GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.261.868/01 Zaaknummer rechtbank : C/10/563042/ HA ZA 18-1137 arrest van 6 oktober 2020 inzake Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam, appellante, hierna te noemen: Woonbron, advocaat: mr. T.A. Vermeulen te Rotterdam, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. R.A.J. van Wingerden te Dordrecht. 1Het geding 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken, waarvan het hof kennis heeft kennis genomen: - het procesdossier van eerste aanleg, waaronder het vonnis in verzet van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2019 (hierna: het verzetvonnis); - de dagvaarding in hoger beroep van 19 juni 2019; - het tussenarrest van 23 juli 2019, waarbij een comparitie na aanbrengen is gelast; - het proces-verbaal van de comparitie van 17 september 2019; - de memorie van grieven (met producties); - de memorie van antwoord. 1.2. Daarna is een datum voor arrest bepaald. 2De feiten Het gaat het in deze zaak om het volgende: 2.1. Bij notariële akte van 17 november 2006, welke akte op 20 november 2006 is ingeschreven in de openbare registers, heeft Woonbron ten behoeve van [geïntimeerde] een recht van erfpacht verleend op het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning met berging, erf en tuin, gelegen aan de [adres 1] te [plaatsnaam] (hierna: de woning). 2.2. In die akte is onder meer de verplichting van de erfpachter opgenomen om de woning daadwerkelijk als hoofdbewoner te bewonen. Verder is bepaald dat de erfpachter verplicht is om de woning onverwijld te koop aan te bieden aan de woningcorporatie zodra hij niet meer voldoet aan de zelfbewoningsplicht. 2.3. Bij aangetekend verzonden brief van 11 oktober 2017 heeft de gemachtigde van Woonbron het volgende aan [geïntimeerde] geschreven: “(…) Gebleken is dat u de woning aan de [adres 1] te [plaatsnaam] nog steeds niet bewoont. Ingevolge de Koopgarant-bepalingen dient u de woning te koop aan te bieden aan cliënte zodra u niet meer voldoet aan uw zelfbewoningsplicht. Hierdoor verzoek ik u nogmaals, en voor zoveel nodig sommeer ik u daartoe, uw woning binnen 8 dagen na heden schriftelijk te koop aan te bieden aan cliënte. Bij gebreke hiervan zal cliënte zich vrij achten om aanspraak te maken op de contractuele boete en over te gaan tot het opzeggen van de erfpacht. (...)” 2.4. Op 17 oktober 2017 heeft Woonbron door middel van een aan [geïntimeerde] betekend deurwaardersexploot de erfpacht opgezegd tegen 1 mei 2018, en aangezegd dat [geïntimeerde] de woning uiterlijk op 1 mei 2018 dient te ontruimen en leeg en ontruimd ter beschikking van Woonbron dient te stellen. 2.5. Bij verstekvonnis van 5 september 2018 (hierna: het verstekvonnis) heeft de rechtbank Rotterdam op vordering van Woonbron voor recht verklaard dat de inschrijving van het recht van erfpacht op het appartementsrecht, plaatselijk bekend als [adres 1] te [plaatsnaam], vanaf 1 mei 2018 waardeloos is, en [geïntimeerde] veroordeeld om de woning binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen. 2.6. Bij deurwaardersexploot van 2 oktober 2018 is het verstekvonnis op het adres van de woning aan [geïntimeerde] (niet in persoon) betekend, met bevel aan [geïntimeerde] om de woning binnen twee weken te ontruimen. 2.7. Op 24 oktober 2018 heeft gedwongen ontruiming van de woning plaatsgevonden. 2.8. Bij dagvaarding van 13 november 2018 heeft [geïntimeerde] verzet ingesteld tegen het verstekvonnis. 2.9. Volgens de Basisregistratie Personen was [geïntimeerde] van 30 juli 2005 tot 9 november 2017 ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam]. Van 9 november 2017 tot 24 oktober 2018 was hij ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam]. Sinds 24 oktober 2018 staat hij weer ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam]. 3De verzetprocedure in eerste aanleg 3.1. In verzet tegen het verstekvonnis heeft [geïntimeerde] in conventie gevorderd dat de rechtbank hem ontheft van de in het verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordeling. In reconventie heeft hij een verklaring voor recht gevorderd dat Woonbron door de ontruiming wanprestatie althans een onrechtmatige daad heeft gepleegd, op grond waarvan Woonbron jegens [geïntimeerde] schadeplichtig is. Daarnaast heeft hij verwijzing naar de schadestaat gevorderd. 3.2. De rechtbank was van oordeel dat [geïntimeerde] ontvankelijk is in zijn verzet. De verzettermijn van vier weken op grond van artikel 143 lid 3 jo. 144 aanhef en onder d Rv is, wat betreft de veroordeling tot ontruiming, volgens de rechtbank gaan lopen met de gedwongen ontruiming van de woning op 24 oktober 2018. De betekening van het verstekvonnis heeft immers niet in persoon plaatsgevonden en [geïntimeerde] heeft vóór de ontruiming geen daad van bekendheid (met (de inhoud van) het vonnis) gepleegd. Dat betekent dat [geïntimeerde] voor wat betreft de veroordeling tot ontruiming tijdig in verzet is gekomen tegen het verstekvonnis. 3.3. De rechtbank heeft verder overwogen dat de verzettermijn tegen een vonnis waarin een verklaring van waardeloosheid is gegeven, op grond van artikel 3:29 lid 3 BW in elk geval begint te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de ingeschreven gedaagde, ook als die betekening niet in persoon geschiedt. Aangezien het verstekvonnis bij deurwaardersexploot van 2 oktober 2018 aan [geïntimeerde] is betekend op het adres van de woning, zou dat betekenen dat de verzettermijn vanaf die datum is gaan lopen en dat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zou zijn in zijn verzet op dit punt, ware het niet dat het beroep van [geïntimeerde] op artikel 6 EVRM slaagt. De rechtbank achtte het belang van [geïntimeerde] om het geschil in conventie in zijn geheel ter beoordeling voor te leggen doorslaggevend, en heeft artikel 3:29 BW om die reden buiten toepassing gelaten. Op grond van artikel 143 lid 3 Rv is [geïntimeerde] volgens de rechtbank daarom ook ontvankelijk in zijn verzet ten aanzien van de verklaring voor recht dat de inschrijving van het recht van erfpacht in het betreffende register waardeloos is. 3.4. In conventie was de rechtbank van oordeel dat Woonbron onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, doordat hij de woning metterwoon heeft verlaten en/of aan derden heeft verhuurd en vervolgens heeft verzuimd om de woning aan Woonbron te koop aan te bieden. De rechtbank was daarom van oordeel dat de opzegging door Woonbron van het recht van erfpacht en de ontruiming van de woning niet rechtsgeldig waren. De rechtbank heeft het verstekvonnis vernietigd en de vorderingen van Woonbron alsnog afgewezen. 3.5. In reconventie oordeelde de rechtbank dat Woonbron inbreuk heeft gemaakt op het recht van erfpacht van [geïntimeerde] en daarmee onrechtmatig jegens [geïntimeerde] gehandeld, door zonder rechtsgrond de erfpacht op te zeggen en de woning te laten ontruimen. Woonbron is verplicht de schade die [geïntimeerde] als gevolg daarvan lijdt te vergoeden. De rechtbank heeft de zaak daartoe naar de schadestaatprocedure verwezen. 4Het geschil in hoger beroep 4.1. In hoger beroep vordert Woonbron, zo begrijpt het hof, vernietiging van het verzetvonnis (de vermelding in het petitum van de memorie van grieven dat vernietiging van het verstekvonnis wordt gevorderd berust op een kennelijke schrijffout), en bekrachtiging van het verstekvonnis, althans toewijzing van de vorderingen van Woonbron. Ten slotte vordert Woonbron dat [geïntimeerde] in de kosten wordt veroordeeld. In de appeldagvaarding maakt Woonbron aanspraak op de kosten in twee instanties, terwijl die aanspraak in de memorie van grieven wordt beperkt tot de kosten van het hoger beroep. 4.2. [geïntimeerde] voert verweer en concludeert tot bekrachtiging van het verzetvonnis met veroordeling van Woonbron in de kosten in beide instanties. 5De beoordeling Ontvankelijkheid 5.1. Woonbron betoogt allereerst dat de rechtbank [geïntimeerde] ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde verzet. Daarover overweegt het hof als volgt. 5.2. De termijn van verzet tegen een vonnis waarin een verklaring van waardeloosheid is uitgesproken, begint op grond van artikel 3:29 lid 3 BW, in afwijking van artikel 143 Rv, in elk geval te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de ingeschreven gedaagde, ook als die betekening niet in persoon geschiedt. 5.3. Het verstekvonnis is op 2 oktober 2018 aan [geïntimeerde] (niet in persoon) op het adres van de woning betekend. [geïntimeerde] stond op dat moment volgens de Basisregistratie Personen op dat adres ingeschreven. Door deze betekening aan het adres waar [geïntimeerde] stond ingeschreven, is de termijn voor het instellen van verzet op grond van artikel 3:29 BW lid 3 gaan lopen. [geïntimeerde] heeft op 13 november 2018 verzet ingesteld tegen het verstekvonnis. Aangezien het verzet meer dan vier weken na de betekening van het verstekvonnis is ingesteld, is het, althans voor zover het is ingesteld tegen de uitgesproken verklaring van waardeloosheid, in beginsel niet-ontvankelijk. 5.4. [geïntimeerde] heeft echter met een beroep op artikel 6 EVRM betoogd dat niet-ontvankelijkheid in dit geval achterwege zou moeten blijven. [geïntimeerde] onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Volgens hem is zijn belang om de gehele zaak ter beoordeling voor te kunnen leggen doorslaggevend. Daarom moet hij op grond van artikel 143 lid 3 Rv ontvankelijk worden verklaard in zijn verzet tegen de uitgesproken verklaring van waardeloosheid. 5.5. Voor toepassing van artikel 6 EVRM ziet het hof, anders dan de rechtbank, geen ruimte. Het recht op toegang tot de rechter dat door die bepaling wordt gewaarborgd, is immers niet absoluut. Het kan worden beperkt indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.