GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.256.440/01 Zaaknummer rechtbank : 6823692 / RL EXPL 18-7732 arrest van 27 oktober 2020 inzake 1. Beautiful Holland Holding B.V., gevestigd te Zoetermeer, 2. [appellante sub 2] , wonende te [woonplaats] , 3. [appellante sub 3] , wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna te noemen: Beautiful Holland Holding, [appellante sub 2] en [appellante sub 3] en gezamenlijk ook aan te duiden als [appellante sub 2] c.s., advocaat: mr. A.F. Mandos te 's-Gravenhage, tegen Aidonia Holding B.V., gevestigd te Delft, geïntimeerde, hierna te noemen: Aidonia, advocaat: mr. D.M. Schouten-Hennen te Alkmaar. Het verloop van de procedure in hoger beroep Bij het hof zijn de volgende stukken ingediend: - de appeldagvaarding van 16 oktober 2018, waarbij [appellante sub 2] c.s. hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van 17 juli 2018 van de rechtbank Den Haag, team kanton; - de memorie van grieven van [appellante sub 2] c.s.; - de memorie van antwoord met producties van Aidonia. Op 12 juli 2019 is een comparitie na aanbrengen gehouden, die was bepaald bij tussenarrest van 7 mei 2019. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. De memorie van grieven is tijdens de comparitie na aanbrengen ingediend. [appellante sub 2] c.s. hebben de stukken, waaronder de stukken van de eerste aanleg, aan het hof overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. In deze procedure is aan de orde of [appellante sub 2] c.s., als (middellijk) bestuurders van Holland City B.V. (hierna: Holland City), een bedrag aan Aidonia verschuldigd zijn in verband met een door Aidonia in Holland City gedane investering van € 25.000,-. 2. [appellante sub 2] was via Beautiful Holland Holding middellijk (mede-)bestuurder van Holland City. Holland City legde zich toe op het uitgeven van representatieve fotoboeken over Nederland. [aandeelhouder/bestuurder] (hierna: [aandeelhouder/bestuurder] ) is aandeelhouder/bestuurder van Aidonia. [aandeelhouder/bestuurder] was een bekende van [appellante sub 2] . [appellante sub 2] heeft aan [aandeelhouder/bestuurder] gevraagd om in Holland City te investeren. [aandeelhouder/bestuurder] was daartoe bereid. 3. Op 30 september 2016 is een overeenkomst opgemaakt tussen Holland City, rechtsgeldig vertegenwoordigd door [betrokkene] en [appellante sub 2] , en Aidonia. In die overeenkomst staat, samengevat, dat Aidonia een bedrag van € 25.000,- zal investeren in Holland City en als tegenprestatie gedurende een periode van vijf jaar een vergoeding zal ontvangen per verkocht boek. Voor zover relevant luidt de overeenkomst als volgt: “Project: Aidonia Holding B.V. zal een bedrag van € 25.000,00 (…) investeren in Holland City B.V. ter financiering en uitbreiding van de uitgaven van de diverse boeken: Beautiful Holland en Holland City. Aidonia Holding BV zal op geen enkele wijze verantwoordelijk zijn voor de bedrijfsvoering van Holland City BV en de afgesproken vergoedingen zullen ook niet beïnvloed kunnen worden door enig negatief resultaat van Holland City BV, op welke wijze dan ook. Doel en wijze van samenwerking: Bovenstaande partijen zijn het volgende overeengekomen: * Aidonia Holding B.V. ontvangt een vergoeding van € 1,00 (ex BTW) voor elk verkocht exemplaar van de boeken met de titel Beautiful Holland. * Aidonia Holding B.V. ontvangt een vergoeding van € 0,25 (ecx BTW) voor elk verkocht exemplaar van de boeken met de titel Holland City. * Bij verkochte exemplaren van beide titels aan Albert Heijn zal een vergoeding van 5% van de verkoopprijs gelden. (ex BTW) * Bij uitbreiding van het assortiment, welke gerelateerd is aan de afgesproken boeken, zal Aidonia Holding BV op dezelfde wijze meedelen in de opbrengsten, e.e.a. volgens dezelfde rekenmethode en dezelfde vergoedingen. (…) Aidonia Holding BV zal maandelijks voorzien worden van een uitdraai uit de administratie (Exact) waaruit de verkochte aantallen blijken. Adhv deze uitdraaien zal Aidonia Holding BV een factuur opmaken met daarop de door Holland City BV te vergoeden bedragen. (…) Duur van de overeenkomst: Deze overeenkomst zal vanaf 1 oktober 2016 tot 1 januari 2022 van kracht zijn.” 4. Tussen [appellante sub 2] en [aandeelhouder/bestuurder] zijn in de periode van 11 oktober 2016 tot 1 februari 2017 whatsapp-berichten uitgewisseld over de stand van zaken bij de verkoop van de boeken. Daarin hebben [appellante sub 2] en [aandeelhouder/bestuurder] elkaar onder meer het volgende bericht. Op 11 oktober 2016 laat [appellante sub 2] aan [aandeelhouder/bestuurder] over het aantal verkochte boeken weten “Tot nu toe 120”. Uit een whatsapp-bericht van [aandeelhouder/bestuurder] van 31 oktober 2016 blijkt dat er een overzicht is gemaild waaruit de verkoop van 30 boeken volgt. Op 8 november 2016 stuurt [appellante sub 2] een whatsapp-bericht, waarin staat: “Goedemorgen [aandeelhouder/bestuurder] , net order van 150 boeken afgesloten dus kom deze week op 320”. Op 15 december 2016 appt [aandeelhouder/bestuurder] : “ [appellante sub 2] tot op heden hebben jullie nog geen cent overgemaakt!! Ik vindt dit echt niet kunnen.” Op 1 februari 2017 appt [aandeelhouder/bestuurder] : “ [appellante sub 2] je belooft dingen die je niet kan nakomen we zijn in middels weer een week verder En tot op heden heb ik +400 euro in 3 maanden Dat gaat toch niks worden zo” en “Beste [appellante sub 2] Volgens mij Hou je me aan het lijntje. Als je deze verplichtingen Niet kan na komen hoe ga je dan zaken doen Snap er niets meer van”. [appellante sub 2] antwoordde: “Beste [aandeelhouder/bestuurder] , ik ben echt even heel druk. En hou jou niet aan het lijntje. Kunnen wij vrijdag even afspreken. Daarop reageerde [aandeelhouder/bestuurder] : “Afspreken hoeft niet Geld Overmaken moet je doen Per 1 oct krap 400 euro gehad. Opdeze manier houden we het Niet 5 jaar vol”. [appellante sub 2] reageerde tenslotte “Ik heb jou boekhouder gesproken en uitgelegd dat wij een tegoed hebben van 22000 euro. Betalingen worden veelal door de overheid te laat gedaan. Daarom loop ik ook bij jou achter. Maar vandaag ook weer een herinnering gestuurd. Ben ook druk om te verkopen met veelal online waar heel veel tijd in gaat zitten. Ik heb je gezegd dat wij dit jaar 100.000 boeken gaan verkopen maar dat gaat niet vanzelf. Dus hoop op je begrip”. 5. Aidonia heeft Holland City door tussenkomst van Juristu Incassodiensten B.V. op 3, 7 en 12 oktober 2017 aangeschreven tot betaling van € 25.000,- met rente en incassokosten. 6. Holland City BV is op 16 januari 2018 failliet verklaard. 7. Aidonia heeft daarop deze procedure aanhangig gemaakt tegen Beautiful Holland Holding, [appellante sub 2] en [appellante sub 3] . Aidonia vorderde primair de vernietiging van de tussen Aidonia en Holland City gesloten overeenkomst wegens bedrog, en subsidiair dat de overeenkomst wordt vernietigd op grond van dwaling ex artikel 6:228 sub a BW en meer subsidiair dat de overeenkomst wordt vernietigd op grond van dwaling ex artikel 6:228 sub b BW. Daarnaast vorderde Aidonia primair en subsidiair dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 25.000,-, alles met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure. 8. Aidonia legde aan haar primaire vordering (vernietiging wegens bedrog) ten grondslag dat is verzwegen dat het door Aidonia ter beschikking gestelde geld niet zou worden gebruikt voor boeken, maar zou worden geïnvesteerd in een nieuwe horeca-onderneming. Als de overeenkomst is vernietigd is er dus geen rechtsgrond voor de betaling van € 25.000,-, zodat deze wordt teruggevorderd als ware zij onverschuldigd. Volgens Aidonia zijn de bestuurders in privé aansprakelijk voor deze terugbetaling, “nu zij opzettelijk een handeling hebben verricht die deze wanprestatie veroorzaakt heeft en welke zij op voorhand wisten of althans behoorden te weten.” Het subsidiair gedane beroep op dwaling is erop gebaseerd dat Holland City ten onrechte niet heeft verteld dat zij het geld voor iets anders zou gebruiken dan voor het investeren in boeken. Bij een juiste voorstelling van zaken had Aidonia de overeenkomst niet gesloten. Meer subsidiair voerde Aidonia aan dat sprake is van dwaling omdat Holland City heeft vermeld dat zij het geld zou gaan gebruiken voor het investeren in boeken, maar dit nimmer heeft gedaan. Zij heeft dus een onjuiste inlichting gegeven. 9. Uit het vonnis van de kantonrechter volgt dat [appellante sub 2] c.s. in eerste aanleg wel zijn verschenen maar geen verweer hebben gevoerd. De kantonrechter heeft daarop de primaire vorderingen toegewezen. De kantonrechter overwoog dat – bij gebreke van verweer – moet worden uitgegaan van de juistheid van de door Aidonia gestelde feiten, die een voldoende grondslag vormen voor de primaire vordering. 10. Tegen dit oordeel richten zich de grieven. In de memorie van grieven voeren [appellante sub 2] c.s. aan dat de door Aidonia in de dagvaarding in eerste aanleg gestelde feiten niet de vordering kunnen dragen (grief 1). Volgens [appellante sub 2] c.s. bepaalt de overeenkomst tussen Holland City en Aidonia helemaal niet dat met het door Aidonia ter beschikking gestelde bedrag boeken gefinancierd moesten worden. Dat daarvan geen boeken zijn gekocht, is volgens [appellante sub 2] c.s. dus ook geen reden om bedrog aan te nemen. Volgens [appellante sub 2] c.s. kon het door Aidonia ter beschikking gestelde bedrag gebruikt worden voor alle met de bedrijfsvoering van Holland City samenhangende kosten. Bovendien heeft Aidonia onvoldoende onderbouwd dat er geld vanuit Holland City is gebruikt voor een andere onderneming. Aidonia heeft immers niks gesteld over geldstromen vanuit Holland City. Verder stellen [appellante sub 2] c.s. zich op het standpunt (grief 2) dat de overeenkomst niet bepaalt dat het bedrag van € 25.000,- moet worden terugbetaald. Er is dan ook geen sprake van een toerekenbare tekortkoming. Dat sprake was van tegenvallende verkopen komt voor risico van Aidonia als investeerder. Tot slot (grief 3) voeren [appellante sub 2] c.s. aan dat uit het vonnis niet blijkt dat de kantonrechter heeft vastgesteld dat er gronden zijn voor bestuurdersaansprakelijkheid. Nu er geen terugbetalingsverplichting bestond, valt ook niet in te zien dat er sprake is van betalingsonwil of frustratie van verhaal. Ook ten aanzien van de dwaling voeren [appellante sub 2] c.s. aan dat onduidelijk is wat de verbinding is tussen de gestelde dwaling in de overeenkomst met Holland City en de aansprakelijkheid van gedaagden. 11. Bij memorie van antwoord heeft Aidonia de grieven bestreden en een eiswijziging en (ten aanzien van de gevorderde wettelijke handelsrente) een eisvermeerdering doorgevoerd, waarmee sprake is van een incidenteel appel. Aidonia vordert thans primair: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.