GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.261.299/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/548078 / HA ZA 18-184 arrest van 21 juli 2020 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. J.L. Oudshoorn te Rijswijk, tegen [maat 1], wonende te [woonplaats], [maat 2] , wonende te [woonplaats], [naam maatschap] advocaten, gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerden, hierna respectievelijk te noemen: [maat 1], [maat 2] en de maatschap en gezamenlijk [geïntimeerden], advocaat: mr. [naam advocaat] te [plaats]. Het geding Bij exploot van 30 april 2019 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team handel, tussen partijen gewezen vonnis van 30 januari 2019. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] de grieven bestreden. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. 2. Met inachtneming van hetgeen verder in hoger beroep is komen vast te staan gaat het in deze zaak om het volgende. 2.1 [appellant], geboren op [geboortedatum] 1956 in Afghanistan, was aldaar hoogleraar aan de universiteit van Kabul en had een zelfstandige praktijk als arts. Hij is na wat omzwervingen in 1997 als vluchteling naar Nederland gekomen. Hij volgde hier diverse opleidingen met als doel om ook in Nederland weer als chirurg aan het werk te kunnen. 2.2 Op 15 december 2000 is [appellant] betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarbij hij als fietser in botsing kwam met een auto waarvan de bestuurder destijds verzekerd was bij de rechtsvoorganger van Reaal Schadeverzekering N.V. (hierna: Reaal). [appellant] heeft hierbij een ernstige (hersen)kneuzing opgelopen, met ernstige en blijvende gevolgen. Werkzaamheden uitoefenen als chirurg in Nederland behoorde hierdoor niet meer tot de mogelijkheden. 2.3 Bij vonnis van 8 september 2004 heeft de rechtbank Den Haag voor recht verklaard dat de bestuurder van de auto en Reaal hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval. Tegen dit vonnis is door Reaal hoger beroep ingesteld. De appelprocedure is naar de parkeerrol verwezen vanwege het door partijen gestarte overleg over de omvang van de schade. 2.4 Een schikking werd niet bereikt. [appellant] heeft daarom in oktober 2009 [belangenbehartiger 1] B.V. (hierna: [belangenbehartiger 1]) ingeschakeld om zijn belangen te behartigen. Op 2 oktober 2009 hebben [appellant] en [belangenbehartiger 1] een schaderegelingsovereenkomst gesloten. [belangenbehartiger 1] heeft het dossier van [appellant] in behandeling genomen op basis van "no cure - no pay". Een honorarium van 15% inclusief btw zou verschuldigd zijn over de door [belangenbehartiger 1] te realiseren schadevergoeding. 2.5 Bij brief van 22 april 2010 heeft [belangenbehartiger 1] aan [appellant] meegedeeld dat Reaal bereid is een slotuitkering van € 800.000,-- te betalen, plus de kosten van rechtsbijstand, bovenop de reeds betaalde voorschotten. In totaal bracht dit de uitkering op ca € 900.000,--. Kort daarop heeft [appellant] de opdracht aan [belangenbehartiger 1] ingetrokken. Hierna maakte [belangenbehartiger 1] aanspraak op een honorarium van € 60.000,--, met aftrek van de door haar reeds ontvangen voorschotten. 2.6 Vervolgens heeft [appellant] [belangenbehartiger 2] van Pals Groep B.V. verzocht de behandeling van zijn zaak over te nemen. 2.7 Kort hierna heeft [appellant] de behandeling van zijn letselschadezaak overgedragen aan Juristenkantoor […] te Amsterdam (hierna: [belangenbehartiger 3]). Dit was formeel de handelsnaam van een eenmanszaak op naam van de echtgenote van de heer [belangenbehartiger 3], mevrouw [naam echtgenote]. In december 2010 heeft [appellant] ook de overeenkomst met [belangenbehartiger 3] beëindigd. [belangenbehartiger 3] maakte daarna aanspraak op een resterend honorarium van € 8.582,--. 2.8 Vervolgens hebben [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 3] [appellant] gedagvaard en betaling van hun (resterend) honorarium gevorderd. [appellant] is in eerste aanleg in beide zaken in het ongelijk gesteld, waarbij hij werd bijgestaan door mr. A. Namaki. Van deze vonnissen is [appellant] in hoger beroep gekomen, waarbij [maat 1] als advocaat van [appellant] is gaan optreden. 2.9 De maatschap heeft op enig moment een toevoeging aangevraagd en verkregen voor [appellant]. 2.10 Nadien is [maat 1] tevens als belangenbehartiger gaan optreden in de letselschadezaak van [appellant]. Ook hiervoor heeft de maatschap een toevoeging aangevraagd en verkregen. Een door partijen ondertekende opdrachtbevestiging is niet voorhanden. 2.11 Bij e-mail van 21 juni 2013 schreef [appellant] het volgende aan [maat 1]: "Nog een herinnering over onze laatste gespreken bij uw kantoor. Daar ging ook gesprek over uw zo geheten arbeid betaling. Ik weet niet over details maar ik heb het volgende voorstel gemaakt over de betaling aan u (tussen ons gezegd: "no cure no pay"). Na aftrek van alle etc. kosten tijdens het proces, afhankelijk van de hoogte van het bedrag wat uitgekeerd wordt wil ik u de volgende bedragen betalen: Bij een toekenning van 1.000.000 euro wil ik u graag 70.000 euro betalen. Bij een toekenning van 1.500.000 wil ik u graag 100.000 euro betalen. En bij een toekenning van 2.500.000 euro wil ik u graag 200.000 euro betalen." 2.12 Op 1 juli 2013 heeft Reaal op verzoek van [maat 1] een nader voorschot van € 70.000,-- ten behoeve van [appellant] betaald op de rekening van de aan de maatschap verbonden Stichting Derdengelden (hierna: de derdengeldrekening). Hiervan is een bedrag van € 5.000,- aan [appellant] overgemaakt en voorts zijn er betalingen gedaan aan [belangenbehartiger 1], [belangenbehartiger 3] en [maat 1]. 2.13 Bij brief van 29 juli 2013 schreef [maat 1] aan [appellant]: "Graag bevestig ik hierbij de afspraken die u mij in uw mailbericht van 21 juni 2013. Uw voorstel luidt als volgt: (...). Om voor de tussenliggende bedragen een goede berekening te maken, stel ik voor, dat de tekst als volgt wordt: 'Na aftrek van alle kosten etc. tijdens het proces, afhankelijk van de hoogte van het bedrag wat uitgekeerd wordt, betaalt [appellant] aan [naam maatschap] Advocaten: Bij een toekenning tot 1.500.000 euro 7% van het uitgekeerde bedrag; Bij een toekenning van meer dan 1.500.000 8% van het uitgekeerde bedrag.'" De brief is slechts voor akkoord ondertekend door [maat 1]. 2.14 Bij e-mail van 30 juli 2013 schreef [appellant] het volgende aan [maat 1]: "Om de inhoud van mijn voorstel in mijn emailbericht van 21 juni 2013 nog meer te duidelijken zal ik volgende details omschrijven: In mijn emailbericht staat: (volgt de tekst van het e-mailbericht van 21 juni 2013, hof) Allang heb ik het voorstel van Reaal verzekering 800000 euro exclusief alle doorbetaalde voorschot en andere bijdragen geweigerd. Als slotuitkering exclusief al betaalde bijdragen wordt minder dan 1.000.000 euro toegekend dan weiger ik deze. Mijn voorstel is als volgt: Ik betaal 70.000 euro als slotuitkering wordt toegekend vanaf 1.000.000 euro maar niet tot 1.000.000 euro exclusief voorschotbijdragen en andere kosten die van het begin tot nu toe door tegenpartij betaald zijn. Ik wil graag 100.000 euro betalen in geval als slotuitkering vanaf 1.500.000 tot 2.500.000 euro wordt toegekend." 2.15 Bij brief van 27 november 2013 heeft [maat 1] namens [appellant] het bod dat Reaal in haar brief van 14 november 2013 had gedaan, te weten een slotuitkering van € 900.000, in aanvulling op de reeds betaalde voorschotten van in totaal € 117.500,--, aanvaard. 2.16 [appellant] en [maat 1] hebben op 27 november 2013 een overeenkomst gesloten (hierna: de honorariumovereenkomst), met de volgende inhoud: "Partijen 1. [maat 1] (…) en 2. [appellant] (…) overwegende dat a. tussen [appellant] en Reaal /Hooghe Huys, door toedoen van [maat 1], een overeenkomst tot stand is gekomen ter zake van de schadevergoeding die Reaal / Hooghe Huys aan [appellant] zal uitbetalen b. dat tussen [appellant] en [maat 1] nadere afspraken omtrent de vergoeding voor werkzaamheden dienen te worden vastgesteld. c. dat de vergoeding voor de werkzaamheden naast de totstandkoming van de overeenkomst ook behelst vergoeding voor de werkzaamheden die uit deze overeenkomst voortvloeien, zoals, maar niet daartoe beperkt, het inwinnen van fiscaal-juridische adviezen en de positie ten opzicht van de Sociale Dienst. komen het navolgende overeen: [appellant] betaalt op factuurbasis aan [maat 1] een bedrag van € 60.000,- excl. btw (€ 72.500 incl. btw)." 2.17 Bij vaststellingsovereenkomst van 13 december 2013 zijn Reaal en [appellant] overeengekomen dat Reaal in aanvulling op het reeds betaalde voorschot van € 117.500 een slotbedrag van € 900.000 (netto) zal uitkeren. Na akkoord van [appellant] is deze slotuitkering gestort op de derdengeldrekening van de maatschap. Van dit bedrag heeft [appellant] € 852.843,88 ontvangen. Als gevolg hiervan is de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken. 2.18 Bij e-mail van 29 januari 2014 schreef [appellant] het volgende aan [maat 1]: "(...) Dank je wel voor de moete van u en al uwe medewerkers voor winnende afsluiting. Als hoogwaardig nut voel ik me, na verten jarige teleurstellende vol moete afstand, blij en tevreden. Uitkomst uit mijn financiële karakter heeft de hoeveelheid van de bijdragen weinig belang voor mij maar de juiste afrekening maken grote belang en vind ik heel nuttig. Als voorbeeld in dag van onze overeenkomst tot welke bijdrage zal ik als gift aan u betalen was afgesproken € 60000,0 en tijdens afrekenen is dat door mijn eigen initiatieven inclusief BTW dus nog meer dan € 1200,0 ook erbij dus het totaal meer dan € 72200,0 geworden die ikzelf uit de algemene schadevergoeding zal betalen en dat doe ik. (...)" 2.19 In de zaak tegen [belangenbehartiger 1] heeft dit hof op 15 april 2014 eindarrest gewezen. Alle principale grieven van [appellant] zijn verworpen. Het door [belangenbehartiger 1] ingestelde incidenteel hoger beroep slaagde deels. [maat 1] heeft vervolgens op verzoek van [appellant] cassatie ingesteld. Omdat de griffie van de Hoge Raad hem erop wees dat hij per 1 juli 2014 niet bevoegd was om als advocaat in cassatiezaken op te treden heeft [maat 1] de cassatieprocedure ingetrokken, onder de toezegging dat hij [appellant] hiervoor financieel zou compenseren. 2.20 Bij e-mail van 30 september 2014 schreef [maat 1] aan [appellant]: "Begin deze maand heb ik toegezegd met een voorstel te komen over de financiële afwikkeling van de cassatiezaak. (…) De zaak is op 5 september volgens afspraak doorgehaald, en daarmee is alles ook afgerond. U hebt er dus recht op dat u de in rekening gebrachte griffierechten ad. € 770 terugkrijgt. Ten aanzien van de honorarium- en andere kosten heb ik aangegeven een regeling te willen treffen. Immers de kosten zijn wel gemaakt, maar er is uiteindelijk geen zaak uit voortgekomen. Ik heb u op 22 juli een nota gestuurd, waarop als honorarium een bedrag stond van € 2.690,75, wat verhoogd met kantooropslag en btw neerkomt op (€ 2.690,75 +134,54) + 21% btw = € 3.418,60. Daarnaast zijn de deurwaarderskosten ad € 146,15 opgevoerd. Graag wil ik eenderde van deze kosten (honorarium en deurwaarder) aan u crediteren; u krijgt dan dus een bedrag van € 1.188,25 terug. Daar komt dan nog bij het eerder genoemde bedrag aan griffierechten van € 770, zodat het totaal door u te ontvangen bedrag € 1.958,25 is. Ik zal e.e.a. nog laten controleren, en na administratief akkoord het bedrag laten overmaken naar het bij ons bekende rekeningnummer. (…)" 2.21 In de zaak tegen [belangenbehartiger 3] heeft dit hof op 25 november 2014 arrest gewezen. Hoewel [appellant] in het gelijk werd gesteld heeft hij het door hem betaalde bedrag niet terug gekregen, omdat mevrouw [naam echtgenote] op 18 december 2014 in staat van faillissement is gesteld. 2.22 [appellant] heeft zich vervolgens tot [belangenbehartiger 5] gewend. [belangenbehartiger 5] schreef bij brief van 31 maart 2015 aan [maat 1]: "De heer (...) [appellant] heeft mij benaderd voor de behandeling van zijn Letselschade jegens Reaal verzekering, waarin u hem eerder heeft bijgestaan. Graag ontvang ik het dossier in deze zaak om deze over te nemen. Daarnaast geeft [appellant] dat aan u in een ander zaak een voorschot heeft betaald om cassatie in te stellen. Cassatie is niet ingesteld en het voorschot is ook niet terug betaald. Ook in dat dossier ontvang ik graag de stukken. Omdat [appellant] zich over uw handelwijze in de genoemde zaken beklaagt, verzoek ik u vriendelijk om een adequate toelichting uwerzijds op uw werkwijze in de genoemde zaken, opdat ik de klachten van [appellant] in het licht van uw toelichting op hun merites kan beoordelen." 2.23 Bij brief van 22 oktober 2015 heeft [belangenbehartiger 5] [maat 1] kort gezegd geschreven dat [appellant] bij zijn klachten blijft. [belangenbehartiger 5] heeft [maat 1] verzocht de schade van [appellant] van € 18.837,68 terug te betalen, evenals een bedrag van € 4.334,75. 2.24 [maat 1] heeft de dossiers aan [belangenbehartiger 5] gestuurd en niet voldaan aan het verzoek om betaling. 2.25 In eerste aanleg vorderde [appellant], zakelijk weergegeven en voor zover thans nog van belang: I. de honorariumovereenkomst van 27 november 2013 te vernietigen; II. de hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van (€ 71.541,66 + € 1.958,25 =) € 73.499,91, vermeerderd met wettelijke rente; III. de hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 2.26 [appellant] legde aan zijn vordering tot vernietiging van de honorariumovereenkomst primair ten grondslag dat deze tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden. Om die reden maakte [appellant] bovendien aanspraak op terugbetaling van het bij deze overeenkomst vastgestelde honorarium. Subsidiair was [appellant] van mening dat het honorarium aan hem dient te worden terugbetaald op grond van de redelijkheid en billijkheid. Meer subsidiair stelde hij zich op het standpunt dat de honorariumovereenkomst geen definitieve betalingsverplichting van het daarin genoemde honorarium inhoudt. Aan zijn vordering tot betaling van € 1.958,25 heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [maat 1] heeft toegezegd dat hij dit bedrag ter compensatie aan [appellant] zou betalen en dat hij deze toezegging tot op heden niet is nagekomen. 2.27 De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen. 3.1 In hoger beroep vordert [appellant] de vernietiging van het bestreden vonnis en – na wijziging van eis/grondslag – zakelijk weergegeven i. de vernietiging van de honorariumovereenkomst, althans de afspraak op basis van no cure no pay en/of pars quota litis; ii. de veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van een bedrag van € 73.499,91, vermeerderd met wettelijke rente; iii. de veroordeling van [geïntimeerden] tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] uit hoofde van het bestreden vonnis reeds aan [geïntimeerden] heeft voldaan, vermeerderd met rente; iv. de veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties en het incident, vermeerderd met nakosten. 3.2 De grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden (grief I), dat de Gedragsregels die gelden voor advocaten niet leiden tot een ander oordeel (grief II); dat [appellant] evenmin voldoende heeft aangevoerd voor een geslaagd beroep op dwaling (grief III), dat [appellant] zijn vordering niet tevens heeft ingesteld als vordering tot schadevergoeding wegens een tekortkoming (grief IV) en dat [appellant] – gelet op het gemotiveerde verweer van [geïntimeerden] – onvoldoende heeft onderbouwd dat [maat 1] zijn toezegging niet is nagekomen dat hij [appellant] zou compenseren voor de omstandigheid dat de cassatieprocedure tegen [belangenbehartiger 1] geen doorgang kon vinden (grief V). 3.3 [geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft zich daarbij primair op het standpunt gesteld dat [maat 2] en de maatschap ten onrechte in dit geding zijn betrokken, omdat [appellant] aan [maat 1] de opdracht had verstrekt en [maat 2] op geen enkele wijze bij de advisering door [maat 1] was betrokken. 3.4 Verder heeft [geïntimeerden] zich verzet tegen grief IV, volgens [geïntimeerden] legt [appellant] met grief IV voor het eerst een vordering wegens wanprestatie aan het hof voor, waardoor hij ernstig in zijn belangen is geschaad, omdat hij in eerste aanleg zich niet tegen deze vordering heeft kunnen verweren. 3.5 Het hof overweegt dat voor zover grief IV is te lezen als een wijziging van eis, niet valt in te zien dat [maat 1] hierdoor ernstig in zijn belangen is geschaad. De eiswijziging is immers tijdig gedaan bij memorie van grieven en hoger beroep mag worden gebruikt voor herstel van fouten. Niets staat eraan in de weg dat een eiswijziging wordt ingekleed als grief. Van strijd met de goede procesorde is ook overigens niet gebleken. Dit geldt te meer omdat [geïntimeerden] zelf constateert dat er in grief IV eigenlijk niets nieuws staat, omdat ook al ten aanzien van de afwijzing van de andere vorderingen is aangevoerd dat deze geen stand kan houden gelet op de Gedragsregels. 3.6 Het hof zal de grieven en verweren per onderwerp behandelen. Met wie heeft [appellant] een overeenkomst van opdracht gesloten? 4.1 [appellant] stelt zich op het standpunt – zo begrijpt het hof – dat hij met de maatschap, vertegenwoordigd door [maat 1], is overeengekomen dat [maat 1] voor hem als advocaat zou gaan optreden. De opdracht betrof aanvankelijk de zaak tegen [belangenbehartiger 1], maar later ook de letselzaak. [appellant] wijst er op dat [maat 1] op diverse momenten zelf verwees naar de maatschap waarvan hij deel uitmaakte, dat de maatschap factureerde en voor [appellant] toevoegingen heeft aangevraagd, terwijl betalingen werden gedaan op de derdengeldrekening van de maatschap. 4.2 [geïntimeerden] is daarentegen van mening dat [appellant] heeft gecontracteerd met alleen [maat 1]. [geïntimeerden] stelt daartoe dat [maat 2] en [maat 1] ieder zelfstandig een eigen praktijk uitoefenen en alleen op individuele basis opdrachten sluiten met hun cliënten. [maat 1] is de overeenkomst aangegaan met [appellant], [appellant] heeft niet gecontracteerd met de maatschap. Het enkele feit dat [maat 2] en [maat 1] hetzelfde beroep uitoefenden, maakt dat niet anders. De maatschap is een zogenoemde kostenmaatschap, waarbij iedere maat een gelijk aandeel in de kosten voldoet. De hoogte van het door een individuele maat ontvangen honorarium in een bepaalde zaak, heeft daarom geen invloed op de inkomsten van de maatschap. 4.3 Het hof overweegt dat het antwoord op de vraag of [maat 1] bij het sluiten van de overeenkomst van opdracht met [appellant] alleen voor zichzelf of namens de maatschap heeft gehandeld, afhangt van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. In deze procedure staat vast dat [maat 1] en [maat 2] als maatschap onder één naam naar buiten traden. [geïntimeerden] heeft dit weliswaar – ongemotiveerd – betwist, maar aan deze betwisting gaat het hof als ongeloofwaardig voorbij. [geïntimeerden] heeft immers geen verklaring gegeven voor het feit dat hij gebruik maakte van briefpapier van de maatschap, de maatschap heeft gefactureerd, de maatschap toevoegingen heeft aangevraagd en in deze procedure gebruik is gemaakt van een derdengeldrekening op naam van de maatschap. Daar staat tegenover dat de schriftelijke opdrachtbevestiging (in de cassatiezaak [appellant]-[belangenbehartiger 1], prod 8 bij CvA ) is gesteld in de ik-vorm en is ondertekend door [maat 1], zonder enige aanduiding dat dit zou zijn gebeurd namens de maatschap. Ook in de honoreringsovereenkomst worden als partijen uitsluitend [maat 1] en [appellant] genoemd, opnieuw zonder enige aanwijzing dat dit zou zijn gebeurd namens de maatschap. Gesteld noch gebleken is dat [maat 2] zich ooit heeft bemoeid met de zaken van [appellant]. Onder deze omstandigheden moest [appellant] redelijkerwijs begrijpen dat hij met [maat 1] contracteerde en niet (ook) met de maatschap. 4.4. Dit betekent dat de vorderingen van [appellant] jegens [maat 2] en de maatschap zullen worden afgewezen. Beroep op artikel 6:89 BW 5.1 Volgens [geïntimeerden] kunnen de vorderingen van [appellant] (ook jegens [maat 1]) niet worden toegewezen, omdat deze tardief zijn. Hij heeft zich daarbij beroepen op artikel 6:89 BW. Hij wijst er op dat de honorariumovereenkomst dateert van november 2013, terwijl de inleidende dagvaarding eerst is uitgebracht in februari 2018. 5.2 Artikel 6:89 BW bepaalt dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. Al omdat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.