GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.267.907/01 zaaknummer rechtbank : C/09/565363 rekestnummer rechtbank : FA RK 18-9405 beschikking van de meervoudige kamer van 15 juli 2020 inzake: [naam 4] , wonende te [woonplaats 1] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: [appellante] , advocaat: mr. F. van den Heuvel te Arnhem, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats 2] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: [verweerster 1] , advocaat: mr. M. van Olffen te Nootdorp. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 26 juli 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 [appellante] heeft op 18 oktober 2019 hoger beroep ingesteld van de bestreden beschikking welk hoger beroep is ingeschreven onder nummer 200.267.907/01. 2.2 Bij het hof voorts het volgende stuk ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van [verweerster 1] van 29 mei 2020 met bijlagen, ingekomen op 2 juni 2020. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 5 juni 2020 plaatsgevonden. De zaak heeft, met instemming van partijen, in verband met ziekte van een van de raadsheren, plaatsgevonden ten overstaan van twee raadsheren van de combinatie die over de zaak heeft beslist, te weten mr. A.N. Labohm en mr. B. Breederveld. Tijdens die mondelinge behandeling is tevens behandeld het hoger beroep dat [verweerster 1] op 18 oktober 2019 heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder de zaaknummers 200.268.154/01 en 200.268.156/01. Ter zitting zijn verschenen: - [verweerster 1] , bijgestaan door haar advocaat mr. M. van Olffen; - [appellante] , bijgestaan door haar advocaat mr. W. van der Meer-de Walcheren. 2.4 Na de mondelinge behandeling is bij het hof nog ingekomen een journaalbericht van de zijde van [appellante] van 9 juni 2020 alsmede op 15 juni 2020 een journaalbericht van de zijde van [verweerster 1] . Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven nog stukken na te zenden, slaat het hof daarop geen acht. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 [verweerster 1] en [appellante] zijn op 14 juli 2009 te [plaats] een geregistreerd partnerschap aangegaan. Het geregistreerde partnerschap is ontbonden op 3 december 2019. 3.3 Partijen zijn de ouders van de thans nog minderjarige kinderen: - [naam 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] (hierna: [minderjarige 1] ), - [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] (hierna: [minderjarige 2] ), (hierna gezamenlijk: de minderjarigen). 3.4 Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen. 3.5 Bij beschikking van 21 februari 2019 is door de rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening getroffen, waarbij – voor zover hier van belang – een zorgregeling is bepaald waarbij de kinderen in de oneven weken bij [verweerster 1] en in de even weken bij [appellante] verblijven – derhalve om de week, voor de duur van een week – met als wisselmoment de dinsdagochtend. Daarnaast is de door [appellante] aan [verweerster 1] te betalen kinderalimentatie op € 110,- per kind bepaald. 3.6 Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. 4De bestreden beschikking 4.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken. 4.2 Daarnaast is bepaald: - dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking; - dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij [verweerster 1] is en dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij [appellante] is; - dat met ingang van de dag dat de beschikking van ontbinding van het geregistreerd partnerschap zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, beide ouders de eigen kosten voor de minderjarigen dragen, waarbij [verweerster 1] de verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige 1] zal dragen en [appellante] de verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige 2] . Voorts heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de ontbonden goederengemeenschap van partijen gelast zoals in het dictum van de bestreden beschikking omschreven. 4.3. De beschikking is, met uitzondering van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd. De omvang van het geschil 4.4 [appellante] is het (gedeeltelijk) niet eens met de bestreden beschikking en verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking in die zin aan te passen dan wel aan te vullen door te bepalen dat [verweerster 1] aan [appellante] over de periode 21 februari 2019 tot en met september 2019 verschuldigd is een bedrag van € 9.139,76 te vermeerderen met de wettelijke rente als verzocht, althans een bedrag aan verblijfsoverstijgende kosten in goede justitie te bepalen en voorts [verweerster 1] te gebieden niet in de nabijheid van de minderjarigen te roken, niet binnenshuis voor de tijd dat de minderjarigen bij haar verblijven, zulks met een te verbeuren dwangsom van € 100,- voor elke keer dat [verweerster 1] dit verbod om te roken negeert. [appellante] verzoekt voorts [verweerster 1] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Wijziging van het verzoek ter zitting 4.5 Na de schorsing van de zaak ter terechtzitting heeft [appellante] , bij monde van haar advocaat, verzocht om haar verzoek alsnog te wijzigen. [verweerster 1] heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek tot wijziging. 4.6 Het hof is van oordeel dat het verzoek van [appellante] tot wijziging van haar verzoek op de terechtzitting, te weten: na de schorsing ter zitting, tardief is. Het indienen van een wijzigingsverzoek in dit stadium acht het hof in strijd met de goede procesorde, zodat het hof aan dit verzoek voorbij gaat. 5De motivering van de beslissing Verblijfsoverstijgende kosten 5.1 Op bladzijde 2 van het appelschrift voert [appellante] een tweetal gronden aan tegen de bestreden beschikking. 5.2 Het bezwaar van [appellante] tegen de bestreden beschikking is: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.