GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.262.280/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/551065 / HA ZA 18-392 arrest van 14 juli 2020 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [de intermediair] , advocaat: mr. J. Blakborn te Amsterdam, tegen Wasserman Netherlands Management B.V., gevestigd te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: Wasserman, advocaat: mr. H.J.A. Knijff te Amsterdam. Het geding Het verloop van het geding blijkt uit de volgende stukken: - het exploot van 2 juli 2019 waarmee [de intermediair] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van 3 april 2019 van de rechtbank Den Haag tussen partijen; - de memorie van grieven (met producties); - de memorie van antwoord (met producties); - het proces-verbaal van de pleidooizitting van 9 juni 2020; - de pleitnota van mr. J. Blakborn; - de pleitnotities van mr. H.J.A. Knijff. Na de pleidooien hebben partijen het hof gevraagd om arrest te wijzen. Het hof heeft de datum voor het arrest bepaald op heden. Beoordeling van het hoger beroep 1. Het gaat in deze zaak over de vraag of Wasserman onrechtmatig jegens [de intermediair] heeft gehandeld door een voetbalspeler ertoe te bewegen zich niet langer door [de intermediair] te laten vertegenwoordigen. Daarbij gaat het onder meer over de vraag wat tussen partijen de betekenis is van het arbitrale vonnis dat eerder is gewezen tussen [de intermediair] als verzoeker en de voetbalspeler, [de collega-intermediair] en de voetbalclub Feyenoord als verweerders. Enige feiten 2. De rechtbank heeft in het vonnis van 3 april 2019 (2.1 tot en met 2.15) feiten vastgesteld. Partijen hebben in hoger beroep over die vaststelling niet geklaagd. Daarom zal het hof ook uitgaan van die feiten. Verder gaat het hof uit van enige andere feiten waarover tussen partijen geen discussie bestaat. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende: 2.1. [de intermediair] is intermediair in het betaald voetbal. Hij staat als intermediair geregistreerd bij de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (hierna: “KNVB”). Vanaf 2012 is [de intermediair] een paar jaar de intermediair geweest van [de voetballer] (hierna: “ [de voetballer] ”). 2.2. Ook [de collega-intermediair] (hierna: “ [de collega-intermediair] ”) is intermediair in het betaald voetbal. Ook hij staat als intermediair geregistreerd bij de KNVB. [de collega-intermediair] werkt voor rekening en risico van Wasserman en is ook statutair bestuurder van Wasserman. In het handelsregister staan de activiteiten van Wasserman als volgt omschreven: “Adviseren en bemiddelen bij het tot stand komen en verlengen van overeenkomsten tussen sportbeoefenaars enerzijds en derden anderzijds, met name die overeenkomsten, waaruit voor de sportbeoefenaars financieel voordeel voortvloeit, zoals terzake van transfer, sponsoring en reclame”. Wasserman is vanaf 1 april 2018 als intermediair geregistreerd bij de KNVB. 2.3. [de intermediair] en [de voetballer] hebben op 3 september 2015 een vertegenwoordigingsovereenkomst gesloten (hierna ook: “de eerste vertegenwoordigingsovereenkomst”). De tekst hiervan komt overeen met de standaardovereenkomst als bedoeld in artikel 6 van het KNVB Reglement Intermediairs. Deze overeenkomst is geregistreerd bij de KNVB. De inhoud daarvan luidt onder meer: “Artikel 1 1. Partijen zijn overeengekomen dat de Intermediair [ [de intermediair] , hof] de Speler [ [de voetballer] , hof] gedurende de duur van deze overeenkomst zal vertegenwoordigen bij onderhandelingen betreffende de totstandkoming van spelerscontracten en/of overeenkomsten betreffende de overschrijving van de Speler. 2. Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 2 jaar en gaat in op 3 september 2015 en eindigt van rechtswege (zonder dat opzegging is vereist) op 3 september 2017. (...) Artikel 8 Alle geschillen die naar aanleiding van en/of in verband met deze overeenkomst tussen partijen mochten ontstaan, zowel juridische en/of feitelijke, zullen met uitsluiting van de burgerlijke rechter, ter beslissing worden onderworpen aan arbitrage, zoals voorgeschreven in het Arbitragereglement van de KNVB.” 2.4. Op 19 november 2015 hebben Feyenoord Rotterdam N.V. (hierna: “Feyenoord”) en [de voetballer] een (nieuwe) arbeidsovereenkomst gesloten. [de intermediair] heeft voor [de voetballer] bemiddeld bij het sluiten van deze arbeidsovereenkomst. 2.5. Op 19 november 2015 heeft Feyenoord ook een overeenkomst gesloten met [de intermediair] zelf (“voor en namens” zijn eenmanszaak “Football Consult”). Deze overeenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen: “Artikel 1 Verplichting Feyenoord 1.1. Feyenoord verplicht zich om, ingeval van een tussentijdse beëindiging met wederzijds goedvinden van de Arbeidsovereenkomst tussen Feyenoord en de Speler [ [de voetballer] , hof] ten behoeve van een transfer naar een andere betaald voetbal organisatie (…), Football Consult in te schakelen als intermediair, teneinde de transfer van de Speler te bewerkstelligen. (…) Ter voorkoming van misverstanden: indien de Arbeidsovereenkomst wordt verlengd en/of vernieuwd zonder dat Football Consult daarbij betrokken is, geldt de hiervoor bedoelde verplichting van Feyenoord en de hieronder in artikel 2 opgenomen vergoedingsplicht niet. (…) Artikel 2 Vergoeding 2.1 Overeenkomstig het bepaalde in KNVB Uitvoeringsbesluit Reglement Intermediairs artikel 8 lid 3 en FIFA Regulations on Working with Intermediaries artikel 7 lid 3 sub c, dient Feyenoord, voor de door de Football Consult verrichte diensten betreffende de totstandkoming van de transfer van de Speler naar een andere betaald voetbalorganisatie (…), aan Football Consult een lumpsum vergoeding (…) te voldoen overeenkomstig de onderstaande staffel: [staffel, hof]” 2.6. [de voetballer] heeft [de intermediair] op 24 augustus 2016 een brief gestuurd en daarin de “standaard vertegenwoordigingsovereenkomst” (de eerste vertegenwoordigingsovereenkomst) met [de intermediair] per direct opgezegd. 2.7. De advocaat van [de intermediair] heeft [de voetballer] op 1 september 2016 geschreven dat [de intermediair] de opzegging niet accepteert. In deze brief staat ook dat er tussen [de voetballer] en [de intermediair] nóg een overeenkomst is getekend (hierna: “de tweede vertegenwoordigingsovereenkomst”) en dat deze overeenkomst ook onverkort van kracht blijft. 2.8. De advocaat van [de intermediair] heeft Wasserman op 1 september 2016 het volgende geschreven: “Geachte heer [de collega-intermediair] , (…) Inmiddels heeft cliënt (…) de bevestiging ontvangen dat u zich uitgeeft als de nieuwe intermediair van [de voetballer] . Nu cliënt (…) een tweetal doorlopende niet tussentijds opzegbare vertegenwoordigingsovereenkomsten met [de voetballer] heeft welke duren tot 3 september 2017, staat het u niet vrij om voor [de voetballer] op te treden, althans zich namens hem bij clubs als intermediair uit te geven. Ik sommeer u hierbij dan ook deze activiteiten met onmiddellijke ingang te staken en ontvang daarvan graag per ommegaande uw schriftelijke bevestiging . (...) Tevens stel ik hierbij namens cliënt aansprakelijk voor alle schade (…) ten gevolge van uw onrechtmatige gedragingen. (...)” 2.9. De advocaat van [de intermediair] heeft op 1 september 2016 ook Feyenoord geschreven over de vertegenwoordigingsovereenkomsten tussen [de intermediair] en [de voetballer] en meegedeeld dat hij ervan uitging dat Feyenoord die overeenkomsten zou respecteren. 2.10. Feyenoord en [de voetballer] hebben op 26 april 2017 een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. [de intermediair] is daarbij niet betrokken geweest. 2.11. Feyenoord en AS Monaco hebben op 2 juli 2017 een transferovereenkomst voor [de voetballer] gesloten. Op diezelfde dag hebben [de voetballer] en AS Monaco een arbeidsovereenkomst getekend. [de intermediair] is niet betrokken geweest bij deze overeenkomsten. 2.12. [de intermediair] heeft op 7 juli 2017 een arbitrageverzoek ingediend bij de KNVB. Het verzoekschrift noemde als verweerders: [de voetballer] , Feyenoord en “[de collega-intermediair] , handelende vanuit Wasserman Netherlands Management B.V. (...), in zijn hoedanigheid van KNVB geregistreerd intermediair”. [de intermediair] vroeg de arbitragecommissie onder meer om de volgende beslissingen: “I. Te verklaren als goede mannen naar billijkheid dat de vertegenwoordigingsovereenkomst 1 tussen partijen [de voetballer] en verzoeker niet is beëindigd, vernietigd en/of ontbonden en dat zij nog steeds onverkort, en volledig, derhalve tot 3 september 2017 van kracht is. II. Te verklaren als goede mannen naar billijkheid dat de vertegenwoordigingsovereenkomst 2 tussen partijen [de voetballer] en verzoeker niet is beëindigd, vernietigd en/of ontbonden en dat zij nog steeds onverkort, en volledig, derhalve tot 3 september 2017 van kracht is. (…) V. Te verklaren als goede mannen naar billijkheid dat [de collega-intermediair] een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW jegens verzoeker heeft gepleegd en uit dien hoofde schadeplichtig is jegens verzoeker. (...) VII. [de voetballer] , [de collega-intermediair] en Feyenoord per 3 juli 2017 hoofdelijk (…) te veroordelen tot betaling van een schadebedrag van EUR 1.500.000,- te vermeerderen met BTW, uit hoofde van de door verzoeker geleden schade op grond van de vervallen overeenkomst van 19 november 2015 (...) inzake het transferaandeel, althans hen te veroordelen tot dat bedrag dat blijkens de transferovereenkomst Feyenoord/AS Monaco (in combinatie met voormelde overeenkomst) exact aan verzoeker verschuldigd zou zijn (...); VIII. [de voetballer] , [de collega-intermediair] en Feyenoord per 3 juli 2017 hoofdelijk (...) te veroordelen tot betaling van een schadebedrag van EUR 750.000,- te vermeerderen met BTW aan verzoeker, uit hoofde van de door verzoeker geleden schade op grond van de arbeidsovereenkomst van 19 november 2015 (...) inzake het transferaandeel van de speler waarop verzoeker op basis van artikel 4.2 van de overeenkomst (...) aanspraak heeft (...); (...) X. [de voetballer] en [de collega-intermediair] hoofdelijk te veroordelen (...) uit hoofde van de door verzoeker geleden schade op grond van de misgelopen commissie inzake de gemiste bemiddeling over de arbeidsovereenkomst met Monaco, tot betaling van een schadebedrag gelijk aan de commissie waarop door [de collega-intermediair] (en/of Wasserman namens hem) jegens AS Monaco aanspraak kan worden gemaakt, voorshands begroot op EUR 1.500.000,- (...); (…)” 2.13. De arbitragecommissie van de KNVB heeft op 7 maart 2018 een arbitraal vonnis gewezen tussen [de intermediair] (als verzoeker) en [de voetballer] , Feyenoord en “[de collega-intermediair] , handelende voor rekening en risico van Wasserman Netherlands Management B.V.” (als verweerders). De arbitragecommissie heeft in het arbitraal vonnis geoordeeld dat [de voetballer] bevoegd was de eerste vertegenwoordigingsovereenkomst op te zeggen: “54. [de voetballer] heeft deze overeenkomst tussentijds opgezegd bij brief van 24 augustus 2016. Naar het oordeel van de Arbitragecommissie is dat een rechtsgeldige opzegging. Het recht van (tussentijdse) opzegging ontleende [de voetballer] aan artikel 7:408 van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat de opdrachtgever ( [de voetballer] ) de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen. Het recht van (tussentijdse) opzegging had contractueel kunnen worden uitgesloten, maar dat hebben [de intermediair] en [de voetballer] niet gedaan. Voor zover de vorderingen van [de intermediair] gebaseerd zijn of mede gebaseerd zijn op de eerste vertegenwoordigingsovereenkomst, worden die vorderingen, ook voor zover gericht tegen [de collega-intermediair] en Feyenoord, afgewezen (...)” [onderstreping toegevoegd; hof]. Verder heeft de arbitragecommissie geoordeeld dat [de intermediair] geen beroep kan doen op de tweede vertegenwoordigingsovereenkomst: “62. Alles overwegende, kan de Arbitragecommissie in de gegeven omstandigheden niet anders dan concluderen dat [de intermediair] zich niet kan beroepen op de inhoud van de tweede vertegenwoordigingsovereenkomst, ook als zou komen vast te staan dat [de voetballer] met deze tweede vertegenwoordigingsovereenkomst, anders dan hij stelt, heeft ingestemd. Dit alles leidt ertoe dat ook voor zover [de intermediair] zijn vorderingen baseert op de tweede vertegenwoordigingsovereenkomst die vorderingen dienen te worden afgewezen, met veroordeling van [de intermediair] in de kosten van de procedure.” Ten slotte heeft de arbitragecommissie beslist dat (net als de vorderingen tegen [de voetballer] ) de vorderingen tegen [de collega-intermediair] en Feyenoord werden afgewezen: “54. (…) Voor zover de vorderingen van [de intermediair] gebaseerd zijn of mede gebaseerd zijn op de eerste vertegenwoordigingsovereenkomst, worden die vorderingen, ook voor zover gericht tegen [de collega-intermediair] en Feyenoord, afgewezen. (...) 63. Nu ook de vorderingen ingesteld tegen [de collega-intermediair] en Feyenoord worden ontleend aan de tweede vertegenwoordigingsovereenkomst worden ook de vorderingen tegen [de collega-intermediair] en Feyenoord afgewezen en zal ook hier [de intermediair] in de kosten worden veroordeeld. Daarbij zij opgemerkt dat zowel uit het spelerscontract tussen [de voetballer] en Feyenoord van 26 april 2017 als uit het spelerscontract tussen [de voetballer] en AS Monaco van 2 juli 2017 blijkt dat [de voetballer] zich bij de onderhandelingen over die contracten niet heeft laten bijstaan door een intermediair. Zelfs als zou komen vast te staan dat [de voetballer] , anders dan hij stelt, heeft ingestemd met de tweede vertegenwoordigingsovereenkomst, stond het hem vrij spelerscontracten te sluiten zonder daarbij [de intermediair] in te schakelen. Een andere opvatting verdraagt zich niet met het zelfbeschikkingsrecht van spelers. (...) 65. De vorderingen van [de intermediair] tegen [de collega-intermediair] zijn een afgeleide van de vorderingen van [de intermediair] tegen [de voetballer] en Feyenoord. Nu de vorderingen tegen [de voetballer] en Feyenoord stranden, dienen daarmee logischerwijs ook de vorderingen tegen [de collega-intermediair] te stranden.” 2.14. [de intermediair] vond dat niet op al zijn vorderingen was beslist. Daarom heeft hij de arbitragecommissie op 27 maart 2018 verzocht om een aanvullend vonnis. De arbitragecommissie heeft dit verzoek op 30 april 2018 afgewezen. 2.15. Tegen het arbitrale vonnis van 7 maart 2018 kan geen arbitraal rechtsmiddel, zoals hoger beroep, worden ingesteld. Daarom hebben de beslissingen van arbiters over de juridische verhoudingen tussen partijen ook in andere gedingen tussen dezelfde partijen bindende kracht (gezag van gewijsde). 2.16. [de intermediair] heeft bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een vordering ingesteld tot herroeping van het arbitrale vonnis, zoals geregeld in artikel 1068 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De procedure bij de rechtbank 3. In deze zaak tegen Wasserman heeft [de intermediair] , samengevat, het volgende gevorderd: I. een verklaring voor recht dat Wasserman een of meer onrechtmatige daden jegens hem heeft gepleegd; II. veroordeling van Wasserman tot betaling van de volgende bedragen aan schadevergoeding, te vermeerderen met BTW en wettelijke handelsrente: a. € 500.000,-, althans € 475.000,- (op grond van de vervallen overeenkomst van 19 november 2015 inzake het transferaandeel); b. € 500.000,-, althans € 475.000,- (op grond van de transferovereenkomst tussen AS Monaco en Feyenoord); c. € 500.000,-, althans € 475.000,- (op grond van de overeenkomst tussen Wasserman en Feyenoord); III. veroordeling van Wasserman tot betaling van € 1.500.000,- wegens de door [de intermediair] misgelopen commissie voor de gemiste bemiddeling over de arbeidsovereenkomst van [de voetballer] met Monaco, althans een bedrag dat gelijk is aan de commissie waarop door Wasserman jegens AS Monaco en/of [naam 1] aanspraak kan worden gemaakt (voorshands begroot op € 1.500.000,-), althans het bedrag dat blijkens de commissieovereenkomst/betalingsafspraken met AS Monaco en/of [naam 1] exact aan Wasserman verschuldigd zou zijn, te vermeerderen met wettelijke handelsrente; IV. veroordeling van Wasserman in de proceskosten. 4. [de intermediair] baseert deze vorderingen op de volgende stellingen en verwijten aan Wasserman. Wasserman heeft onrechtmatig gehandeld tegenover [de intermediair] . Wasserman heeft namelijk [de voetballer] bewogen om de vertegenwoordigingsovereenkomsten met [de intermediair] te overtreden. Dit heeft Wasserman gedaan door middel van onjuiste advisering, valse mededelingen en het vervaardigen en verzenden van de opzeggingsbrief. Wasserman heeft ook onrechtmatig gehandeld door bewust in strijd met de vertegenwoordigingsovereenkomsten te handelen met en namens [de voetballer] , met Feyenoord en met AS Monaco. Volgens [de intermediair] heeft Wasserman structureel inbreuk gemaakt op de vertegenwoordigingsovereenkomsten tussen [de intermediair] en [de voetballer] . De handelingen van Wasserman zijn in strijd met de wettelijke en reglementaire plichten van Wasserman, of met die van haar ondergeschikten [de collega-intermediair] en [voetballer 2]. In het bijzonder heeft Wasserman, of Wasserman/ [de collega-intermediair] , gehandeld in strijd met een groot aantal artikelen van de Intermediairsverklaring van de KNVB. De onrechtmatige handelingen zijn volledig aan Wasserman toe te rekenen. Wasserman, althans haar werknemers, bestuurders en/of ondergeschikten hebben namelijk willens en wetens gehandeld. Het enige doel daarbij was om [de voetballer] te kunnen bijstaan en daarvan financieel te profiteren ten koste van [de intermediair] . 5. De rechtbank heeft de vorderingen van [de intermediair] in het vonnis van 3 april 2019 afgewezen. [de intermediair] is veroordeeld om een vergoeding voor proceskosten aan Wasserman te betalen. De beslissing van de rechtbank draaide vooral om het arbitrale vonnis van 7 maart 2018. De belangrijkste overwegingen in het vonnis van 3 april 2019 van het hof hierna samen. - [de intermediair] heeft zijn arbitrageverzoek gericht tegen [de voetballer] , Feyenoord en [de collega-intermediair] , “handelende vanuit Wasserman Netherlands Management B. V. (...)”. [de intermediair] heeft expliciet verzocht zijn verwijten aan [de collega-intermediair] breder te toetsen dan alleen het handelen van [de collega-intermediair] zelf. Hij heeft erop gewezen dat [de collega-intermediair] ook verantwoordelijk is voor ondergeschikten in dienst van hem/Wasserman. Verder is [de intermediair] tegenover de arbitragecommissie uitgebreid ingegaan op het handelen van de ondergeschikten en collega’s van [de collega-intermediair] . Kortom: [de intermediair] heeft in de arbitrageprocedure het handelen van (medewerkers van) Wasserman ter toetsing aan de KNVB voorgelegd. (rechtsoverweging 4.4.) - De arbitragecommissie heeft aan het verzoek van [de intermediair] voldaan en ook het handelen van (dan wel namens) Wasserman beoordeeld. De arbitragecommissie heeft alle verwijten van [de intermediair] verworpen. Een redelijke uitleg van het arbitraal vonnis brengt dan met zich dat het oordeel van de arbitragecommissie ook tussen [de intermediair] en Wasserman geldt, en dat het arbitraal vonnis in zoverre ook tussen [de intermediair] en Wasserman gezag van gewijsde heeft. (rechtsoverweging 4.5.) - [de intermediair] heeft in deze procedure aan zijn vorderingen tegen Wasserman nagenoeg dezelfde verwijten ten grondslag gelegd als de verwijten in de arbitrage ter onderbouwing van zijn vorderingen tegen [de voetballer] , Feyenoord en [de collega-intermediair] . Uit het arbitrale vonnis blijkt dat als Wasserman partij in de arbitrageprocedure zou zijn geweest, de arbitragecommissie ook de verwijten aan het adres van Wasserman zou hebben verworpen. Ook daarom kan [de intermediair] zijn (door de arbiters verworpen) stellingen tegen [de collega-intermediair] niet – enkel en alleen omdat hij toevallig in zijn verhouding tot Wasserman niet aan arbitrage is gebonden – ook nog eens laten toetsen door de burgerlijke rechter, door zich te richten tegen Wasserman. (rechtsoverweging 4.6.) - Hier komt nog het volgende bij. Volgens de arbitragecommissie was [de voetballer] bevoegd de eerste vertegenwoordigingsovereenkomst op te zeggen en kan [de intermediair] geen rechten ontlenen aan de tweede vertegenwoordigingsovereenkomst. In deze procedure is niet komen vast te staan dat dit oordeel van de arbitragecommissie onjuist is. Wasserman heeft namelijk de stellingen van [de intermediair] hierover gemotiveerd betwist. Daarom gaat ook de rechtbank ervan uit dat [de voetballer] de vrijheid had om zijn relatie met [de intermediair] te beëindigen. Ook om die reden moeten de vorderingen van [de intermediair] tegen Wasserman worden afgewezen. Die vorderingen komen er namelijk in essentie op neer dat Wasserman heeft geprofiteerd dat [de voetballer] zijn contract(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.