ECLI:NL:GHDHA:2020:1384
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.272.858/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/582274/KG ZA 19/1046 Arrest in kort geding van 11 augustus 2020 in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van: [appellant] ,thans gedetineerd in de PI [locatie] , appellant,hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. R.D.A. Boom te Utrecht, tegen: de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te Den Haag, geïntimeerde,hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. S.J.M. Bouwman te Den Haag.
Het geding Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken, waarvan het hof kennis heeft genomen: het procesdossier van eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 24 december 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:14038, hierna: het bestreden vonnis); de dagvaarding in hoger beroep van 20 januari 2020; de memorie van grieven (met producties); de memorie van antwoord (met producties).
Hierna is arrest gevraagd.Beoordeling van het hoger beroep De feiten De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis (in overwegingen 2.1 tot en met 2.7) een aantal feiten vastgesteld. Deze zijn in hoger beroep niet bestreden. Daarom gaat ook het hof hiervan uit.
Deze feiten en hetgeen verder in hoger beroep is naar voren is gekomen, gaan samengevat en voor zover thans van belang, om het volgende.(2.1) [appellant] is op 1 december 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar wegens het leiden van een criminele organisatie die zich (kort gezegd) bezig hield met het bereiden en verkopen van synthetische drugs, vermeld op lijst I van de Opiumwet. [appellant] zit thans zijn straf uit. (2.2) Het meldpunt GRIP (Gedetineerden Recherche Informatiepunt) heeft op 2 september 2019 een rapport uitgebracht met recente onderzoeksinformatie over [appellant] . Volgens deze informatie was [appellant] vanuit de gevangenis dagelijks betrokken bij twee laboratoria waar synthetische drugs werden geproduceerd. De betrokkenheid van [appellant] bestond uit het aansturen van een [A] via in de gevangenis binnengesmokkelde mobiele telefoons. Deze [A] was een voormalige medegedetineerde.(2.3) Vervolgens is vanuit het Operationeel Overleg (OO) aan [appellant] de GVM-status ‘hoog’ opgelegd wegens voortgezet crimineel handelen vanuit detentie (VCHD). Dit is op 12 september 2019 aan [appellant] meegedeeld.(2.4) GVM staat voor Gedetineerden met een Vlucht- en Maatschappelijk risico. (2.5) Op 9 november 2019 zijn in de cel van [appellant] opnieuw een mobiele telefoon en onder meer een USB-stick gevonden. Deze zijn (volgens de gevangenisregels en sinds 1 november 2019 tevens op grond van artikel 429a Sr) in de cel verboden.
Het geschil in eerste aanleg 3. [appellant] heeft, samengevat, gevorderd te bepalen dat hij van de GVM-lijst wordt verwijderd, op straffe van een dwangsom, want zijn plaatsing op die lijst is onrechtmatig.
Daarbij gaat het ook om eerdere veroordelingen en de aard daarvan in relatie tot de huidige verdenking, het meerdere malen aantreffen van verboden mobiele telefoons die hij zeer frequent gebruikte voor het geven van instructies aan een medeverdachte [hof: voornoemde [A]] en het ook na plaatsing op de GVM-lijst weer aantreffen van een mobiele telefoon in zijn cel (overweging 4.3).(iii) Weliswaar staat het voortgezet crimineel handelen niet vast, maar wel is blijkens de GRIP-informatie sprake van ernstige signalen die hebben geleid tot nader onderzoek. Hieruit is concrete informatie naar voren gekomen. De omstandigheid dat bij indicatief testen geen stoffen zijn aangetroffen die strafbaar zijn volgens de Opiumwet, laat onverlet dat nog niet is vastgesteld wat er geproduceerd werd en wat men wilde of kon produceren.
Dit wordt nog verder onderzocht. De officier van justitie heeft laten weten dat [appellant] zeer waarschijnlijk vervolgd zal worden voor strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de productie van het verboden 2C-B (overweging 4.4).(iv) Alle voornoemde omstandigheden zijn relevant. De stellige en gemotiveerde ontkenning van [appellant] dat hij zich bezig houdt met illegale activiteiten doet daar onvoldoende aan af (overweging 4.5).Het geschil in hoger beroep 5. [appellant] vordert in hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis, alsnog toewijzing van zijn vorderingen en veroordeling van de Staat tot terugbetaling van hetgeen hij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de Staat heeft voldaan, met veroordeling van de Staat in de kosten van beide instanties.
De stelling van [appellant] dat het niet vaststaat dat hij zich nog steeds bezig houdt met crimineel handelen (zoals voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de productie van het verboden 2C-B) is in dit verband niet relevant. Het gaat immers om de inschatting van een risico, niet om de vaststelling van strafbare feiten. Dit risico op VCHD mocht het OO, gelet op voormelde omstandigheden, reëel en ‘hoog’ achten. Er zijn sterke aanwijzingen dat verboden middelen in de opgezette/op te zetten laboratoria gemaakt kunnen worden en indien mogelijk ook gemaakt zullen worden. Bij dit laatste weegt mee dat [appellant] zich daar in het verleden ook al als leidinggevende mee heeft bezig gehouden en daarvoor tot langdurige gevangenisstraf is veroordeeld.
Beslissing Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, G. Dulek-Schermers en H.C. Grootveld, en is getekend en uitgesproken door de rolraadsheer mr J.E.H.M. Pinckaers ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2020 in aanwezigheid van de griffier.