ECLI:NL:GHDHA:2020:1848
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.228.162/01 Zaaknummer rechtbank : 6104483 RP VERZ 17-50372 beschikking van 29 september 2020 inzake [werknemer], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, nader te noemen: [werknemer], advocaat: mr. D. Vaniĉková te Rotterdam, tegen:
Uitzendbureau Solutions B.V., gevestigd te De Lier, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: Solutions, advocaat: mr. D.A.M. Lagarrigue te 's-Hertogenbosch.
Het verdere verloop van het geding In zijn tussenbeschikking van 17 maart 2020 heeft het hof [werknemer] verzocht om nadere informatie te verstrekken. [werknemer] heeft hierop een akte met producties genomen. Solutions heeft hierop bij akte gereageerd. Vervolgens is opnieuw een datum voor het wijzen van een beschikking bepaald.
Verdere beoordeling van het hoger beroep 1. Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 17 maart 2020 geconcludeerd dat [werknemer] in beginsel vanaf 24 maart 2016 recht heeft op loondoorbetaling op basis van een werkweek van 40 uur. Over de uren dat hij arbeidsongeschikt is geweest, heeft hij in beginsel recht op loondoorbetaling conform artikel 25 lid 1 sub b van de NBBU-CAO. De loondoorbetalingsverplichting van Solutions eindigt in beginsel pas op het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt/wordt beëindigd dan wel wanneer [werknemer] gedurende een periode van twee jaar arbeidsongeschikt is.
Wettelijke verhoging 4. In zijn tussenbeschikking van 17 maart 2020 heeft het hof overwogen dat de door [werknemer] gevorderde wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10%, aangezien Solutions er in redelijkheid van uit heeft mogen gaan dat het uitzendbeding in de NBBU-CAO rechtsgeldig was. Het verzoek van [werknemer] aan het hof om op deze beslissing terug te komen, wordt verworpen. Het oordeel van het hof betreft een bindende eindbeslissing, waarop het hof volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad slechts in uitzonderingsgevallen kan terugkomen. Een dergelijk uitzonderingsgeval doet zich hier niet voor. De beslissing van het hof berust niet op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, en ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die het onaanvaardbaar zouden maken dat het hof aan dit oordeel zou zijn gebonden.
Vermindering van eis: vorderingen beperkt tot de periode tot 11 juni 2018 5. [werknemer] maakt vanaf 11 juni 2018 geen aanspraak meer op loon, aangezien hij per die datum gestart is met een eigen bedrijf. Hij wenst geen toelating meer tot de werkzaamheden bij De Jong Eco Cups via Solution.
Vermeerdering van eis: verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en billijke vergoeding 6. [werknemer] heeft in zijn akte van 28 april 2020 aan het hof verzocht om zijn arbeidsovereenkomst met Solutions te ontbinden per een datum in de toekomst, met de bepaling dat de loondoorbetalingsplicht eindigt per 12 (het hof begrijpt: 11) juni 2018. Tevens heeft [werknemer] het hof verzocht om een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van Solutions. Solutions heeft de beide verzoeken gemotiveerd betwist. Het hof wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af wegens strijd met de goede procesorde. Een dergelijke vermeerdering van eis is in dit stadium van de procedure niet meer mogelijk, behoudens ingeval van instemming van de wederpartij waar hier geen sprake van is. Aangezien gesteld noch gebleken is dat er sprake is geweest van een handeling waardoor de arbeidsovereenkomst op enige andere wijze is geëindigd, bijvoorbeeld een opzegging, moet worden geconcludeerd dat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt. Dit betekent dat ook het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding niet toewijsbaar is.
Loon over de periode 24 maart 2016 tot en met 23 maart 2017 7. Tussen partijen is niet in geschil dat [werknemer] over de gehele periode van 24 maart 2016 tot en met 23 maart 2017 arbeidsongeschikt is geweest. Tot en met week 20 was [werknemer] 100% arbeidsongeschikt; in de weken 21 tot en met 32 was hij 50% arbeidsongeschikt; in de periode daarna was [werknemer] weer 100% arbeidsongeschikt. Deze periode geldt daarom als het eerste ziektejaar, waarover [werknemer] op grond van artikel 25 lid 1 sub b van de NBBU-CAO 2014-2019 recht heeft op doorbetaling van 90% van het naar tijdsruimte vastgestelde loon, voor zover het loon niet meer bedraagt dan het maximumuitkeringsdagloon, en ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon. [werknemer] heeft in de door hem overgelegde Excel sheet-berekening (productie 8) een overzicht gegeven van de bedragen aan loon/ziekengeld die Solutions daadwerkelijk heeft betaald.
Het hof merkt op dat Solutions ervan uitging dat de uitzendovereenkomst met [werknemer] als gevolg van diens arbeidsongeschiktheid was beëindigd en dat de aan [werknemer] betaalde bedragen over de uren dat hij als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid niet heeft gewerkt (destijds) kwalificeerden als Ziektewet-uitkeringen. Ter zake van de uren die [werknemer] wél heeft gewerkt, kwalificeren de betaalde bedragen als loon. Verder vermeldt de Excel sheet de bedragen waarop [werknemer] naar zijn mening over deze periode recht heeft. Solutions heeft de juistheid van de bedragen op zichzelf niet weersproken, zodat het hof daarvan uit gaat.
Nu de bewijslast op dit punt op [werknemer] rust, en hij in hoger beroep geen gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan en evenmin een (door hem toegezegde) verklaring van zijn chirurg heeft overgelegd, wordt zijn verweer op dit punt verworpen. Ook het verweer van [werknemer] dat hij niet naar het RC Westland kon omdat hij geen geld had voor het openbaar vervoer als gevolg van de loonstop, en dat Solutions op 26 september 2016 weigerde om vervoer voor hem te regelen, kan hem niet baten. De loonstop is pas toegepast per 19 september 2016. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de loonstop de reden was dat [werknemer] niet naar het RC Westland kon reizen, en evenmin dat en waarom Solutions verplicht was om voor vervoer van [werknemer] naar het RC Westland te zorgen.
Loon over de periode 24 maart 2017 tot en met 12 januari 2018 15. Partijen zijn het er niet over eens of [werknemer], zoals Solutions stelt, over deze hele periode doorlopend geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest voor eigen werk, of dat hij, zoals [werknemer] stelt, in het tijdvak van 24 april 2017 tot en met 18 juli 2017 volledig arbeidsgeschikt was. Dit punt is mede van belang voor de vraag of de volgende periode van arbeidsongeschiktheid vanaf 19 juli 2017 moet worden aangemerkt als een nieuwe ziekteperiode.
Hofman, de behandelend plastisch chirurg. In deze brief schrijft de heer Hofman aan de bedrijfsarts van Solutions dat er naast functieverlies over het traject van de FDS pees, waarvan [werknemer] weinig hinder ondervond, tevens nog sprake was van pijnklachten ter hoogte van het DIP gewricht. Volgens de heer Hofman was er uiteraard nog geen eindsituatie bereikt en was er op dat moment geen goede inschatting te maken in hoeverre werkhervatting een belemmerend effect zou hebben op het herstel van [werknemer], waarbij hij opmerkt dat het herstel op zich zeker nog een half jaar op zich zou laten wachten. [werknemer] stelt naar aanleiding van deze brief zelf (onder 5.9 van het inleidend verzoekschrift) dat de heer Hofman op 8 mei 2017 de Arboarts heeft geïnformeerd dat [werknemer] nog circa zes maanden arbeidsongeschikt zou zijn.
Dat [werknemer] volledig arbeidsgeschikt was voor zijn eigen werk blijkt evenmin uit de producties 16 en 18 bij inleidend verzoekschrift waarnaar [werknemer] verwijst. Ook uit het feit dat [werknemer] zich in het inleidend verzoekschrift van 22 juni 2017 onder 5.23 beschikbaar stelt voor het verrichten van “passende arbeid in overleg met zijn chirurg en de arboarts” kan niet worden afgeleid dat [werknemer] ten tijde van het indienen van het verzoekschrift volledig arbeidsgeschikt was voor zijn eigen werk. Het hof acht, gelet op deze informatie, niet aannemelijk dat de bedrijfsarts [werknemer] in de periode van 24 april 2017 tot aan zijn volgende operatie op 19 juli 2017 voor 100% arbeidsgeschikt zou hebben bevonden.
Loon over de periode 13 januari 2018 tot en met 10 juni 2018 18. [werknemer] heeft onweersproken gesteld dat hij in de periode van 12 (het hof begrijpt: 13) januari 2018 tot en met 10 juni 2018 volledig arbeidsgeschikt was voor het verrichten van eigen werk. Het hof gaat daar dan ook vanuit. De berekening van [werknemer] van het 100% loon waarop hij over de periode van 12 januari 2018 tot en met 10 juni 2018 recht heeft is door Solutions niet betwist. Dit staat daarom tussen partijen vast.
Feestdagen 19. [werknemer] heeft in de door hem overgelegde Excel sheet zijn aanspraken op uitbetaling tijdens feestdagen berekend. Daarvan heeft hij afgetrokken het bedrag dat Solutions blijkens de loonstrookjes feitelijk aan hem heeft uitbetaald voor deze feestdagen. Onder punt 47 van zijn akte heeft hij als voorbeeld verwezen naar week 13 van 2016. In deze week heeft Solutions hem een bedrag van € 19,94 uitbetaald voor een feestdag, te weten 2e paasdag. Dit komt neer op slechts 2,26 uur, terwijl [werknemer] over 2e paasdag naar hij stelt recht heeft op uitbetaling van 8 uur. Blijkens de Excel sheet, die is gebaseerd op de bijgevoegde loonstrookjes die [werknemer] van Solutions heeft ontvangen, heeft Solutions meermalen betalingen gedaan aan [werknemer] wegens feestdagen, welke bedragen ten onrechte geen van alle gebaseerd waren op 8 uur.
Vakantiegeld 24. [werknemer] heeft zijn aanspraken op vakantiegeld berekend over de “normale uren” (het hof begrijpt: de uren dat [werknemer] arbeidsgeschikt was en recht heeft op 100% loon), de vakantie-uren en de feestdagen (akte [werknemer] nummer 39 en 46). Over het loon tijdens ziekte dat [werknemer] vordert op basis van zijn door het UWV vastgestelde dagloon, waarin reeds het vakantiegeld is begrepen, heeft [werknemer] (terecht) geen vakantiegeld berekend. Het totale bedrag aan vakantiegeld dat Solutions over de genoemde uren nog verschuldigd is, is volgens [werknemer] € 1.479,78 (namelijk 8% over € 3.554,42 (uitbetaling niet-opgenomen vakantiedagen) + € 1.304,58 (feestdagen) + € 13.638,27 (“normale uren”)(zie nr. 39 van de akte van [werknemer]). Daarnaast stelt [werknemer] dat hij nog een bedrag van € 420,91 aan vakantiegeld tegoed heeft over de nabetaling door Solutions van het ziekengeld ad € 5.261,32 over de periode vanaf 19 september 2017.
Verzoek uitbetaling vakantiedagen 29. Het verzoek van [werknemer] tot uitbetaling van zijn nog openstaande vakantiedagen over de jaren 2016 tot en met 2018 waarop hij stelt recht te hebben, is niet toewijsbaar. Vanaf 1 juli 2016 is sprake van een uitzendovereenkomst fase 3. In fase 3 is, anders dan in fase 1 en 2, geen sprake van een reservering voor (onder meer) vakantiedagen die wordt uitbetaald, maar van een aanspraak op vakantiedagen die door de werknemer kunnen worden opgenomen. Van een recht op uitbetaling van deze vakantiedagen kan in beginsel pas sprake zijn nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Aangezien de uitzendovereenkomst nog voortduurt, doet die situatie zich (nog) niet voor.
Feitelijk verrichte betalingen door Solutions 30. Partijen zijn het er over eens dat door Solutions feitelijk een bedrag van € 18.922,35 aan [werknemer] is betaald. Dit bedrag komt dan ook in mindering op het totaalbedrag dat Solutions aan [werknemer] verschuldigd is.
Terugbetaling aan het UWV 31. [werknemer] heeft onweersproken gesteld dat hij de door hem van het UWV ontvangen uitkeringen over de periode dat hij in dienst was van Solutions aan het UWV zal moeten terugbetalen. Het hof zal hiermee bij het wijzen van zijn eindbeschikking rekening houden.
Verzoek Solutions tot matiging van de loonvordering 32. Het hof is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken die aanleiding geven tot matiging van het bedrag waarvan het hof uiteindelijk zal vaststellen dat Solutions dit nog aan [werknemer] verschuldigd is.
Verzoek Solutions betreffende de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van de eindbeschikking 33. Solutions heeft het hof verzocht om zijn eindbeschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, subsidiair om te bepalen dat [werknemer] voor 75% van het door Solutions betaalde bedrag zekerheid zal stellen. Solutions heeft aangevoerd dat zij overweegt cassatie in te stellen, en dat sprake is van een aanzienlijk restitutierisico. Het hof verzoekt [werknemer] om zich nog over dit verzoek uit te laten.
Jaaropgave 2019 34. Solutions heeft toegezegd dat zij te zijner tijd een jaaropgave over het door haar nog aan [werknemer] na te betalen bedrag en over het eerder in 2019 aan [werknemer] betaalde bedrag van € 5.261,31 aan [werknemer] zal verstrekken.
Slot 35. Elke verdere beslissing wordt aangehouden.
Beslissing Het hof:
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, C.A. Joustra en P.S. Fluit en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.