte concreet heeft voorgedaan, en het ontbreken van enig nadeel daarvan voor de verdachte, bijvoorbeeld doordat bewijsmateriaal rechtstreeks resultaat van dat verzuim is, zal aan het verzuim in de zaak van verdachte geen gevolg worden verbonden, ook niet bij de strafmaat. Het hof zal daarom volstaan met de constatering van het verzuim. Het verweer wordt verworpen. Onderzoekwensen in dit verband De verdediging heeft verzocht om [betrokkene E] en [betrokkene B] alsmede [betrokkene F] als getuige te horen, teneinde de stelling te onderbouwen dat het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte met betrekking tot de zaken die zijn uitgemond in de tenlastelegging van de feiten 1, 2 en 3, is gestart op basis van de inhoud van geheimhoudersgesprekken. Daarnaast wenst de verdediging [betrokkene E] en [betrokkene B] te bevragen over de inhoud van de deze zaaksdossiers en de door hen afgelegde verklaringen bij de rechter-commissaris in elkaars zaken, zodat kan worden aangetoond dat de verdachte ten onrechte is vervolgd voor de feiten onder 4, 5 en 6 van de tenlastelegging. De getuigen [betrokkene E] , [betrokkene B] (en [betrokkene F]) hebben, weliswaar in hun eigen zaken, reeds uitgebreid verklaard bij de rechter-commissaris. Onduidelijk is of, en zo ja in hoeverre hun verklaringen worden betwist door de verdediging en wat precies aan deze getuigen zou moeten worden gevraagd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien wat de reeds gehoorde getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij reeds hebben gedaan, zodat het hof het niet noodzakelijk acht dat deze getuigen nogmaals worden gehoord. De raadsman heeft het hof in het kader hiervan (blz. 58 van de pleitnota van 29-01-2019) tevens verzocht om verstrekking en voeging van het zaakdossier Brint en alle stukken in het onderzoek Brint. De advocaat-generaal heeft echter al op 30 maart 2017 verklaard dat alle stukken in het onderzoek Brint al aan de verdediging ter beschikking zijn gesteld. Het hof ziet de noodzaak van het verzochte dan ook niet in en wijst daarom het verzoek af. De verdediging verzoekt voorts om de advocaat-generaal te bevelen de door de verdediging bij brief van 15 juni 2018 verzochte stukken en informatie alsnog (op korte termijn) aan het dossier te voegen. Voor zover het Openbaar Ministerie deze stukken niet al aan de verdediging heeft verstrekt, acht het hof het met het oog op de volledigheid van het onderzoek niet noodzakelijk om daartoe alsnog opdracht te geven. Het verzoek wordt afgewezen. Aangeboden transacties aan [betrokkene H] en [betrokkene I] De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig heeft gehandeld met de transacties met [betrokkene H] en [betrokkene I]. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de transacties zijn aangegaan zonder de daarvoor benodigde schriftelijke toestemmingen, waardoor is gehandeld in strijd met de Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het Openbaar Ministerie heeft nagelaten om [betrokkene H] en [betrokkene I] uit te leggen wat de transactie inhoudt en wat dit voor hen betekent. De raadsman heeft verder aangevoerd dat door het aangaan van de transacties afstand is gedaan van de panden en/of banktegoeden in Nederland op naam van respectievelijk [betrokkene H] en [betrokkene I], waardoor het recht op een eerlijk proces aan de verdachte is ontnomen. De verdachte wordt daardoor namelijk de mogelijkheid ontnomen om verweer te voeren tegen het beslag op die panden en tegoeden en aan te tonen dat ter zake geen sprake is van witwassen. Wegens ernstige inbreuken op het fair play-beginsel, het beginsel van equality of arms, het zorgvuldigheidsbeginsel en het handelen in strijd met de Aanwijzing ‘hoge’ transacties en bijzondere transacties in de strafzaak tegen de verdachte dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof – met de rechtbank - voorop dat de officier van justitie de bevoegdheid toekomt om in individuele zaken te beslissen over de wijze van vervolging. Eventuele onrechtmatigheden die hebben plaatsgevonden in de gang van zaken rond het aanbieden van een transactie aan derden, in dit geval: [betrokkene H] en [betrokkene I], raken de belangen van de verdachte niet en kunnen niet leiden tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie in de onderhavige vervolging niet-ontvankelijk zou zijn. Hetgeen de raadsman bij pleidooi in hoger beroep heeft aangevoerd over de belangen van de verdachte die worden geraakt door de aangevoerde onrechtmatigheden, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders. De stelling van de raadsman, zoals het hof deze begrijpt, berust namelijk op de aanname dat de door [betrokkene H] en [betrokkene I] afgestane panden ‘feitelijk’ aan de verdachte toebehoren – welk standpunt immers ook het Openbaar Ministerie voortdurend inneemt - en dat hij aldus door de afstand daarvan door de juridische eigenaren in zijn (vermogensrechtelijke) belangen is geschaad. Dit standpunt gaat evenwel voorbij aan het volgende. Civielrechtelijk behoren de betreffende panden, en datzelfde geldt voor tegoeden op diverse bankrekeningen, toe aan de juridisch eigenaar c.q. de rekeninghouder en is van een rechtsgeldige overdracht van de economische eigendom geen sprake, zo blijkt althans uit het civiele arrest van het hof Amsterdam in de zaak van verdachte tegen de Staat en [betrokkene J]. De verdachte die willens en wetens de juridische eigendom van zaken in handen van een derde (doorgaans meewerkende familieleden of afhankelijke minvermogenden) legt om zelf daarmee buiten beeld van de (fiscale) autoriteiten te blijven, kan, naar het het hof voorkomt, geen beroep doen op de ongeldigheid van deze door hemzelf gecreëerde civielrechtelijke werkelijkheid. De raadsman miskent dat. Voor zover het Openbaar Ministerie met zijn handelwijze een voorschot zou hebben genomen op enige beslissing over het beslag, leidt dit naar het oordeel van het hof evenmin tot een vormverzuim en is daarin geen grond te vinden voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Onderzoekwensen in dit verband De raadsman heeft ter terechtzitting van 29 januari 2019 opnieuw verzocht om [betrokkene H] en [betrokkene I] als getuige te horen over (onder andere) de transactie met het Openbaar Ministerie. Daarnaast heeft de raadsman ter terechtzitting van 29 januari 2019 zijn verzoek herhaald om overlegging van de goedkeuringen en onderliggende stukken inzake de transacties, alsmede het taxatierapport inzake de registergoederen van [betrokkene H] en [betrokkene I] waar de zaaksofficier in zijn brief d.d. 26 november 2012 naar verwijst. Met verwijzing naar de eerder genomen beslissingen ten aanzien van de getuigenverzoeken op de terechtzitting van 11 mei 2017 (pagina’s 8 tot en met 11 van het proces-verbaal), wijst het hof de verzoeken – voor zover deze zien op de kwestie van de transacties – af. Het hof acht het horen van deze getuigen niet noodzakelijk voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Ook het verzoek tot overlegging van goedkeuringen, onderliggende stukken en het taxatierapport wijst het hof af, nu het deze stukken niet noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Aangeboden transactie aan [betrokkene J] De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu de transactie in de zaak van [betrokkene J] ernstige inbreuken op het fair play-beginsel, het beginsel van equality of arms en het zorgvuldigheidsbeginsel oplevert en daardoor is gehandeld in strijd met de Aanwijzing ‘hoge’ transacties en bijzondere transacties. Met verwijzing naar en overneming van hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de transacties van [betrokkene H] en [betrokkene I] verwerpt het hof het verweer. In de omstandigheid dat de panden op naam van [betrokkene H] en [betrokkene I] na de transactie geen onderdeel meer uitmaakten van de tenlastelegging van de verdachte en de panden op naam van [betrokkene J] wel, ziet het hof geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Onrechtmatige inbeslagname en onvolledige teruggave van administratie De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi aangevoerd dat er geen grond of reden was voor het Openbaar Ministerie om van de Aanwijzing inbeslagneming af te wijken, en dat niet de volledige administratie is geretourneerd aan de verdachte, onder wie een en ander op meerdere plaatsen in beslag is genomen. Daarnaast zijn delen van de in beslag genomen (financiële) administratie aangeboden aan Post NL, bij voorbeeld ter retournering aan de afzenders, dan wel ter doorzending aan geadresseerden van die stukken, waardoor de verdachte volgens de raadsman in zijn belangen wordt geschaad. De verdediging kan daardoor namelijk die stukken niet meer inbrengen om e herkomst aan te tonen van de geldbedragen op de bankrekeningen waar het in deze zaak mede om gaat. Het hof stelt vast dat de inbeslagneming in dit onderzoek inderdaad niet heeft plaatsgevonden conform de ‘Aanwijzing inbeslagneming’. Uit het dossier blijkt echter dat de uit zeer vele losse stukken bestaande administratie ten tijde van de inbeslagneming onordelijk was en geen enkele kenbare systematiek kende. Gelet hierop kan in dit geval het Openbaar Ministerie in redelijkheid niet worden verweten dat de voornoemde aanwijzing niet nauwkeurig is nageleefd en het is niet aannemelijk geworden dat in zoverre doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn rechten is tekortgedaan. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van het Openbaar Ministerie dat alle stukken (behoudens reclamemateriaal en dergelijke) zijn geretourneerd, behoudens het deel van de in beslag genomen administratie dat ten onrechte aan Post NL is aangeboden. Dat laatste levert een (onherstelbaar) vormverzuim op. Daarbij neemt het hof wel in aanmerking dat door de verdediging niet, ook niet globaal, is aangevoerd welke specifieke stukken niet zijn teruggegeven en nog steeds ontbreken. Ten aanzien van de aan Post NL aangeboden stukken is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden – mede gelet op hetgeen hierna is overwogen - dat de verdediging mede aan de hand van deze stukken de legale herkomst van gelden kan verklaren. Het hof verwerpt, hierna nader onderbouwd, immers de stelling van de verdediging en de verdachte dat sprake was van een door [vader verdachte], opgebouwd familiekapitaal (anders dan het bezit van een klein stuk grond, indertijd aangekocht als landbouwgrond, dat inmiddels vanwege een enorme waardestijging wel waardevol is). Het hof is daarom van oordeel dat zich niet de situatie voordoet dat door dit vormverzuim een wezenlijk belang van de verdachte is geschonden of daaruit anderszins voor hem enig nadeel voortvloeit. Dit vormverzuim kan daardoor niet leiden tot de verstrekkende, en slechts in zeer uitzonderlijke gevallen in aanmerking komende conclusie dat het Openbaar Ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof verwerpt het verweer. Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof het niet noodzakelijk om de advocaat-generaal te bevelen de informatie omtrent het beslag aan de verdediging verstrekken, zoals door de verdediging verzocht bij brieven van 8 september 2017 en 18 oktober 2017 en herhaald ter terechtzitting op 29 januari 2019. Het hof wijst het verzoek daarom af. RIEC-onderzoek De raadsman heeft het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Hiertoe is aangevoerd dat in het kader van het RIEC wel degelijk een opsporingsonderzoek, zelfs met inzet van bijzondere opsporingsmiddelen, te weten observaties, heeft plaatsgevonden op 30 en 31 augustus 2010. Nu geen openheid wordt betracht met betrekking tot de start van het onderzoek en zich ter zake van deze bijzondere opsporingsbevoegdheden geen stukken in het dossier bevinden, is de verdediging beperkt in het toetsen van de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek RIEC en is sprake van een onherstelbaar vormverzuim, aldus de raadsman. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat observaties die op 30 en 31 augustus 2010 zijn uitgevoerd, gelet op de beperkte duur en de aard daarvan, niet als stelselmatig kunnen worden aangemerkt. Van inzet van een bijzonder opsporingsmiddel was derhalve geen sprake. Het enkele gebruik van de term opsporingsonderzoek met de toevoeging RIEC door de leider van het observatieteam maakt niet dat daaruit kan worden afgeleid dat toen sprake was van een opsporingsonderzoek in strafvorderlijke zin, in het kader van het RIEC. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de toelichting die het Openbaar Ministerie meermalen heeft verstrekt en acht aannemelijk dat geen sprake was van een opsporingsonderzoek in de hiervoor bedoelde zin. Voorts is niet aannemelijk geworden dat zonder toereikende grondslag inbreuk is gemaakt op enig de verdachte toekomend recht. Al hetgeen de raadsman heeft aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel. Er is op dit punt naar het oordeel van het hof dus geen sprake van de gestelde vormverzuimen. Het verweer wordt verworpen. Gelet op het bovenstaande wijst het hof het verzoek van de verdediging af om het Openbaar Ministerie te bevelen de processen-verbaal van de opgevraagde informatie en bevindingen bij de hypotheekverstrekkende banken te verstrekken alsmede om 19 getuigen – zoals vermeld op pagina 69 van de pleitnota van 29 januari 2019 - te horen. Het hof acht dit niet noodzakelijk met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Ziggokasten De raadsman heeft het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Hiertoe is aangevoerd dat, blijkens een artikel in de Telegraaf, in een onderzoek in Den Haag naar vermogenscriminaliteit spionageapparatuur in Ziggokasten is gebruikt. Een politiewoordvoerder heeft verklaard dat het zou gaan om het onderzoek Waterstof. Het hof overweegt hieromtrent dat uit het (aanvullend) proces-verbaal d.d. 6 januari 2014 van verbalisant G.G.J. van Ravenhorst blijkt dat in het onderzoek Waterstof op geen enkel moment, op welke locatie dan ook, observatie- activiteiten zijn uitgevoerd waarbij gebruik is gemaakt van een cameraopstelling verborgen in een zogenaamde Ziggokast. Het hof heeft geen redenen om hieraan te twijfelen. Het verweer mist dus feitelijke grondslag en wordt reeds om die reden verworpen. Het hof wijst het (herhaalde) verzoek van de verdediging om in dit kader de getuigen [betrokkene K], [betrokkene L] en [betrokkene M] te horen – onder verwijzing naar en overneming van de beslissing van het hof hieromtrent op de terechtzitting van 11 mei 2017 – af. Het hof ziet dus ook geen enkele noodzaak om opdracht te geven een afschrift van alle foto- en video-opnames te verstrekken, zoals verzocht op de zitting van 29 januari 2019. Ook dit verzoek wordt afgewezen. Aanhouding [zoon verdachte] op 17 maart 2019 De verdediging in de zaak tegen de medeverdachte [zoon verdachte] heeft per e-mail d.d. 1 april 2019 (en daarop aanvullend op de zitting van 9 april 2019 mondeling toegelicht) verzocht om het Openbaar Ministerie de opdracht te geven om duidelijkheid te verschaffen over de aanhouding van deze medeverdachte op 17 maart 2019. De verdachte heeft zich bij dit verzoek aangesloten, vanwege een gestelde belemmering van de rechtsgang/verdediging in de zaak van de verdachte. Het hof ziet voor het geven van deze opdracht aan het Openbaar Ministerie geen aanleiding, omdat niet valt in te zien op welke wijze de aanhouding van de medeverdachte [zoon verdachte] op 17 maart 2019 relevant zou kunnen zijn in de onderhavige zaak voor enige in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen. Het hof wijst het verzoek daarom af. Alle vormverzuimen tezamen De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat alle vormverzuimen, in hun samenhang bezien, tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dienen te leiden. Het hof benadrukt andermaal dat vormverzuimen slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen leiden tot de verstrekkende conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Aangezien niet aannemelijk is geworden, ook niet aan de hand van het samenstel van de hier door de verdediging naar voren gebrachte vormverzuimen, dat de ambtenaren die met de opsporing of vervolging zijn belast doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak hebben tekortgedaan, is niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet aan de orde. Het hof verwerpt eveneens de stelling van de verdediging dat door de afwijzing van de preliminaire verweren en de afwijzing van de in dat verband gedane (volgens de verdediging vrijwel alle relevante) getuigenverzoeken in eerste aanleg en in hoger beroep in deze strafzaak de procedure als geheel niet voldoet aan de minimumregels voor een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. In eerste aanleg is een groot aantal getuigen toegewezen en gehoord en in hoger beroep zijn daar enige getuigen bij gekomen. De verdediging heeft geen absoluut recht op inwilliging van al haar onderzoekwensen, zeker niet indien daarmee, ook na toelichting, het verband met enige door het hof in deze strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing niet aanstonds kan worden gelegd. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van deze tenlastelegging is als bijlage I aan dit arrest gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit arrest. De beschuldigingen komen kort gezegd op het volgende neer: 1. (medeplegen van) (gewoonte)witwassen van onroerende zaken, huurpenningen en/of bankrekeningen. 2. ( (medeplegen van) valsheid in geschrift met betrekking tot huurovereenkomsten en/of het gebruik van deze (ver)vals(t)e geschriften. 3. primair: (medeplegen van) oplichting van banken, subsidiair: (medeplegen van) gebruik van valse geschriften ten behoeve van het verkrijgen van hypotheken, meer subsidiair: (gewoonte)witwassen van geldbedragen en/of onroerende zaken. 4. ( (medeplegen van) oplichting van [aangever B], [aangever B1] en/of de Rechtbank Assen. 5. primair: poging tot oplichting van de Rechtbank Rotterdam, subsidiair oplichting van de Rechtbank Rotterdam. 6. poging tot oplichting van [aangever A], [aangever A2] en/of [aangever A3]. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 primair en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Het hof komt deels tot een andere waardering van de feiten dan de eerste rechter en het hof komt ook tot een andere strafoplegging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 primair en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.((GEWOONTE-)WITWASSEN - art 420bis/420ter) hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 15 januari 2012, te Den Haag en/of Rotterdam en/of Utrecht en/of Schiedam en/of Barendrecht, in elk geval in Nederland, en/of in België en/of in Luxemburg en/of te Paramaribo, althans in Suriname, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, door (420bis eerste onder
  2. a)van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(
  3. en)en/of onroerende zaken en/of banktegoeden en/of huurpenningen/huurgelden de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen, althans door te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbenden op een voorwerpen, te weten (een) geldbedrag(
  4. en)en/of onroerende zaken en/of banktegoeden en/of huurpenningen/huurgelden zijn/waren en/of door te verbergen en/of te verhullen wie de voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(
  5. en)en/of onroerende zaken en/of banktegoeden en/of huurpenningen/huurgelden voorhanden hadden, immers, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  6. s)de volgende onroerende zaken (al dan niet met gebruikmaking van (notariële) volmachten laten leveren en/of juridisch in eigendom overgedragen en/of genomen/verkregen (, waarbij de namen van een of meer mededader(
  7. s)(al dan niet door een gevolmachtigde) is/zijn gebruikt bij de notaris om de onroerende zaken op diens naam te registreren en/of in juridisch eigendom te verkrijgen), te weten: de panden ([medeverdachte B]) - [ pand B] te Den Haag en/of - [pand X] te Den Haag en/of - [ pand C] te Barendrecht en/of - [pand Y] te Den Haag en/of ([broer verdachte]) - [ pand D] te Den Haag en/of - [pand E] te Den Haag en/of - [pand F] (2 garages) te Den Haag en/of ([betrokkene N]) - [ pand G] te Den Haag en/of - [ panden H] te Den Haag en/of - [ pand I] te Den Haag en/of ([betrokkene J]) - [ pand A] te Den Haag en/of - [ pand K] te Den Haag en/of - [ pand L] te Schiedam en - [ pand M] te Den Haag en/of ([medeverdachte C]) - [ pand J] te Den Haag en/of - [pand N] te Den Haag en/of ([medeverdachte D]) en/of [betrokkene O] - [ pand O] te Den Haag en/of - [ pand P] te Den Haag en/of - [pand Z] te Den Haag en/of - [ pand Q] (garage) te Den Haag en/of , welke onroerende zaken - middellijk of onmiddellijk - van misdrijf afkomstig zijn, en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  8. s)betreffende voor voornoemde onroerende zaken (contante) huurpenningen ontvangen die - middellijk of onmiddellijk - van misdrijf afkomstig zijn en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  9. s)de volgende bankrekeningen op naam gehad en/of daarvan gebruik gemaakt en/of via die bankrekeningen geld ontvangen (afkomstig van de verkoop van onroerende zaken) (welke deels niet in juridisch eigendom toebehoorde aan de tenaamgestelden van de bankrekeningen) en/of geldbedragen overgemaakt ten behoeve van de aankoop van onroerende zaken (welke deels niet in juridisch eigendom zijn gaan toebehoren aan de tenaamgestelden van de bankrekeningen) en/of voor die rekeningen een ander gevolmachtigd, te weten betreffende de bankrekeningen met nummer: ([betrokkene H]) - [ bankrekening 1] (Fortis/ABN Amro) en/of - [ bankrekening 2] (Rabobank) en/of ([medeverdachte C]) - [ bankrekening 3] en/of de daaraan gekoppelde effecten(-rekening) en/of ([medeverdachte B]) - [ bankrekening 4] en/of de daaraan gekoppelde effecten(-rekening) en/of - [ bankrekening 5] en/of de daaraan gekoppelde effecten(-rekening) en/of ([betrokkene J]) - [ bankrekening 6] en/of ([betrokkene D1]) - [ bankrekening 9] en/of (Luxumburg) ([moeder verdachten]) - [ bankrekening 7] (Fortis Banque Luxembourg) en/of - [ bankrekening 8] (effecten) (Fortis Banque Luxembourg) en/of - [bankrekening 10] (optiflex) (Fortis Banque Luxembourg) en/of - [ bankrekening 11] (effecten) (Fortis Banque Luxembourg) en/of ([vader verdachte]) - [ bankrekening 12] (Banque et Caisse D'Epargne) en/of ([medeverdachte A]) - [ bankrekening 13] (effecten) (Commerzbank) en/of (België) ([vader verdachte]) - [ bankrekening 14] (effecten) (BNP Paribas Fortis) en/of ([betrokkene P]) - [ bankrekening 15] (effecten) (BNP Paribas Fortis) en/of ([betrokkene Q]) - [ bankrekening 16] (effecten) (ING Bank), welke banktegoeden en/of geldbedragen en/of banktransacties (deels) - middellijk of onmiddellijk - afkomstig waren van enig misdrijf en/of welke voornoemde handelingen door verdachte en/of zijn mededader(
  10. s)op naam van onder andere voornoemde personen zijn verricht om daarmee de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen en/of te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende op voornoemd(
  11. e)voorwerp(
  12. en)was/waren en/of te verhullen wie voornoemd(
  13. e)voorwerp(
  14. en)(daadwerkelijk, althans mede) voorhanden had(den), terwijl hij verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemd(
  15. e)voorwerp(
  16. en)van misdrijf afkomstig waren en/of (420bis, eerste lid onder
  17. b)heeft/ hebben verdachte en /of zijn mededader ( s ) de voornoemde voorwerp(en), te weten voornoemde (een) geldbedrag(
  18. en)en/of onroerende zaken en/of banktegoeden en/of huurpenningen/huurgelden verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(
  19. s)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
  20. en)vermoeden dat dat/die voorwerp(
  21. en)- onmiddellijk of middellijk - (deels) afkomstig was/waren uit enig misdrijf; art 420ter jo 420bis WvSr 2.(VALSHEID IN GESCHRIFT - 225 Sr) (huurovereenkomsten) hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 augustus 2006 tot en met 14 mei 2011, te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, meermalen, geschriften, te weten een of meer huurovereenkomst(en), te weten: a. een huurovereenkomst met [betrokkene R], huurder, betreffende het pand [pand H], tweede etage, te Den Haag gedateerd 18 augustus 2006 te Den Haag (AH/09/167, p.1459) en/of b. een huurovereenkomst met [betrokkene S], huurder, betreffende het pand [pand S] te Den Haag, gedateerd 10 april 2007 te Den Haag (AH/09/126, p.1356) en/of c. een huurovereenkomst met [betrokkene T], huurder, betreffende het pand [pand J] te Den Haag gedateerd 9 maart 2008 te Den Haag (AH/09/494, p.1686) en/of d. een huurovereenkomst met [betrokkene U], huurder, betreffende het pand [pand A] te Den Haag gedateerd d.d. 22 juli 2008 te Den Haag (DD/120/087, p.2297) en/of e. een huurovereenkomst met [betrokkene V], huurder, betreffende het pand [pand R] gedateerd 1 oktober 2009 te Den Haag (DD/461/637, p.2523) en/of f. een huurovereenkomst met [betrokkene U], huurder, en/of [betrokkene W], huurder, betreffende het pand [pand R] te Den Haag gedateerd 14 mei 2011 te Den Haag (DD/260/1, p.2472), en/of/althans een of meer huurovereenkomst(
  22. en)en/of een of meer (andere) geschriften, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst en/of heeft/hebben laten opmaken en/of vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(
  23. s)toen en daar (telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid – a. in/op die huurovereenkomst [betrokkene N] (, wonende op de [pand AB] te Den Haag)' als verhuurder vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [betrokkene N] en/of b. in/op die huurovereenkomst '[medeverdachte C] (, wonende op de [pand AG] te Den Haag)' als verhuurder vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [medeverdachte C], althans [medeverdachte C] dit geschrift blanco heeft laten ondertekenen ter bevestiging van de juistheid van de opgenomen gegevens, zonder dat [medeverdachte C] bekend was met de (door hem, verdachte, later opgenomen) inhoud van deze gegevens in dit geschrift en/of c. in/op die huurovereenkomst '[medeverdachte C] (, wonende te Den Haag)' als verhuurder vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [medeverdachte C], althans [medeverdachte C]dit geschrift blanco heeft laten ondertekenen ter bevestiging van de juistheid van de opgenomen gegevens, zonder dat [medeverdachte C]bekend was met de (door hem, verdachte, later opgenomen) inhoud van de gegevens in dit geschrift, en/of d. in/op die huurovereenkomst [betrokkene X] (, wonende te Den Haag)' als verhuurder vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [betrokkene X], en/of e. in/op die huurovereenkomst (wijlen) '[vader verdachte] (, wonende te Den Haag)' als verhuurder vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [vader verdachte] en/of f. in/op die huurovereenkomst (wijlen) '[vader verdachte] (, wonende te Den Haag)' als verhuurder vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [vader verdachte], althans in die geschriften valselijk gegevens heeft opgenomen, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(
  24. en)als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken; artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht en/of (GEBRUIK VERVALSTE GESCHRIFTEN - 225 lid 2 Sr) (huurovereenkomsten) hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 augustus 2006 tot en met 10 januari 2012, te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van (een) valse en/of vervalste geschriften, te weten: a. een huurovereenkomst met [betrokkene R], huurder, betreffende het pand [pand H], tweede etage, te Den Haag gedateerd 18 augustus 2006 te Den Haag (AH/09/167, p.1459) en/of b. een huurovereenkomst met [betrokkene S], huurder, betreffende het pand [pand S] te Den Haag, gedateerd 10 april 2007 te Den Haag (AH/09/126, p.1356) en/of c. een huurovereenkomst met [betrokkene T], huurder, betreffende het pand [pand J] te Den Haag gedateerd 9 maart 2008 te Den Haag (AH/09/494, p.1686) en/of d. een huurovereenkomst met [betrokkene U], huurder, betreffende het pand [pand A] te Den Haag gedateerd d.d. 22 juli 2008 te Den Haag (DD/120/087, p.2297) en/of e. een huurovereenkomst met [betrokkene V], huurder, betreffende het pand [pand R] gedateerd 1 oktober 2009 te Den Haag (DD/461/637, p.2523) en/of f. een huurovereenkomst met [betrokkene U], huurder, en/of [betrokkene W], huurder, betreffende het pand [pand R] te Den Haag gedateerd 14 mei 2011 te Den Haag (DD/260/1, p.2472) en/of , althans een of meer huurovereenkomst(
  25. en)en/of een of meer (andere) geschrift(en), zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande de valsheid erin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(
  26. s)toen en daar (telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid – a. in/op die huurovereenkomst '[betrokkene N] (, wonende op de [pand AB] te Den Haag)' als verhuurder heeft vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf heeft ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [betrokkene N] en/of b. in/op die huurovereenkomst '[medeverdachte C] (, wonende op de [pand AG] te Den Haag)' als verhuurder vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [medeverdachte C], althans [medeverdachte C] dit geschrift blanco heeft laten ondertekenen ter bevestiging van de juistheid van de opgenomen gegevens, zonder dat [medeverdachte C] bekend was met de (door hem, verdachte, later opgenomen) inhoud van deze gegevens in dit geschrift, en/of c. in/op die huurovereenkomst '[medeverdachte C] (, wonende te Den Haag)' als verhuurder vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [medeverdachte C], althans [medeverdachte C] dit geschrift blanco heeft laten ondertekenen ter bevestiging van de juistheid van de opgenomen gegevens, zonder dat [medeverdachte C] bekend was met de (door hem, verdachte, later opgenomen) inhoud van de gegevens in dit geschrift en/of d. in/op die huurovereenkomst '[betrokkene X] (, wonende te Den Haag)' als verhuurder heeft vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf heeft ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [betrokkene X] en/of e. in/op die huurovereenkomst (wijlen) '[vader verdachte] (, wonende te Den Haag)' als verhuurder heeft vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf heeft ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [vader verdachte] en/of f. in/op die huurovereenkomst (wijlen) '[vader verdachte] (, wonende te Den Haag)' als verhuurder heeft vermeld en/of laten/doen vermelden en/of (vervolgens) die huurovereenkomst (onder het woord 'Verhuurder') zelf heeft ondertekend dan wel laten/doen ondertekenen door een ander dan die [vader verdachte], althans in die geschriften valselijk gegevens heeft opgenomen, en bestaande dat gebruik maken erin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(
  27. s)deze huurovereenkomsten heeft/hebben laten ondertekenen door huurder(
  28. s)en/of dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(
  29. s)deze huurovereenkomst(
  30. en)heeft/hebben gebruikt voor administratieve doeleinden en/of dat deze huurovereenkomst(
  31. en)(valselijk en/of ten onrechte) als bewijs heeft/hebben gediend van het bestaan van een of meer huurovereenkomst(
  32. en)en/of ter inning van de huurpenningen uit deze huurovereenkomst(en); artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht 3. (OPLICHTING - 326 Sr) hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2007 tot en met 31 december 2009, te Den Haag en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Enschede en/of Rotterdam en/of Lijnden en/of Leeuwarden en/of Wognum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, meermalen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(
  33. en)en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Rabobank en/of DSB bank en/of ING bank en/of een of meer anderen (telkens) (op valse gronden) heeft bewogen tot de afgifte van (een) goed(eren) en/of geldbedrag(
  34. en)en/of tot het aangaan van een schuld te weten: a. de verstrekking van een geldbedrag en/of een hypotheek door de DSB Bank ter waarde van EUR (ongeveer) 147.500,-, althans een groot geldbedrag, ten behoeve van de aankoop van het pand [pand A] te Den Haag, op naam van [betrokkene AA] althans het aangaan van een schuld ter waarde van EUR 147.500,-, althans een groot geldbedrag, door [betrokkene AA] bij de DSB Bank in het kader van de aankoop van het pand [pand A] te Den Haag en/of b. de verstrekking van een geldbedrag en/of een hypotheek door de DSB Bank ter waarde van EUR 185.325,-, althans een groot geldbedrag, ten behoeve van de aankoop van het pand [pand T] te Den Haag, op naam van [betrokkene AD], althans het aangaan van een schuld ter waarde van EUR 185.325,-, althans een groot geldbedrag, door [betrokkene AD] bij de DSB Bank in het kader van de aankoop van het pand [pand T] te Den Haag en/of c. de verstrekking van een geldbedrag en/of een hypotheek door de Rabobank ter waarde van EUR 149.500,-, althans een groot geldbedrag, ten behoeve van de aankoop van het pand [pand U] te Utrecht op naam van [betrokkene AE], althans het aangaan van een schuld ter waarde van EUR 149.500,-, althans een groot geldbedrag, door [betrokkene AE] bij de Rabobank in het kader van de aankoop van het pand [pand U] te Utrecht en/of d. de verstrekking van een geldbedrag en/of een hypotheek door de ING Bank ter waarde van EUR 146.100,-, althans een groot geldbedrag, ten behoeve van de aankoop van het pand [pand V] te Den Haag op naam van [betrokkene AE], althans het aangaan van een schuld ter waarde van EUR 146.100,-, althans een groot geldbedrag, door [betrokkene AE]bij de ING Bank in het kader van de aankoop van het pand Nicolaasstraat 33 te Den Haag en/of e. de verstrekking van een geldbedrag en/of een hypotheek door de Rabobank ter waarde van EUR 151.875,-, althans een groot geldbedrag, ten behoeve van de aankoop van het pand [pand S] te Den Haag op naam van [betrokkene AH], althans het aangaan van een schuld ter waarde van EUR 151.875,-, althans een groot geldbedrag, door [betrokkene AH] bij de Rabobank in het kader van de aankoop van het pand [pand S] te Den Haag en/of f. de verstrekking van een geldbedrag en/of een hypotheek door de Rabobank ter waarde van EUR 185.625,-, althans een groot geldbedrag, ten behoeve van de aankoop van het pand [pand AB] te Den Haag op naam van [betrokkene AG], althans het aangaan van een schuld ter waarde van EUR 185.625,-, althans een groot geldbedrag, door [betrokkene AG] bij de Rabobank in het kader van de aankoop van het pand [pand AB] te Den Haag, althans de verstrekking van (een) geldbedrag(
  35. en)en/of (een) hypothe(e)k(
  36. en)(telkens) leidende tot uitbetaling(
  37. en)van een geldsom en/of de aanschaf van (een) pand(
  38. en)en/of het aangaan van een schuld, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), toen en aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (een) werkgeversverklaring(
  39. en)en/of (een) salarisspecificatie(
  40. s)en/of (een) hypotheekaanvra(a)g(
  41. en)en/of (een) hypotheekofferte(
  42. s)en/of (een) ander(
  43. e)geschrift(en), in welke werkgeversverklaring(
  44. en)en/of salarisspecificatie(
  45. s)en/of hypotheekaanvra(a)g(
  46. en)en/of hypotheekofferte(
  47. s)en/of (een) ander(
  48. e)geschrift(
  49. en)ten onrechte valse en/of vervalste werkgeversgegevens en/of salarisgegevens en/of anderszins valse en/of vervalste gegevens waren opgenomen, ingediend bij en/of toegezonden en/of ingezonden en/of teruggezonden en/of doen/laten indienen en/of toezenden en/of inzenden en/of terugzenden aan de Rabobank en/of DSB Bank en/of ING bank, en/of naar aanleiding waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), de Rabobank en/of DSB Bank en/of ING bank en/of een of meer anderen heeft bewogen tot afgifte van (een) goed(eren) en/of (een) geldbedrag(en), te weten voornoemde (een) hypothe(e)k(
  50. en)en/of geldbedragen en/of tot het aangaan van voornoemde (een) schuld(
  51. en)art 326 WvSr 4.(OPLICHTING - 326 Sr ([aangever B]/ Rechtbank Assen)) hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 mei 2010 tot en met 4 april 2012, te Assen en/of Rolde (gemeente Aa en Hunze, Drenthe) en/of Den Haag en/of Deventer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, meermalen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(
  52. en)en/of door een samenweefsel van verdichtsels, a. [aangever B] en/of [betrokkene D1](telkens) (op valse gronde) heeft bewogen tot de afgifte van (een) goed(eren) en/of geldbedrag(
  53. en)en/of het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, te weten het betalen van (een) geldsom(men) ten bedrage van EUR 20.000,- en/of het aangaan van een schuld ten bedrage van EUR 20.000,- of het teniet doen van een inschuld ten bedrage van EUR 20.000,-zijnde (telkens) een getroffen schikking naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 3 augustus 2011 (rolnummer 85397/HA ZA 11-178) en/of b. de rechtbank Assen (op valse gronden) heeft bewogen tot de afgifte van (een) goed(eren), te weten, een vonnis van de rechtbank Assen (rolnummer 85397/HA ZA 11-178), - onder meer - inhoudende dat [aangever B] en/of [aangever B1] - dien(t)(
  54. en)mee te werken aan de levering van een onroerende zaak, te weten een perceel in Rolde (gemeente Aa en Hunze, Drenthe) dan wel dat de levering middels reële executie geschiedt door inschrijving in het openbare register van genoemd vonnis dan wel betaling van vervangende schadevergoeding en/of - tot betaling van de contractuele boete van 10% van de koopsom, zijnde EUR 13.250,- dien(t)(
  55. en)over te gaan en/of - tot betaling van een schadevergoeding ten belope van EUR 14.100,- dien(t)(
  56. en)over te gaan en/of - tot betaling van de proceskosten van [broer verdachte], begroot op EUR 1.843,45 en/of EUR 452,- dien(t)(
  57. en)over te gaan , hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), toen en aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zich meermalen in persoon en/of telefonisch en/of via het internet (e-mail) en/of in geschrift heeft voorgedaan als [alias verdachte] en/of [broer verdachte] bij het aankopen van een stuk grond te Rolde (gemeente Aa en Hunze, Drenthe) van [aangever B] en/of [betrokkene D1], en/of - namens [broer vedachte] (een) stuk(ken) opgesteld en/of verzonden, onder welke de civiele dagvaarding d.d. 23 december 2010 gericht aan [aangever B] en/of [betrokkene D1], terwijl deze stukken in werkelijkheid namens [verdachte] werden opgesteld en/of verzonden en/of waarin (een) feit(
  58. en)en/of (een) omstandighe(i)den zijn opgesomd, welke niet conform de waarheid wa(s)ren, en/offeit(
  59. en)en/of (een) omstandighe(i)den en/of (een) geschrift(
  60. en)in de civiele procedure ingebracht die niet conform de waarheid wa(s)ren en/of wa(s)ren opgemaakt, onder welke de (valselijke) bewering dat er sprake was van schade wegens een doorverkoop van het perceel onroerend goed te Rolde (gemeente Aa en Hunze, Drenthe) door [broer verdachte] aan [betrokkene G] en/of een (valselijke) aansprakelijkheidsstelling/ingebrekestelling door [betrokkene G] van [broer verdachte] wegens het niet kunnen leveren door [broer verdachte], en/of de/het geschrift(en), waaronder de (valselijk opgemaakte) koopovereenkomst tussen [broer verdachte] en [betrokkene G], dit alles met het doel de rechtbank Assen en/of [aangever B] en/of [betrokkene D1]te overtuigen van het feit dat de grond al was doorverkocht, zulks terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was) en/of - op valse gronden en/of met een valse hoedanigheid en/of onder een valse naam beslag heeft gelegd op het perceel onroerend goed te Rolde (gemeente Aa en Hunze, Drenthe) en/of - zich voorgedaan als en/of de hoedanigheid en/of naam van [broer verdachte] aangenomen/gebruikt ter civiele terechtzitting van de rechtbank Assen d.d. 14 juli 2011, terwijl in werkelijkheid verdachte, [verdachte], de procedure(
  61. s)heeft gevoerd en/of aanwezig was ter terechtzitting, en/of naar aanleiding waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), [aangever B] en/of [betrokkene D1]respectievelijk de rechtbank Assen heeft bewogen tot afgifte van (een) goed(eren) en/of (een) geldbedrag(
  62. en)en/of het aangaan van schuld of het teniet doen van een inschuld, te weten a. de afgifte van voornoemde geldbedrag ten bedrage van EUR 20.000,-, gestort op de derdengeldrekening van advocatenkantoor [betrokkene E] als uitvloeisel van een overeengekomen schikking naar aanleiding van een civiel vonnis (rolnummer 85397/HA ZA 11-178) en/of het aangaan van een schuld ten bedrage van EUR 20.000,- als uitvloeisel van een overeengekomen schikking naar aanleiding van een civiel vonnis (rolnummer 85397/HA ZA 11-178) en/of het teniet doen van een inschuld ten bedrage van EUR 20.000,- , gestort op de derdengeldrekening van advocatenkantoor [betrokkene E] als uitvloeisel van een overeengekomen schikking naar aanleiding van een civiel vonnis (rolnummer 85397/HA ZA 11-178) en/of b. de afgifte van voornoemde vonnis van de rechtbank Assen d.d. 3 augustus 2011 (rolnummer 85397/HA ZA 11-178); art 326 WvSr 5.(POGING OPLICHTING - 326 jo 45 Sr - Rechtbank Rotterdam) hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 februari 2009 tot en met 9 november 2010, te Rotterdam en/of Den Haag en/of Dordrecht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, meermalen, ter uitvoering van de/het door verdachte en/of zijn mededader(
  63. s)voorgenomen misdrij(f)(ven) om tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen de rechtbank Rotterdam op te lichten ter verkrijging van een (voor hem en/of zijn mededader(
  64. s)(deels) toewijzende, althans gunstige) vonnissen, heeft en/of hebben als volgt heeft gehandeld, hebbende hij, en/of zijn mededader(s), (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(
  65. en)en/of door een samenweefsel van verdichtsels, getracht de rechtbank Rotterdam te doen overgaan tot het geven van een (voor hem en/of zijn mededader(
  66. s)gunstige) vonnissen, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), toen en aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zich meermalen telefonisch en/of in geschrift voorgedaan als [betrokkene A1], (beweerdelijk) schuldeiser van (de erven van) [aangever A1], en/of hebbende hij, verdachte en/of (één van) zijn mededader(s), te weten [dochter verdachte], dochter van verdachte, zich meermalen telefonisch als de dochter of zus van deze [betrokkene A1]voorgedaan, en/of - een schuldbekentenis van [aangever A1] en/of [betrokkene I] aan [betrokkene A1]d.d. 17 juli 2007 ten bedrage van EUR 47.000,- opgesteld en/of doen opstellen en/of in een civiel geding gebracht en/of overgelegd en/of doen/laten brengen en/of overleggen, (beweerdelijk) door of namens [aangever A1]en/of [betrokkene I] en/of [betrokkene A1] ondertekend (, zulks ter bevestiging van de juistheid van de opgenomen gegevens), en/of - namens [betrokkene A1](een) stuk(ken) opgesteld en/of verzonden en/of doen/laten opstellen en/of verzenden, te weten onder welke de civiele dagvaarding d.d. 14 juli 2009 gericht aan [aangever A], althans aan (de erven van) [aangever A1], terwijl deze stukken in werkelijkheid door of namens verdachte [verdachte] werden opgesteld en/of verzonden en/of waarin (een) feit(
  67. en)en/of (een) omstandighe(i)den zijn opgesomd, welke niet conform de waarheid wa(s)ren, en/of - geschermd met (een) feit(
  68. en)en/of (een) omstandighe(i)den en/of (een) geschrift(
  69. en)die niet conform de waarheid wa(s)ren en/of wa(s)ren opgemaakt, onder welke de (valselijke) schuldbekentenis van [aangever A1] en/of [betrokkene I] aan [betrokkene A1](, zulks terwijl deze valselijk was opgemaakt); - op valse gronden en/of met een valse hoedanigheid en/of onder een valse naam beslag gelegd op het pand [pand AD] te Rotterdam en/of - hebbende verdachte en/of zijn mededader(
  70. s)ter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam (in de zaak met rolnummer 338914/HA ZA 09-2627) gedurende de comparitie van partijen d.d. 28 april 2010 aangegeven tijdens een schorsing van deze comparitie gebeld te hebben met [betrokkene A1], die zich op dat moment (beweerdelijk) in Irak zou bevinden wegens zaken en/of welke [betrokkene A1] toen telefonisch verklaard zou hebben dat de schuldbekentenis in drievoud is opgemaakt en/of het getoonde exemplaar in bezit was van [betrokkene A1], terwijl de andere 'originelen' in bezit zouden zijn van [betrokkene I] en/of [aangever A1] en/of - de hoedanigheid en/of naam van [betrokkene A1] (valselijk) gebruikt in en/of rondom het voeren van (een) diverse civiele procedure(
  71. s)bij de rechtbank Rotterdam, en/of naar aanleiding waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), de rechtbank Rotterdam heeft bewogen tot afgifte van (een) goed(eren), te weten - de afgifte van voornoemde (voor hem en/of zijn mededader(
  72. s)(deels) toewijzende, althans gunstige) vonnis(sen) van de rechtbank Rotterdam d.d. 26 mei 2010 (rolnummer 338914/HA ZA 09-2627) en/of 9 november 2010 (rolnummer 362617/KG ZA 10-912) , terwijl de uitvoering van die/dat voorgenomen misdrij(f)(ven) (het verkrijgen van een (deels) toewijzend/gunstige vonnis) niet is voltooid; 6.(POGING OPLICHTING - 326 jo 45 Sr – [aangever A]) hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 februari 2009 tot en met 9 november 2010, te Rotterdam en/of Den Haag en/of Dordrecht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, meermalen, ter uitvoering van de/het door verdachte en/of zijn mededader(
  73. s)voorgenomen misdrij(f)(ven) om tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, [aangever A] en/of [aangever A2] en/of [aangever A3], zijnde de erven van [aangever A1], op te lichten, heeft en/of hebben als volgt heeft gehandeld, hebbende hij, en/of zijn mededader(s), (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(
  74. en)en/of door een samenweefsel van verdichtsels, getracht [aangever A] en/of [aangever A2] en/of [aangever A3], zijnde de erven van [aangever A1] en/of [aangever A2] en/of [aangever A3], (telkens) (op valse gronden) te bewegen tot de afgifte van (een) goed(eren) en/of (een) geldbedrag(
  75. en)en/of het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het betalen van (een) geldsom(men) ten bedrage van EUR 47.000,-, althans een geldbedrag, en/of het aangaan van een schuld ten bedrage van EUR 47.000,- en/of het teniet doen van een inschuld ten bedrage van EUR 47.000,- en/of het doen van afstand van de erfenis van [aangever A] en/of het overdragen van, althans het onder de waarde verkopen van, het pand [pand AD] te Rotterdam, immers hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), toen en aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zich meermalen telefonisch en/of in geschrift voorgedaan als [betrokkene A1], (beweerdelijk) schuldeiser van (de erven van) [aangever A1], en/of hebbende hij, verdachte en/of (één van) zijn mededader(s), te weten [dochter verdachte], dochter van verdachte, zich meermalen telefonisch als de dochter of zus van deze [betrokkene A1] voorgedaan, en/of - een schuldbekentenis van [aangever A1] en/of [betrokkene I] aan [betrokkene A1] d.d. 17 juli 2007 ten bedrage van EUR 47.000,- opgesteld en/of doen opstellen en/of in een civiel geding gebracht en/of overgelegd en/of doen/laten brengen en/of overleggen, (beweerdelijk) door of namens [aangever A1] en/of [betrokkene I] en/of [betrokkene A1] ondertekend (, zulks ter bevestiging van de juistheid van de opgenomen gegevens), en/of - namens [betrokkene A1] (een) stuk(ken) opgesteld en/of verzonden en/of doen/laten opstellen en/of verzenden, onder welke de civiele dagvaarding d.d. 14 juli 2009 is gericht aan [aangever A], althans aan (de erven van) [aangever A1], terwijl deze stukken in werkelijkheid door of namens verdachte [verdachte] werden opgesteld en/of verzonden en/of waarin (een) feit(
  76. en)en/of (een) omstandighe(i)den zijn opgesomd, welke niet conform de waarheid wa(s)ren, en/of - geschermd met (een) feit(
  77. en)en/of (een) omstandighe(i)den en/of (een) geschrift(
  78. en)die niet conform de waarheid wa(s)ren en/of wa(s)ren opgemaakt, onder welke de (valselijke) schuldbekentenis van [aangever A1] en/of [betrokkene I] aan [betrokkene A1](, zulks terwijl deze valselijk was opgemaakt); - op valse gronden en/of met een valse hoedanigheid en/of onder een valse naam beslag gelegd op het pand [pand AD] te Rotterdam - hebbende verdachte en/of zijn mededader(
  79. s)ter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam (in de zaak met rolnummer 338914/HA ZA 09-2627) gedurende de comparitie van partijen d.d. 28 april 2010 aangegeven tijdens een schorsing van deze comparitie gebeld te hebben met [betrokkene A1], die zich op dat moment (beweerdelijk) in Irak zou bevinden wegens zaken en/of welke [betrokkene A1] toen telefonisch verklaard zou hebben dat de schuldbekentenis in drievoud is opgemaakt en/of het getoonde exemplaar in bezit was van [betrokkene A1], terwijl de andere 'originelen' in bezit zouden zijn van [betrokkene I] en/of [aangever A1] en/of - de hoedanigheid en/of naam van [betrokkene A1](valselijk) gebruikt in en/of rondom het voeren van (een) diverse civiele procedure(
  80. s)bij de rechtbank Rotterdam, en/of naar aanleiding waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), [aangever A] en/of [aangever A2] en/of [aangever A3], zijnde de erven van [aangever A1], hebben getracht te doen bewegen tot de afgifte van (een) goed(eren) en/of (een) geldbedrag(
  81. en)en/of het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het betalen van (een) geldsom(men) ten bedrage van EUR 47.000,-, althans een geldbedrag, en/of het aangaan van een schuld ten bedrage van EUR 47.000,- en/of het teniet doen van een inschuld ten bedrage van EUR 47.000,- en/of het doen van afstand van de erfenis van [aangever A1] en/of het overdragen van, althans het onder de waarde verkopen van, het pand [pand AD] te Rotterdam, terwijl de uitvoering van die/dat voorgenomen misdrij(f)(ven) niet is voltooid. art 45 jo 326 WvSr Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverwegingen De raadsman heeft aangevoerd dat de eerder door hem in het kader van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie opgeworpen onherstelbare vormverzuimen (subsidiair) dienen te leiden tot bewijsuitsluiting. Gelet op de beperkte ernst van de beide door het hof geconstateerde vormverzuimen (enkele niet aanstonds vernietigde geheimhoudersgesprekken en een ten onrechte aan Post NL aangeboden deel van de in beslag genomen administratie) zoals die zich in de zaak van verdachte concreet hebben voorgedaan en het ontbreken van enig aanwijsbaar nadeel daarvan voor de verdachte, bijvoorbeeld doordat bewijsmateriaal rechtstreeks resultaat van dat verzuim is, ziet het hof geen aanleiding om tot enige bewijsuitsluiting over te gaan. Het hof verwerpt het verweer. Algemeen In het beslag is een groot aantal volmachten aangetroffen (AH 746 en 751). Het betreft hier zowel volmachten van familieleden als van niet-familieleden (doorgaans minvermogenden), afgegeven aan verdachte zelf, dan wel zijn echtgenote of aan een andere volmachtgever. De volmachten betreffen doorgaans notariële volmachten, waarmee de volmachtgever aan de gevolmachtigde een onbeperkte volmacht verleent, onbeperkt zowel in de duur als in de omvang van de volmacht. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte er een gewoonte van maakte om niet op eigen naam te handelen, maar zijn handelingen/transacties op naam van anderen te verrichten. In dat kader bedient hij zich van die volmachten. Zijn echtgenote, die vaak als gevolmachtigde is aangewezen, volgt de instructies van de verdachte op. De verdachte heeft bij de rechtbank dienaangaande, onder meer, zakelijk weergegeven, verklaard: De enige naam waarop het na 1995 niet meer kon, was mijn eigen naam. Ik had immers een belastingaanslag. Dat was de reden dat ik de panden op mijn naam heb verkocht. Tot 1993 stonden er honderden panden op mijn naam. Nadat de belastingaanslagen en de FIOD kwamen, heb ik niets meer op (het hof begrijpt: mijn eigen) naam gezet. (PV 08-04-2015, blz. 8) U, voorzitter, zegt mij dat er ook panden staan op naam van [betrokkene G], [betrokkene J] en andere personen die geen familie zijn. Ik ben er nu achter gekomen dat als je tegen [betrokkene G] (hof: die een volmacht had afgegeven) zegt dat het vandaag zondag is - …- dan zegt hij dat het inderdaad vandaag zondag is. [betrokkene G] woonde aan de [pand J] op een kamer. [betrokkene G] werkte voor mij. (blz. 7) Ik sta geregistreerd bij instellingen. Dat is de allerbelangrijkste reden dat ik de panden niet op mijn naam zet. Als ik namelijk verkoop dan kan de koper geen hypotheek krijgen. (PV 09-04-2015, blz. 2). De bankrekeningen en panden die door de verdachte werden beheerd en waar hij mee handelde naar eigen goeddunken, stonden civielrechtelijk op naam van anderen (volmachtgevers). Zoals hierna naar voren komt was de verdachte degene die feitelijk als heer en meester over deze bankrekeningen en panden beschikte. De civielrechtelijke eigenaren/gerechtigden hadden, niettegenstaande hun civielrechtelijke titel, feitelijk geen zeggenschap over deze bezittingen, waren daar in meerdere gevallen amper van op de hoogte, en beschouwden die bezittingen, zoals uit hun verklaringen naar voren komt, niet als hun eigendom, maar als toebehorend aan de verdachte. Het behoeft in het licht hiervan geen betoog dat aldus werd verhuld dat de verdachte de feitelijk gerechtigde tot deze rekeningen en panden was. Met betrekking tot de als feit 3 ten laste gelegde en bewezenverklaarde hypotheekfraude geldt dat de betreffende panden werden verkocht uit naam van de civielrechtelijke eigenaren. Ten aanzien van al deze eigenaren geldt dat zij een volmacht hadden afgegeven aan de verdachte of zijn echtgenote (of een andere volmachtgever). De verkoopopbrengst van deze panden, die vanwege de aan de kopers verstrekte hypotheek dus gefinancierd werden door banken, kwam aldus feitelijk ten goede aan de verdachte, die daar als heer en meester over kon beschikken. Met betrekking tot de hypotheekfraude geldt, naar het oordeel van het hof, dat de banken niet alleen door valse werkgeversverklaringen en salarisoverzichten werden bewogen tot de verstrekking van de met behulp daarvan aangevraagde hypotheken, maar ook doordat uit alle stukken niet de verdachte, maar een ander als verkopende partij naar voren kwam. Ook werd de bank bewogen tot verstrekking van de hypotheek doordat een koper ([betrokkene AE] bijvoorbeeld) werd opgevoerd als verkrijger van de verkochte woning, terwijl de zeggenschap en beschikking over die woning feitelijk bij de verdachte bleef berusten en de koper, zoals de verdachte heel goed wist, niet van plan was om ook maar enige betaling aan de bank te verrichten omdat hij erop vertrouwde dat de verdachte, die immers de woning zou exploiteren, daarvoor zou zorgen. Zulks terwijl, zoals de verdachte zelf verklaard heeft en het hof ook buiten twijfel acht, hij geregistreerd staat bij alle instellingen in geval van gekende betrokkenheid van de verdachte, aan de (zogenaamde) koper nimmer een hypotheek zou zijn verstrekt. 1. Feit 3: Oplichting banken 1.1 [pand A] en [pand T] (feiten 3a en 3b) Betrokkenheid verdachte bij de oplichting Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte een initiërende en actieve rol heeft vervuld bij de oplichting van de DSB bank bij de hypotheekaanvraag op naam van [betrokkene AA]. De verklaring van [betrokkene AA] houdt in dat de verdachte alles heeft geregeld en dat [betrokkene AA] alleen de papieren heeft getekend. Uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van [betrokkene AB], manager personeelszaken van Alk BV, volgt dat hij op initiatief van de verdachte een valse werkgeversverklaring en een valse arbeidsovereenkomst op naam van [betrokkene AA] heeft opgemaakt. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van [betrokkene AC], de hypotheekadviseur van de DSB Bank. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof ook dat de verdachte die rol eveneens heeft vervuld bij de oplichting van de DSB bank bij de hypotheekaanvraag op naam van [betrokkene AD]. Ook uit de verklaring van [betrokkene AD] komt naar voren dat de verdachte alles heeft geregeld en dat zij alleen de papieren heeft getekend. Ook deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van [betrokkene AC], de hypotheekadviseur van de DSB bank, en [betrokkene AB], manager personeelszaken van [werkgever A] die de valse documenten heeft opgemaakt. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene AB] en [betrokkene AC] niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, nu deze niet betrouwbaar zouden zijn. Het hof constateert met de raadsman dat de inhoud van de eerste bij de politie afgelegde verklaring van de [betrokkene AB] (van 6 februari 2012) anders luidt dan zijn later afgelegde verklaringen. Aangezien de getuige bij aanvang van zijn tweede verhoor heeft verklaard dat hij zijn eerste verklaring wil aanpassen en te meer gelet op het feit dat de getuige tijdens zijn latere verhoren consistent (en anders dan bij zijn eerste verhoor ook zichzelf belastend) verklaart, acht het hof de verklaring in zijn eerste politieverhoor inderdaad onbetrouwbaar. Het hof ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de overige verklaringen van de [betrokkene AB]. Hij verklaart ook bij de rechter-commissaris over de betrokkenheid van de verdachte bij de hypotheekverstrekkingen. Zo verklaart hij dat hij documenten heeft gemaakt voor [betrokkene AA], maar dat de verdachte alle voorstellen deed (punt 14), alsmede dat hij de gegevens heeft versterkt zodat de verdachte een hypotheek kon aanvragen (punt 10). Het hof ziet evenmin aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [betrokkene AC] en acht zijn verklaringen op cruciale onderdelen met elkaar in overeenstemming. Hetgeen de raadsman in zijn pleidooi heeft gesteld sluit de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde niet uit. Bovendien heeft [betrokkene AC] óók bij de rechter-commissaris juist verklaard over de betrokkenheid van de verdachte. De verklaringen van [betrokkene AA] en [betrokkene AD] acht het hof eveneens geloofwaardig. 1.2 [pand U] (feit 3c) Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met [betrokkene AE], de Rabobank heeft opgelicht. Door [betrokkene AE] is een hypothecaire lening aangevraagd en deze aanvraag is onderbouwd met een valse werkgeversverklaring en een valse loonstrook, die de verdachte heeft verzorgd. Aldus hebben de verdachte en [betrokkene AE] de Rabobank bewogen tot afgifte van een hypothecaire lening voor een bedrag van € 149.500,- met als onderpand de woning gelegen aan de [pand U] te Utrecht. 1.3 [pand V] (feit 3d) Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met [betrokkene AE], de ING heeft opgelicht door een hypothecaire lening aan te vragen en de offerte daartoe te ondertekenen, terwijl hierin vermeld stond dat het onderpand (het pand aan de [pand V]) door [betrokkene AE] bewoond zou worden, terwijl reeds op voorhand vast stond dat dit niet het geval zou zijn. Immers, [betrokkene AE] was de hypothecaire lening slechts aangegaan opdat de verdachte als tegenprestatie daarvoor zijn schulden zou aflossen en hij daarop kon emigreren naar Curaçao. Dat [betrokkene AE] reeds op voorhand van plan was om de woning niet zelf te gaan bewonen had gemeld moeten worden op grond van hetgeen in de door hem ondertekende offerte vermeld staat. Zoals uit zijn bij de politie en de rechter-commissaris afgelegde, en door het hof geloofwaardig geachte, verklaringen blijkt heeft [betrokkene AE] de woning feitelijk helemaal niet voor zichzelf gekocht, maar ten behoeve van de verdachte en was hij evenmin van plan om enige betaling aan de bank te verrichten. De verdachte zou de woning verkopen of exploiteren en de lasten voldoen, aldus [betrokkene AE]. De offerte is tot stand gekomen door de stukken die door de verdachte, via de tussenpersoon [tussenpersoon A] te Leiden, bij de hypotheekaanvraag zijn ingediend. Aldus acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door hen tezamen en in vereniging de ING bank is bewogen tot afgifte van een hypothecaire lening voor een bedrag van € 146.100,00 met als onderpand de woning gelegen aan de [pand V] te Den Haag. 1.4 [pand AA] en [pand AB] (feiten 3e en 3f) Taxatie woningen Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat naast de inkomensgegevens van [betrokkene AH] en [betrokkene AG] ook de door [taxateur] uitgevoerde taxaties de Rabobank hebben bewogen tot afgifte van de in de aangifte genoemde leningen, althans dat deze taxatierapporten de bank hebben bewogen om hypothecaire leningen tot het gevraagde bedrag aan te gaan. Betrouwbaarheid verklaringen [getuige A] De raadsman van de verdachte heeft het verweer gevoerd dat de verklaringen die de [getuige A] ten overstaan van de politie heeft afgelegd niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Hiertoe is aangevoerd dat [getuige A], zo zou blijken uit zijn latere verhoor bij de rechter-commissaris, door de politie onjuist is ingelicht over de omstandigheid dat de verdachte panden op naam van [getuige A] had gezet en dat de eerdere verklaringen derhalve onbetrouwbaar zijn. Het hof overweegt hierover als volgt. Anders dan de raadsman wil, is het hof van oordeel dat uit de enkele omstandigheid dat de getuige verklaart dat de politie naar is gebleken: ten onrechte, tegen hem had gezegd dat hij panden van de verdachte op zijn naam had staan niet met zich brengt dat zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn. Daarbij hecht het hof eraan op te merken dat uit het verdere vervolg van het verhoor bij de rechter-commissaris blijkt dat de getuige op geen enkel (relevant) punt andersluidend verklaard heeft dan ten overstaan van de politie. Het hof ziet aldus geen aanleiding om de politieverklaringen van [getuige A] uit te sluiten van het bewijs. Het verweer wordt verworpen. Betrokkenheid verdachte Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat de verdachte een actieve en sturende rol heeft vervuld bij de oplichting van de Rabobank bij beide hypotheekaanvragen. Het hof overweegt hiertoe als volgt. [betrokkene AG] verklaart dat de hypotheekaanvraag voor de aankoop van het pand aan de [pand AB] feitelijk door de verdachte is gedaan. Hierbij is gebruik gemaakt van valse inkomensgegevens, een valse werkgeversverklaring en een taxatierapport waarin [pand AB], blijkens de hertaxatie, op een te hoge waarde getaxeerd is. Deze stukken zijn door de verdachte overgelegd aan de Rabobank. Dat de verdachte die rol vervulde, blijkt ook uit de verklaring van [getuige A] die door de verdachte is benaderd om een valse werkgeversverklaring op te stellen, ook al heeft hij daaraan zijn medewerking geweigerd. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte de Rabobank heeft bewogen tot afgifte van een hypothecaire lening voor de aankoop van het pand aan de [pand AB] te Den Haag. Voorts overweegt het hof dat de hypotheekaanvraag ter zake van het pand aan [pand S] te Den Haag duidelijke overeenkomsten vertoont met de gang van zaken rondom de hypotheekaanvraag voor het [pand AB], immers: van zowel [betrokkene AG] als [betrokkene AH] wordt voorgewend als ware hij werkzaam als kok bij [café A]; de Werkgeversverklaringen zijn op dezelfde datum ondertekend en de taxaties van beide woningen zijn door [taxateur] in opdracht van de verdachte uitgevoerd. Daarbij overweegt het hof nog dat het pand aan [pand S] door de neef van de verdachte aan [betrokkene AH] is verkocht. Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen het hof tot het oordeel dat ook de aanvraag van de hypotheek voor het pand aan [pand S] te Den Haag door de verdachte is gedaan. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat de verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met ten minste één ander deze oplichtingen heeft gepleegd. Daartoe overweegt het hof allereerst dat de verdachte in geen van beide gevallen op zijn eigen naam de hypothecaire leningen heeft aangevraagd. Er is dus in beide gevallen ten minste één persoon geweest op wiens naam de hypotheek is aangevraagd of die zich heeft voorgedaan als degene op wiens naam de hypotheek is aangevraagd. In beide gevallen moet ook die betreffende persoon ervan op de hoogte zijn geweest dat deze aanvragen niet volledig en naar waarheid zijn gedaan. De rol van de feitelijke hypotheekaanvrager is daarbij zozeer cruciaal en van zodanig gewicht dat gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking. De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 aangevoerd dat de banken onvoldoende controle hebben uitgeoefend op de door de hypotheekadviseur aangeleverde stukken en dat de banken daardoor zelf niet aan de van hen vereiste zorgplicht hebben voldaan welke van de banken wordt vereist bij het aangaan van een dergelijke overeenkomst. Het hof overweegt hierover als volgt. Met de verdediging is het hof van oordeel dat geldverstrekkers een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het beoordelen van verstrekte informatie. Voor zover de verdediging met zijn stelling met juistheid betoogt dat in de hier voorliggende gevallen de controle door de geldverstrekkers ontoereikend is geweest, dan ontslaat dat de verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om geen inbreuk te maken op het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer gesteld mag worden in de juistheid van schriftelijke stukken zoals gebruikt in deze zaken. De aanvrager van een hypothecaire geldlening dient immers de gevraagde informatie volledig en juist te verstrekken. In de deze zaak zijn er per hypotheekaanvraag juist meerdere valse documenten aan de hypotheekverstrekkers verstrekt, met de bedoeling hen te misleiden. Hierdoor is telkens een andere en op dat moment niet tot zeer moeilijk te controleren beeld van de werkelijkheid aan de hypotheekverstrekker voorgehouden. De verdediging heeft op de terechtzitting van 29 januari 2019 (herhaald) verzocht om de aangevers in de hypotheekfraudezaken te doen horen. Het hof heeft deze verzoeken gemotiveerd afgewezen op de terechtzitting van 11 mei 2017. Naar aanleiding van hetgeen de raadsman daarna aan aanvullende motivering heeft aangevoerd acht het hof het niet noodzakelijk om deze getuigen alsnog te horen. Het hof wijst het verzoek af. Voorts heeft de verdediging verzocht om verstrekking van alle audiovisuele opnames van verhoren/gesprekken om te controleren of ook tijdens de verhoren onjuiste en ongepaste mededelingen door de politie zijn gedaan en of de processen-verbaal een juiste weergave geven van hetgeen de getuigen/medeverdachten hebben verklaard. Daarnaast verzoekt de verdediging naar aanleiding van het getuigenverhoor van [betrokkene AG] om een handschriftvergelijkend onderzoek. Het hof ziet, gezien de gegeven motivering, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen aanleiding om de opnames van de verhoren te verstrekken dan wel een handschrift vergelijkend onderzoek te verrichten. Het hof acht zich aldus voldoende ingelicht en acht het verzochte niet noodzakelijk. De verzoeken zullen dan ook worden afgewezen. 2. Feit 2: Valsheid in geschrift 2.1 Huurovereenkomsten en [pand S] en [pand J] Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift (dan wel gebruik van (ver)vals(t)e geschriften) met betrekking tot de huurovereenkomsten voor de panden [pand S] en [pand J], omdat onvoldoende is gebleken dat deze in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. 2.2 Huurovereenkomsten [pand H], tweede etage De huurovereenkomst voor [pand H] is op naam gezet van [betrokkene N]. De verdachte heeft verklaard dat hij als beheerder voor [betrokkene N] optreedt en dat hij de huurovereenkomst op naam van [betrokkene N], p.o. heeft getekend, althans dat neemt hij aan, omdat hij het zich niet exact kan herinneren. Uit het dossier blijkt voorts dat de persoonsgegevens van [betrokkene N] in geen enkel register in Nederland zijn terug te vinden, behalve in het kadaster als eigenaar van de percelen [pand G], [panden H] en [pand I] alsmede bij een ongebruikte bankrekening. [betrokkene A3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij deze panden in opdracht van de verdachte heeft gekocht op de veiling, dat de verdachte hem had gezegd dat ze op naam van hemzelf of zijn echtgenote zouden komen en eerst nadien van de verdachte vernam dat ze op naam van [betrokkene N] moesten worden gesteld. In opdracht van verdachte heeft [betrokkene A3] aldus opgegeven dat [betrokkene N] als eigenaar moest worden geregistreerd. Het hof acht deze verklaring geloofwaardig. Mede gelet op de omstandigheid dat in de woning van de verdachte een vals Grieks paspoort en rijbewijs op naam van [betrokkene N] zijn aangetroffen, voorzien van de foto van [medeverdachte D], de inwonende zwager van de verdachte, en dat ten overstaan van notaris [A] een valse volmacht van deze ‘[betrokkene N]’ aan [betrokkene E] is opgemaakt, acht het hof aannemelijk dat verdachte, die kennelijk niet beschikte over een echte volmacht van [betrokkene N], juist buiten medeweten van [betrokkene N] deze woningen op diens naam had gezet en heeft verhuurd. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij dit pand altijd heeft verhuurd en dat de huurinkomsten niet naar [betrokkene N] gingen. Uit de inhoud van de huurovereenkomst blijkt niet dat deze door iemand anders namens [betrokkene N] is ondertekend. Het dossier bevat aldus geen enkel aanknopingspunt waaruit blijkt dat [betrokkene N] daadwerkelijk betrokken is geweest bij de (aankoop
  82. en)de verhuur van dit pand. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en in samenhang bezien kan het niet anders dan dat de verdachte deze huurovereenkomst heeft ondertekend. 2.3 Huurovereenkomsten [pand A] en [pand R] Met de rechtbank is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift met betrekking tot de huurovereenkomsten voor de panden [pand A] en [pand R]. Daarbij neemt het hof de overwegingen uit het vonnis over en waar nodig zullen deze worden aangevuld en aangepast. De huurovereenkomst voor de [pand A] is op naam gezet van [betrokkene X], terwijl zij heeft verklaard er niet bekend mee te zijn of het pand is verhuurd. Dit wordt ook bevestigd door haar dochter [betrokkene X1] die heeft verklaard dat de handtekening op de huurovereenkomst niet van haar moeder is. Op de twee huurovereenkomsten voor de [pand R] staat als verhuurder vermeld [vader verdachte] en de ingangsdatum van deze overeenkomsten zijn 1 oktober 2009 respectievelijk 15 mei 2011. Vaststaat dat [vader verdachte] (die hierna nog nader zal worden besproken) op 11 april 1999 is overleden, zodat hij nimmer als verhuurder heeft kunnen optreden. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg bekend de drie huurovereenkomsten te hebben opgemaakt. Dat hij niet de handtekeningen daaronder zou hebben gezet, zoals hij ter terechtzitting in eerste aanleg heeft vermeld, doet aan het verwijt dat hij deze in strijd met de waarheid heeft opgemaakt niet af. Overigens acht het hof aannemelijk dat de verdachte wel degene is geweest die deze handtekeningen heeft gezet. 3. Feit 1: Witwassen onroerende zaken, huurpenningen en/of bankrekeningen 3.1 Algemeen, vermoeden van witwassen Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden heeft aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt overigens niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als zo’n onderzoek aan de orde is, zal mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. Tegen deze achtergrond heeft het hof de onderzoekwensen die zien op het tenlastegelegde witwassen en ook de bewijsvragen die daarbij voorliggen beoordeeld. 3.2 De buitenlandse bankrekeningen 3.2.1 Belgische bankrekening met nummer [bankrekening 26] Deze Belgische bankrekening bij BNP Paribas Fortis in België staat op naam van [vader verdachte], de vader van de verdachte. In 2001 en 2002 zijn drie cashstortingen gedaan van in totaal bijna 2,5 miljoen gulden. [vader verdachte] was echter al ruim voordien, te weten op 11 april 1999, overleden. De verdachte is gemachtigd op deze rekening. In een kluis die gehuurd werd door diens echtgenote, [medeverdachte A], zijn bankstukken aangetroffen waaruit voornoemde stortingen blijken. 3.2.2 Vermoeden van witwassen Op grond van de omstandigheid dat hier sprake was van cashstortingen van grote geldbedragen die plaatsvonden op een buitenlandse bankrekening, die gesteld was op naam van een inmiddels overleden rekeninghouder en waartoe een Nederlandse ingezetene als gemachtigde de toegang heeft, is het vermoeden gerechtvaardigd dat het geld op deze bankrekening van misdrijf afkomstig is. Tegenover dat gerechtvaardigde vermoeden mag, zoals hiervoor is overwogen, van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. 3.2.3 Verklaring voor de herkomst van de banksaldi De verdediging heeft als een dergelijke verklaring aangevoerd dat wijlen [vader verdachte], van wie de verdachte een van de erfgenamen is, vermogend was en dat de tegoeden op de bankrekeningen deel zijn van de onverdeelde boedel. 3.2.4 Oordeel hof omtrent alternatieve verklaring Het hof stelt voorop dat deze verklaring, indien al juist, niets zegt over de (legale) herkomst van het vermogen. De verdediging heeft niet concreet toegelicht en ook met geen enkel schriftelijk stuk onderbouwd hoe [vader verdachte] vermogen heeft opgebouwd, hoe en wanneer dat vermogen te gelde is gemaakt en op welke wijze dit vermogen ruim twee jaar na diens overlijden in de vorm van cashstortingen op zijn Belgische bankrekening terecht gekomen is. Het hof leidt uit het dossier af dat [vader verdachte] over enkele percelen in Suriname beschikte en dat hij inkomen heeft genoten uit landbouwwerkzaamheden. Echter, niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een groot legaal verworven inkomen uit een of meer concreet aangeduide legale bronnen of van (te gelde gemaakt) vermogen waaruit de saldi op de hiervoor bedoelde buitenlandse bankrekeningen op zijn naam verklaard kunnen worden. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, wordt dit ook niet aannemelijk gemaakt door het taxatierapport van het perceel aan de [perceel A] District Wanica. Uit dit in het dossier gevoegde taxatierapport blijkt namelijk enkel dat het daar beschreven perceel op 10 maart 2018 ruim 2 miljoen euro waard is. Dit was een klein perceel van ongeveer 2,3 hectare, bestemd voor de verbouw van rijst, dat in 1961 door [vader verdachte], die landbouwer was, is gekocht met een lening van 4.500 Surinaamse guldens, verstrekt door een familielid. Die lening is door 4 jaar lang heel hard te werken afgelost (zie de verklaring van [oudere broer verdachte] bij de raadsheer-commissaris). Daarmee is derhalve niet aangetoond dat dit perceel ten tijde van de verwerving ook al een substantiële waarde vertegenwoordigde, terwijl de taxatiewaarde van dit perceel bovendien geen verklaring kan opleveren voor de herkomst van de stortingen op voormelde Belgische bankrekening , welke stortingen immers meer dan tien jaar vóór de taxatie plaatsvonden en dit perceel toen in ieder geval (nog) niet te gelde was gemaakt. De verklaring die de verdediging heeft gegeven is alleen daarom al onvoldoende concreet. Voorts neemt het hof in aanmerking dat, anders dan men zou verwachten wanneer [vader verdachte] zelf uit legale bron over grote inkomsten en/of vermogen zou hebben beschikt, tot 2010 geen van de betrokkenen bij de onderhavige strafzaak heeft verklaard over het bestaan van een familiekapitaal. De verdachte is in het kader van het AMFI-onderzoek in 2004 meermalen verhoord en heeft herhaaldelijk een verklaring afgelegd over hoe hij is begonnen met zijn werkzaamheden in het onroerend goed, maar hij heeft daarbij niets verklaard over familiekapitaal of een onverdeelde boedel. Hij heeft integendeel verklaard dat hij vanaf het moment dat hij in Nederland woont een huis heeft gekocht met een hypotheek, dat hij hierna nog een huis heeft gekocht met een hypotheek en dat heeft verhuurd en zo verder is gekomen. Ook de echtgenote van de verdachte is in het kader van het eerder tegen de verdachte verrichte onderzoek in de strafzaak onder de naam AMFI-onderzoek meerdere malen verhoord over de aankoop van huizen binnen de familie en zij heeft toen evenmin iets verklaard over familiekapitaal of een onverdeelde boedel. Het dossier bevat overigens sterke aanwijzingen dat [vader verdachte] juist niet vermogend was, waarbij valt te denken aan de verklaring die [oudere broer verdachte], de broer van de verdachte, op 15 januari 2019 bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. Uit die verklaring volgt dat [vader verdachte] tamelijk arm was en schulden had. Ook de verklaring van een zus van de verdachte, [zus verdachte], wijst in die richting, nu zij heeft verklaard dat hun vader in Suriname een kleine landbouwer was en niet vermogend was (GD/081). Daarnaast is door [oudere broer verdachte] tijdens zijn verhoor bij de politie een verklaring van minvermogen van zijn vader uit 1998, dus kort voor diens overlijden afgegeven, getoond (GD/82). Het hof heeft in het licht van de hiervoor vermelde omstandigheden geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van [oudere broer verdachte] en [zus verdachte], ook al stroken deze verklaringen in zoverre niet met die van de medeverdachten [medeverdachte A], die overigens ook pas later in het onderzoek Waterstof over familiekapitaal verklaarden en met die van [broer verdachte]. Het hof acht de verklaring van de verdachte met het oog op het vorenoverwogene onvoldoende concreet, mede daardoor niet verifieerbaar en overigens op voorhand hoogst onwaarschijnlijk, zodat naderonderzoek daarnaar van de kant van het Openbaar Ministerie is niet aan de orde is. Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, alsmede het ontbreken van een tot nader onderzoek nopende, concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van de grote, contant gestorte geldbedragen op de Belgische, op naam van de overleden vader van de verdachte staande bankrekening, waarop de verdachte is gemachtigd, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de op die rekening terechtgekomen gelden –door vermenging- onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte daarvan wetenschap droeg. 3.2.5 Onderzoekwensen betreffende familiekapitaal Ter terechtzitting van 29 januari 2019 is het verzoek (andermaal) gedaan/herhaald om de getuigen [betrokkene H], [medeverdachte C], [betrokkene AI], [betrokkene A5], [betrokkene A6] en [zus verdachte], deze laatste in de plaats van de eerder opgegeven, maar inmiddels overleden getuige [betrokkene P], te horen. Voorts verzoekt de verdediging – kort gezegd - om de bankstukken van de Surinaamse, Belgische, Luxemburgse en Nederlandse rekeningen op naam van [vader verdachte], [moeder verdachten], [betrokkene P], [betrokkene Q], [medeverdachte B], [medeverdachte A], [medeverdachte C], [medeverdachte B], [betrokkene G] en [betrokkene J] alsmede het horen van de bij appelschriftuur opgegeven bankmedewerkers, te weten de accountmanagers. Al deze verzoeken zijn gedaan om het standpunt van de verdediging dat er sprake zou zijn van een onverdeelde omvangrijke nalatenschap van [vader verdachte] en [moeder verdachten]) te kunnen onderbouwen om daarmee een legale bron van het vermogen van de verdachte (en/of zijn familie) aannemelijk te kunnen maken. Daarbij is volgens de verdediging naar aanleiding van de verklaringen van de reeds in hoger beroep gehoorde getuigen en het gevoegde taxatierapport (dat hierboven reeds is besproken) sprake van nieuwe ontwikkelingen die bevestigen dat sprake is van een vermogend familiekapitaal. Het hof wijst deze verzoeken af. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen acht het nader onderzoek van de kant van het Openbaar Ministerie naar het bestaan van familiekapitaal of een onverdeelde boedel van wijlen [vader verdachte] niet aan de orde bij gebrek aan concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke informatie op dat punt. Overigens valt ook niet in te zien waarom het op de weg van het Openbaar Ministerie zou liggen om onderzoek te doen naar vermogensbestanddelen die liggen in de persoonlijke of familiesfeer van de verdachte, welke vermogensbestanddelen om die reden nu juist veel gemakkelijker door de verdachte dan door het Openbaar Ministerie kunnen worden blootgelegd. Ook overigens zijn de door de verdediging bedoelde bankstukken of verklaringen van bankmedewerkers niet noodzakelijk met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Niet valt immers in te zien wat uit deze bankstukken of getuigenverklaringen méér kan blijken over de herkomst van de op de desbetreffende bankrekeningen staande saldi of daarop gestorte gelden dan wat de verdachte en zijn echtgenote zelf, als degenen aan wie deze rekeningen feitelijk toebehoren, daarover kunnen verklaren. 3.2.6 Buitenlandse bankrekeningen op de tenlastelegging Luxemburgse bankrekeningen op naam van [moeder verdachten] [moeder verdachten] is de moeder van de verdachte. Zij is op 27 februari 1991 overleden. Op deze rekeningen stond ten tijde van de inbeslagname in totaal een bedrag van € 81.416,66 en een aantal effecten met een waarde van € 803.928,-. Op grond van het dossier stelt het hof – met de rechtbank - verder het volgende vast: - deze rekeningen zijn na het overlijden van de moeder van de verdachte in 2005 geopend als subrekening van de hoofdrekeningen [bankrekening 11] en [bankrekening 8]. - de echtgenote van de verdachte is op deze rekeningen gemachtigd. - meerdere stukken met betrekking tot deze rekeningen werden aangetroffen in de woning van de verdachte. - rekening [bankrekening 11] is op 12 juni 1987 in Luxemburg geopend door de verdachte, waarna de rekening op 7 juli 1987 op naam van zijn moeder is gezet. De rekening [nummer] is op 12 juni 1987 direct op naam van zijn moeder geopend. - in 1988 staat op de [bankrekening 11] rekening een saldo van $ 357.644,54 en op rekening [bankrekening 8] een saldo van 691.570,84 (onbekend welke valuta) en in 1994 een saldo van respectievelijk 1.185.064,65 (onbekend welke valuta) en 1.046700,62 (onbekend welke valuta). - bij een wisseltransactie in 1995 waarbij een bedrag van 15 miljoen guldens werd omgezet in dollars werd een verlies geleden van $ 724.238,45. De verdachte belt en correspondeert met de bank over deze transactie. 3.2.7 Luxemburgse bankrekeningen op naam van [vader verdachte] Deze rekening is door de verdachte – na het overlijden van zijn vader – op 20 mei 2001 op naam van zijn vader geopend met een notariële volmacht die zijn vader hem heeft verstrekt op 12 augustus 1987. Ten tijde van het beslag staat op die rekening een bedrag van € 43.686,81. 3.2.8 Luxemburgse bankrekening op naam van [medeverdachte A] Deze rekening is op 21 september 1988 geopend in Düsseldorf en overgezet naar Luxemburg op 26 september 2000. De verdachte is vanaf de opening daarvan gemachtigd op deze rekening. Bij de opening is de opdracht gegeven “post bitte sammeln”. Volgens de korte omschrijving in het dossier van de bank gaat het om familiekapitaal dat door de verdachte wordt beheerd en wordt gegenereerd door handel in hout en goud in Suriname, terwijl familie daarnaast veel onroerend goed in België en Nederland heeft. Het hof stelt vast dat voor handel in hout en goud in Suriname geen aanwijzing in het dossier te vinden is. 3.2.9 Belgische bankrekeningen op naam van [vader verdachte], [betrokkene P] en [betrokkene Q] De saldi van deze bankrekeningen zijn ook afkomstig van de hiervoor besproken bankrekening [nummer]. Dit volgt uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, inhoudende dat alle gelden die door zijn vader, zijn broer en door hem op de rekening van de Generale Bank (tegenwoordig BNP Paribas) zijn gestort van de ene naar de andere rekening zijn gegaan en er aandelen en termijndeposito’s mee zijn gekocht. Ook hier heeft te gelden dat, gezien voormelde omstandigheden, van de verdachte kan worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het tegoed op deze rekeningen. De verdachte heeft ook ten aanzien van deze rekeningen verklaard dat de gelden op deze rekeningen behoren tot de onverdeelde nalatenschap van zijn overleden ouders. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor hieromtrent is overwogen. Ook ten aanzien van deze rekeningen is het hof van oordeel dat het niet anders kan dat dat deze tegoeden afkomstig zijn van enig misdrijf. De hiervoor vermelde omstandigheden tezamen met de ongeloofwaardige verklaring van de verdachte leiden tot de conclusie dat de verdachte dit moet hebben geweten. 3.3 De panden 3.3.1 [pand B] Den Haag Het hof is met de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat ten aanzien van dit pand sprake is van witwassen en neemt daarbij de overwegingen uit het vonnis over en zal deze waar nodig aanvullen en aanpassen. Dit pand is op 20 november 2007 op naam van [medeverdachte B] (al dan niet gewezen echtgenote van de broer van de verdachte) gekocht voor € 70.000,-. Volgens [medeverdachte B] is dit een pand van de verdachte en weet zij niets van de aankoop. Uit het dossier blijkt voorts dat de koopsom is betaald via de rekening [bankrekening 22] ten name van [betrokkene AF] (€ 53.000,-), op welke rekening de verdachte gemachtigd was, alsmede via rekening [bankrekening 25] ten name van de echtgenote van de verdachte (€ 15.097,84). De verdachte heeft ook zelf verklaard dat het pand niet van [medeverdachte B] is, maar deel uitmaakt van de onverdeelde boedel van zijn ouders en via voormelde rekeningen is betaald. Daarnaast blijkt uit het dossier dat voormelde rekening van zijn echtgenote voorafgaand aan deze overboeking is gevoed met de opbrengst van de verkoop van het pand [pand AB] te Den Haag. Zoals hiervoor is overwogen, is bij deze verkoop sprake geweest van hypotheekfraude die door de verdachte in nauwe samenwerking met anderen is gepleegd. Dat betekent dat het geld dat werd betaald bij de verkoop van het pand aan de [pand AB] van misdrijf afkomstig was. De verdachte wist dit, want hij was naar eigen zeggen degene die bepaalde op welke rekening de opbrengsten van een verkoop gestort moesten worden en vanaf welke rekening voor een aankoop betaald moest worden. Nu de koopsom voor de [pand C] voor meer dan 1/5 deel hiermee is betaald, is ten aanzien van dit pand mede als gevolg van vermenging sprake van witwassen van geld met een criminele herkomst. De verdachte wist dat. 3.3.2 [pand C] Barendrecht Ook dit pand is aangekocht door [medeverdachte B], en wel op 3 maart 2006. De koopprijs is aan de notaris betaald vanaf de bij (thans) BNP Paribas te Antwerpen aangehouden bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 21]. Deze staat op naam van de vader van de verdachte die, zoals hiervoor al is vastgesteld, op dat moment reeds lang overleden was. De verdachte heeft als gemachtigde opdracht gegeven tot deze overboeking. De verdachte heeft ten behoeve van de aankoop van dit pand een bedrag van € 51.545,19 contant gestort op een Nederlandse bankrekening op naam van [medeverdachte B] en vervolgens overgemaakt aan de notaris. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de buitenlandse rekening op naam van de vader van de verdachte. Hieruit volgt dat dit pand is aangeschaft met geld met een criminele herkomst en dat de verdachte dit moet hebben geweten. Nu uit dit saldo het overgrote deel van de aankoop van dit pand is voldaan, kan dit pand worden beschouwd als “deels” uit misdrijf afkomstig. Uit het dossier blijkt niet van enig materieel belang van [medeverdachte B] bij de aankoop van dit pand – zij heeft verklaard er zelf geen weet van te hebben – hetgeen past bij de verklaring van de verdachte dat hij panden op naam van anderen zet om uit handen van de Belastingdienst en de FIOD te blijven. Onder deze omstandigheden is het hof overeenkomstig de rechtbank van oordeel dat de verdachte het pand heeft verworven. Hij heeft immers – via zijn echtgenote die gemachtigde van [medeverdachte B] was – de feitelijke zeggenschap over het pand verkregen. Illustratief in dit verband is dat het pand in 2008 te koop is gezet bij het makelaarskantoor van de zoon van de verdachte. Concluderend is het hof van oordeel dat het pand is aangeschaft met geld met een criminele herkomst wat de verdachte moet hebben geweten, zodat ook ten aanzien van dit pand sprake is van witwassen. 3.3.3 [pand D] Den Haag Dit pand is op 31 december 2007 aan [broer verdachte] (de broer van de verdachte) verkocht voor € 79.000,-. De behandelend notaris heeft telefonisch doorgegeven dat het aankoopbedrag voor dit pand in twee delen op zijn rekening is gestort. Een bedrag van € 47.792,- was afkomstig van bankrekening [nummer] ten name van [medeverdachte C] (de neef van de verdachte) en een bedrag van € 38.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.