GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.262.648/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/545572/ HA ZA 18-22 arrest van 7 juli 2020 (bij vervroeging) inzake Eneco Zakelijk B.V., gevestigd te Rotterdam, appellante, hierna te noemen: Eneco Zakelijk, advocaat: mr. K.J. Krzeminski te Rotterdam, tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag. 1De procedure in hoger beroep 1.1 Bij dagvaarding van 4 juni 2019 is Eneco Zakelijk in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2019, gewezen tussen Eneco Zakelijk als eiseres en de Staat als gedaagde (hierna te noemen: het vonnis). Bij memorie van grieven heeft Eneco Zakelijk zeven grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft de Staat de grieven bestreden. 1.2 Vervolgens hebben partijen de zaak op 28 mei 2020 via een videoverbinding laten bepleiten door hun advocaten, Eneco Zakelijk door haar advocaat en mr. M.M.J. Vink, advocaat te Rotterdam, en de Staat door haar advocaat en mr. S. Heeroma, advocaat te Den Haag, die daarbij gebruik hebben gemaakt van kort voor de zitting aan het hof en de wederpartij toegezonden pleitnotities. Ten slotte is een datum voor het wijzen van arrest bepaald. 2Feiten De Eneco vennootschappen 2.1 N.V. Eneco heeft een energiedistributiebedrijf geëxploiteerd dat zich toelegde op de levering, het transport en de aansluiting van elektriciteit en andere energieproducten ten behoeve van bedrijven en huishoudens. 2.2 N.V. Eneco en Shell hebben op 30 september 1999 een Joint Venture Agreement gesloten, die voorzag in de oprichting van Eneco Shell Energy Partnership V.O.F (hierna te noemen: ESE). ESE is opgericht bij een General Partnership Agreement tussen N.V. Eneco en Shell, en op 1 december 1999 ingeschreven in het handelsregister. Eneco Energy B.V. en Shell Energy Netherlands B.V. fungeerden als de beherend vennoten. ESE was een - relatief kortstondige - joint venture die N.V. Eneco en Shell zijn aangegaan voor de inkoop, handel en verkoop van elektriciteit op de (groot)zakelijke markt. 2.3 Op 30 november 1999 is een business unit van N.V. Eneco, Eneco Energiehandelsbedrijf, verzelfstandigd door middel van een juridische afsplitsing van N.V. Eneco, waarbij Eneco Energiehandelsbedrijf B.V. is opgericht. 2.4 N.V. Eneco en Shell hebben in 2001 besloten hun samenwerking in ESE te beëindigen. ESE is op 1 mei 2002 ontbonden. Alle rechten en verplichtingen van ESE zijn door Eneco Energy B.V. overgenomen. Eneco Energy B.V. is op 6 mei 2002 gefuseerd met Eneco Energiehandelsbedrijf B.V., waarbij de eerste de verdwijnende vennootschap en de tweede de verkrijgende vennootschap was. Daarmee zijn alle rechten en verplichtingen van Eneco Energy B.V. op Eneco Energiehandelsbedrijf B.V. overgegaan. Eneco Energiehandelsbedrijf B.V. heeft verschillende naamswijzigingen ondergaan en is uiteindelijk per 1 april 2014 Eneco Zakelijk gaan heten. Liberalisatie van de elektriciteitsmarkt; allocatie van importcapaciteit; Netcode 2.5 Tot 1 juli 1999 moest de N.V. Samenwerkende Elektriciteitsproductiebedrijven (hierna te noemen: SEP) op grond van de Elektriciteitswet 1989 zorgdragen voor het betrouwbaar en doelmatig functioneren van de landelijke, openbare elektriciteitsvoorziening. In de uitoefening van deze taak had SEP met een aantal buitenlandse leveranciers langjarige afnameovereenkomsten gesloten. 2.6 In de Elektriciteitswet 1998, die op 1 juli 1999 in werking is getreden, is Richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (Pb 1997, L27/20, hierna te noemen: de Richtlijn) geïmplementeerd. Het toezicht op het beheer van de elektriciteitsnetten en de netbeheerders is op grond van artikel 5 Elektriciteitswet 1998 opgedragen aan de Dienst Uitvoering en Toezicht Elektriciteitswet (hierna te noemen: DTe), een kamer van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), thans de Autoriteit Consument en Markt (ACM). 2.7 Op grond van de Elektriciteitswet 1998 heeft de directeur DTe bij besluit van 12 november 1999 een allocatiemechanisme voor transportcapaciteit voor import van elektriciteit vastgesteld (hierna te noemen: de Netcode). In de Netcode werd onderscheid gemaakt tussen drie categorieën elektriciteitstransporten, te weten transporten voortkomend uit importverplichtingen van SEP op grond van overeenkomsten als bedoeld in artikel 35 Elektriciteitswet 1989 (hierna te noemen: SEP-transporten), jaartransporten en spotmarkttransporten. Op grond van de Netcode werd bij de verdeling van de transportcapaciteit voor import van elektriciteit prioriteit gegeven aan SEP-transporten in verband met langlopende afnameverplichtingen van SEP (hierna ook te noemen: de SEP-prioritering). 2.8 De in de Netcode opgenomen procedureregels betekenden voor het jaar 2000 onder meer het volgende. Er kon in totaal 3500 MW importcapaciteit worden verdeeld. Daarvan moest 300 MW worden gereserveerd voor internationale hulp en bijstand. Op grond van de SEP-prioritering werd 1500 MW toegekend aan de SEP contracten. Aan de Amsterdam Power Exchange (APX) werd 900 MW toegekend voor de spotmarkt. Het restant van 800 MW werd als volgt verdeeld over aanvragen voor importcapaciteit ten behoeve van jaarcontracten. Per aanvrager werd de gemaximeerde waarde van de aanvragen bepaald. Daarvoor werden alle aanvragen voor importcapaciteit van dezelfde rechtspersoon bij elkaar opgeteld, en als dit meer was dan de beschikbare transportcapaciteit voor jaarcontracten van 800 MW, werd de gemaximeerde waarde gelijk gesteld aan 800 MW. Vervolgens werden de aanvragen naar evenredigheid van de ingediende aanvragen (op basis van de gemaximeerde waarden) toegewezen. 2.9 Na de inwerkingtreding van de Elektriciteitswet 1998 was TenneT, een dochtervennootschap van SEP, als beheerder van het landelijke hoogspanningsnet belast met de toewijzing van importcapaciteit. 2.10 In 1999 was er aanvankelijk voldoende capaciteit om alle aanvragen voor importcapaciteit in te willigen, maar in de loop van dat jaar nam de vraag naar importcapaciteit snel toe, onder meer als gevolg van het feit dat de prijs voor buitenlandse (Duitse) elektriciteit lager was dan de prijs op de Nederlandse markt. Daardoor ontstond in 2000 schaarste aan importcapaciteit. Aanvragen voor toewijzing van importcapaciteit 2.11 N.V. Eneco heeft in 1998 en 1999 contracten gesloten met twee Duitse ondernemingen, Vereinigte Elektrizitätswerke Westfalen AG (hierna te noemen: VEW) en RWE Energie AG (hierna te noemen: RWE), voor de levering van elektriciteit aan N.V. Eneco. 2.12 ESE heeft in 1999 een overeenkomst gesloten met een andere Duitse onderneming, EnBW Gesellschaft für Stromhandel mbH (hierna te noemen: EnBW), voor de levering van elektriciteit aan ESE. 2.13 Op 19 november 1999 heeft N.V. Eneco bij TenneT een aanvraag ingediend voor importcapaciteit in 2000 van 250 MW ten behoeve van het VEW-contract. TenneT heeft deze aanvraag op 24 november 1999 afgewezen. 2.14 Op 25 november 1999 hebben N.V. Eneco en ESE aanvragen bij TenneT ingediend voor importcapaciteit in 2000 gemaximeerd tot 800 MW per aanvraag ten behoeve van de contracten met RWE en EnBW. 2.15 Op 1 december 1999 heeft TenneT verklaard medewerking te zullen verlenen aan de import van elektriciteit ten behoeve van het contract van ESE met EnBW tot een capaciteit van 43 MW, onder verwijzing naar de Elektriciteitswet 1998 en de Netcode. Op de aanvraag van N.V. Eneco voor import ten behoeve van het contract met RWE is eveneens 43 MW toegewezen. Dat minder dan de gevraagde hoeveelheden aan importcapaciteit werd toegewezen had twee oorzaken: als gevolg van de SEP-prioritering was slechts beperkte capaciteit beschikbaar, en de vraag naar die capaciteit was veel groter dan het aanbod. Vernietiging en herroeping Netcode 2.16 Tegen het besluit van de directeur DTe tot vaststelling van de Netcode van 12 november 1999 stond bezwaar en beroep open. N.V. Eneco heeft naast andere belanghebbenden bezwaar gemaakt tegen de in hoofdstuk 5 van de Netcode opgenomen SEP-prioritering. Bij beslissing op bezwaar van 17 juli 2000 heeft de directeur DTe de bezwaren ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft N.V. Eneco naast andere belanghebbenden beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). In die procedure heeft het CBb prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van de Richtlijn aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bij arrest van 7 juni 2005 (zaak C-17/03, ECLI:EU:C:2005:362) heeft het Hof van Justitie op de gestelde vragen geantwoord dat de artikelen 7, lid 5, en 16 van de Richtlijn niet alleen doelen op technische voorschriften, maar aldus moeten worden uitgelegd dat zij gelden voor elke vorm van discriminatie, en dat deze artikelen zich verzetten tegen nationale maatregelen die een onderneming bij voorrang grensoverschrijdende transmissiecapaciteit voor elektriciteit verlenen, ongeacht of deze maatregelen afkomstig zijn van de netbeheerder, de toezichthouder op het netbeheer of de wetgever, wanneer voor dergelijke maatregelen geen toestemming is verleend in het kader van de procedure van artikel 24 van de Richtlijn. 2.17 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie heeft TenneT besloten per 1 september 2005 geen uitvoering meer te geven aan de in hoofdstuk 5.6. van de Netcode opgenomen SEP-prioritering. 2.18 Het CBb heeft bij uitspraak van 24 mei 2006 (ECLI:NL:CBB:2006:AX3481) de beslissing op bezwaar van de directeur DTe van 17 juli 2000 vernietigd, voor zover daarbij de SEP-prioritering was gehandhaafd, en heeft verder bepaald dat de raad van bestuur van de NMa (voorheen de directeur DTe) een nieuwe beslissing op de bezwaren diende te nemen. 2.19 De raad van bestuur van de NMa heeft de bezwaren tegen de SEP-prioritering bij besluit van 14 juni 2007 alsnog gegrond verklaard en de Netcode zodanig gewijzigd vastgesteld dat de SEP-prioritering is komen te vervallen. Bij besluit van 16 augustus 2007 heeft de raad van bestuur van de NMa het besluit van 14 juni 2007 aldus gewijzigd, dat daaraan is toegevoegd dat het besluit van de directeur DTe van 12 november 1999 tot vaststelling van de Netcode werd herroepen. Civiele procedure N.V. Eneco ter verkrijging van schadevergoeding geleden als gevolg van de onrechtmatige SEP-prioritering 2.20 N.V. Eneco heeft vervolgens (onder de naam Eneco Beheer) in drie instanties tegen de Staat geprocedeerd bij de burgerlijke rechter ter verkrijging van schadevergoeding voor schade geleden als gevolg van de onrechtmatige SEP-prioritering. In de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank Den Haag heeft N.V. Eneco uitsluitend vergoeding van de schade gevorderd die verband hield met het contract tussen N.V. Eneco en VEW. Tegen het vonnis van de rechtbank van 24 juni 2009 (ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2507) heeft N.V. Eneco hoger beroep ingesteld. In hoger beroep heeft N.V. Eneco ook vergoeding van de schade gevorderd die verband hield met het contract tussen N.V. Eneco en RWE en het contract tussen ESE en EnBW. Uiteindelijk heeft N.V. Eneco de schade geleden in verband met het contract tussen ESE en EnBW buiten de procedure gelaten en haar eis in hoger beroep dienovereenkomstig verminderd. Tegen het tussenarrest van het hof Den Haag van 1 februari 2011 (ECLI:NL:GHDHA:2011:BP3088) en het eindarrest van het hof van 5 november 2013 heeft N.V. Eneco beroep in cassatie ingesteld. Dit heeft geresulteerd in een arrest van de Hoge Raad van 17 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1070). In dat arrest was de aansprakelijkheid van de Staat wegens de onrechtmatige SEP-prioritering niet langer in geschil en ging het nog uitsluitend om de hoogte van de schade van N.V. Eneco. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen het tussenarrest van het hof Den Haag verworpen en het eindarrest voor wat betreft de berekening van de hoogte van de schade vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. N.V. Eneco en de Staat hebben de kwestie vervolgens geschikt. Stuitingsbrieven 2.21 Bij brief van 31 augustus 2004 heeft N.V. Eneco de Staat aansprakelijk gehouden voor - kort gezegd - schade die N.V. Eneco heeft geleden als gevolg van de SEP-prioritering. N.V. Eneco schreef in deze brief onder meer dat zij ter voorkoming van verjaring haar rechten jegens de Staat ter zake van de vermelde vordering voorbehield, onder verwijzing naar artikel 3:317, eerste lid BW. 2.22 Bij brief van 6 december 2005 heeft een advocaat namens vier Eneco vennootschappen - waaronder “ENECO Energiehandelsbedrijf gevestigd te Rotterdam”, maar niet N.V. Eneco - aan de Staat (meer specifiek: de NMa) onder meer geschreven: "Blijkens de voormelde uitspraak van het Hof van Justitie [bedoeld wordt het eerder genoemde arrest van het Hof van Justitie van 7 juni 2005, toevoeging hof] zijn de bepalingen van de zogenaamde Netcode op grond waarvan invoercapaciteit bij voorrang is gereserveerd voor een viertal lopende, (SEP-) contracten in strijd met het gemeenschapsrecht. De hiervoor bedoelde prioritering is dientengevolge onrechtmatig. Mijn cliënten hebben als gevolg daarvan schade geleden. Zij houden de Nederlandse Mededingingsautoriteit voor die schade uitdrukkelijk aansprakelijk. Cliënten behouden zich het recht voor de Nederlandse Mededingingsautoriteit terzake in rechte te betrekken. Voor zover nodig dient deze aanzegging te worden opgevat als een stuiting in de zin van artikel 3: 317 lid 1 BW." 2.23 Bij brief van 21 augustus 2009 heeft dezelfde advocaat aan de Staat het volgende bericht: “Aan deze brieven zijn gehecht drie stuitingsbrieven van respectievelijk 31 augustus 2004 en 6 december 2005. Namens de rechtspersonen voor wie ik de brieven van 6 december 2005 heb geschreven (hierna gezamenlijk "Eneco" te noemen), behoud ik mij hierbij namens hen - onder verwijzing naar de inhoud van genoemde brieven - opnieuw alle rechten voor. Ik voeg daar nog het volgende aan toe. Blijkens de uitspraak van het Hof van Justitie van 7 juni 2005 en de beslissing van het CBB van 24 mei 2006 zijn de bepalingen van de zogenaamde Netcode op grond waarvan invoercapaciteit bij voorrang is gereserveerd voor een viertal lopende, (SEP-) contracten in strijd met het gemeenschapsrecht. De hiervoor bedoelde prioritering is dientengevolge onrechtmatig. Dat is ook jegens Eneco het geval. Inmiddels heeft de rechtbank in Den Haag dat ook uitgemaakt in haar vonnis van 24 juni 2009, ook al heeft zij bij dat vonnis - naar het oordeel van Eneco: ten onrechte - geen veroordeling uitgesproken. Eneco houdt de geadresseerden onverkort aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Deze brief behelst een stuiting als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW.” 2.24 Bij brief van 12 februari 2014 heeft deze advocaat aan de Staat laten weten dat N.V. Eneco Beheer heeft besloten beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van het hof Den Haag van 5 november 2013. Verder heeft hij voor zover hier van belang het volgende geschreven: “Er zijn meer partijen die behoren tot de groep van de rechtspersonen waartoe ook N.V. Eneco Beheer behoort, die ten gevolge van de onrechtmatige voorkeursbehandeling van Sep schade hebben geleden. Namens die partijen zijn eerder stuitingsbrieven gestuurd. Ik voeg de desbetreffende stuitingsbrieven, gedateerd 31 augustus 2004, 6 december 2005 en 21 augustus 2009 hierbij. Namens de rechtspersonen voor wie ik de brieven van 6 december 2005 en 21 augustus 2009 heb geschreven, behoud ik mij - onder verwijzing naar de inhoud van de voornoemde brieven - opnieuw alle rechten voor. Dat doe ik ook namens N.V. Eneco Beheer voor het geval zij als rechtsopvolger van een of meer van de hiervoor bedoelde rechtspersonen moet worden aangemerkt. De desbetreffende cliënten achten het op dit moment niet opportuun voor deze schade op te komen. Zij wensen de uitspraak van de Hoge Raad af te wachten (en behouden zich ook het recht voor eerder rechtsmaatregelen te treffen wanneer zij dat opportuun achten). Deze brief beoogt de verjaring van de desbetreffende rechtsvorderingen te stuiten en dient dan ook beschouwd worden als een hernieuwde stuiting in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW.” 3Procedure in eerste aanleg 3.1 Op 8 december 2017 heeft Eneco Zakelijk de Staat gedagvaard voor de rechtbank. Eneco Zakelijk heeft daarbij gevorderd: primair: de Staat te veroordelen tot betaling aan Eneco Zakelijk van € 9.459.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente; subsidiair: de Staat te veroordelen tot betaling aan Eneco Zakelijk van € 7.428.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente; primair en subsidiair: de Staat te veroordelen in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2 Eneco Zakelijk heeft aan deze vordering het volgende ten grondslag gelegd. De Staat heeft onrechtmatig gehandeld door de SEP-prioritering op te nemen in de Netcode en te hanteren bij de toewijzing van importcapaciteit voor het jaar 2000. Als gevolg van de SEP-prioritering heeft ESE voor het jaar 2000 minder importcapaciteit toegewezen gekregen dan waar zij recht op had. De capaciteit die ESE ten onrechte niet heeft gekregen, heeft zij elders duurder moeten inkopen. De aldus door ESE geleden schade is in het vermogen van Eneco Energiehandelsbedrijf B.V. terecht gekomen omdat deze vennootschap op grond van overeenkomsten met ESE de resulterende lagere marges van ESE heeft gecompenseerd, dan wel omdat de rechten en verplichtingen van ESE op Eneco Energy B.V. zijn overgegaan en Eneco Energy B.V. daarop is gefuseerd met Eneco Energiehandelsbedrijf B.V. Eneco Zakelijk is de rechtsopvolger van Eneco Energiehandelsbedrijf B.V., zodat de schade uiteindelijk in het vermogen van Eneco Zakelijk terecht is gekomen. 3.3 De Staat heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Eneco Zakelijk in de proceskosten. Daarbij heeft de Staat zich beperkt tot een beroep op verjaring van de vordering van Eneco Zakelijk, nadat de rechtbank had beslist dat de Staat in de conclusie van antwoord nog niet gemotiveerd in hoefde te gaan op de hoogte van de schade. 3.4 In het vonnis heeft de rechtbank de vordering van Eneco Zakelijk afgewezen en Eneco Zakelijk veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft het beroep van de Staat op verjaring van de vordering van Eneco Zakelijk gehonoreerd. De rechtbank heeft de Staat niet gevolgd in zijn standpunt dat de verjaringstermijn al op 1 december 1999 is aangevangen, toen TenneT aan ESE berichtte dat met betrekking tot het EnBW-contract een importcapaciteit van 43 MW zou worden toegekend, in plaats van de aangevraagde 800 MW. Naar het oordeel van de rechtbank had Eneco Zakelijk zich niet eerder tot de burgerlijke rechter kunnen wenden dan nadat de bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedures bij de DTe en het CBb waren afgerond. De rechtbank heeft vier andere mogelijke aanvangstijdstippen van de verjaringstermijn genoemd (vgl. rovv. 4.8. en 4.24): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.