GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.251.376/01 Zaaknummer rechtbank : c/10/534779/ HA ZA 17-880 arrest van 11 februari 2020 inzake [naam 1] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [X] , advocaat: mr. H.J. Ligtenbarg te Velp Gld, tegen ABN AMRO Bank N.V., als rechtsopvolgster van Fortis Bank (Nederland) N.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: de bank, advocaat: mr. J. Meuleman te Amsterdam. Het geding 1.1. Bij exploot van 11 juli 2018, hersteld bij exploot van 19 oktober 2018 is [X] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 2 mei 2018, hersteld bij herstelvonnis van 6 juni 2018. Bij memorie van grieven met producties heeft [X] tien grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft de bank de grieven bestreden. 1.2. Vervolgens hebben partijen op 17 december 2019 de zaak doen bepleiten, [X] door mr. H.J. Ligtenbarg voornoemd en de bank door mr. A.M. Bekkering, advocaat te Amsterdam voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [X] bij akte producties in het geding gebracht. De bank heeft hier bezwaar tegen gemaakt. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 2.1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. 2.2. Met grief I klaagt [X] dat de rechtbank de feiten niet juist, althans niet volledig heeft vastgesteld. Voor zover de grief erover klaagt dat de rechtbank in haar feitenoverzicht niet alle relevante feiten heeft opgenomen faalt deze grief, omdat geen rechtsregel de rechtbank daartoe verplicht. Voor het overige betreft het stellingen die door de bank worden betwist en daarom niet als vaststaand kunnen worden aangemerkt, zodat de grief ook overigens faalt. 2.3. Het gaat in deze zaak – kort gezegd en voor zover in hoger beroep nog van belang – om het volgende. a. [X] heeft zich op 7 augustus 2007 bij (onderhandse) akte met de titel “Borgtocht (particulier)” ten behoeve van de bank, toen nog onder de naam Fortis Bank (Nederland) N.V. (hierna: Fortis Bank), borg gesteld voor de in die akte genoemde vennootschappen, waaronder [X] Holding B.V. (hierna: Holding) en [X] Beheer B.V. (hierna: Beheer) voor al hetgeen deze te eniger tijd, uit welke hoofde dan ook, verschuldigd mochten zijn (deze overeenkomst wordt hierna de borgstellingsovereenkomst genoemd). b. Fortis Bank heeft op 30 oktober 2009 een krediet van € 2.500.000 verstrekt onder andere aan Holding. Holding is op 31 december 2015 ontbonden wegens gebrek aan baten. De andere vennootschappen aan wie dit krediet mede is verstrekt verkeren in staat van faillissement. Zij worden hierna aangeduid als de werkmaatschappijen. Per 29 juni 2016 bedraagt de schuld van Holding aan de bank € 660.270,45. c. Fortis Bank heeft op 2 december 2008 een krediet van € 7.293.750 verstrekt aan Beheer. Beheer is op 20 mei 2015 in staat van faillissement verklaard. De schuld van Beheer aan de bank bedroeg op 29 juni 2016 € 7.467.466,77. d. De bank heeft [X] bij brief van 15 juni 2016 onder de afgegeven borgstelling aangesproken tot betaling van € 250.000 en gesommeerd dit bedrag te betalen uiterlijk op 28 juni 2016. [X] heeft niet aan deze sommatie voldaan. e. Op de vordering van de bank op Beheer strekt in mindering de door de bank ontvangen opbrengst van de onderhandse verkoop van twee bedrijfspanden van Beheer, waarop ten behoeve van de bank een recht van hypotheek was gevestigd tot zekerheid van het krediet aan haar zijde, zijnde a. € 2.128.985,07 op 13 april 2017 ter zake een bedrijfspand te Purmerend; b. € 2.004.516,54 op 12 mei 2017 ter zake een bedrijfspand te Alkmaar; c. € 255.000,– ter zake de door de koper van het pand in Alkmaar aan de bank betaalde vertragingsrente. 2.4. De bank vordert, voor zover in hoger beroep nog van belang en samengevat, [X] te veroordelen tot betaling van € 250.000, te vermeerderen met rente en kosten. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vordering toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank de verweren van [X] verworpen. 2.5. De grieven II tot en met X komen er op neer dat het hof de zaak opnieuw beoordeelt binnen het door de grieven ontsloten terrein. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 2.6. Tussen partijen is allereerst in geschil tot welk bedrag de bank [X] kan aanspreken. Dit geschilpunt betreft de uitleg van de borgstellingsovereenkomst. Bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst moet niet alleen gekeken worden naar de taalkundige uitleg, maar komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden gelet op hun verklaringen en gedragingen over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het zogenoemde “Haviltex-criterium”). Daarbij is in dit geval het volgende van belang. 2.7. [X] baseert het verweer dat de bank niet meer dan € 125.000 kan vorderen uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst op art. 6:15 BW en merkt daarbij op dat de zinsnede “Fortis Bank en Fortis Lease hierna zowel gezamenlijk als afzonderlijk te noemen: “bank”’ niet meebrengt dat partijen daarmee hebben beoogd dat zowel de bank als Fortis Lease volledige betaling kan vorderen. 2.8. Bij memorie van antwoord heeft de bank er op gewezen dat de borgstellings-overeenkomst in artikel 2 ook bepaalt: “Deze borgtocht is onafhankelijk van eventuele andere borgtochten en geldt voor al hetgeen de Kredietnemer aan de Bank nu of te eniger tijd verschuldigd mocht zijn uit welke hoofde dan ook (…)”. De bank heeft gesteld dat uit deze tekst, gecombineerd met zinsnede weergegeven onder 2.7., duidelijk blijkt dat beide partijen [X] kunnen aanspreken voor het volledige bedrag van de borgstelling, met dien verstande dat [X] in totaal niet voor meer dan € 250.000, kan worden aangesproken. Vervolgens heeft de bank gemotiveerd uiteengezet dat Fortis Bank en Fortis Lease bij het aangaan van de borgstellingsovereenkomst tot hetzelfde concern behoorden en dat het de bedoeling van partijen is geweest dat indien één van de kredietverstrekkers nog een vordering zou hebben, terwijl de ander volledig zou zijn voldaan, de overblijvende kredietverstrekker zich op het volledige bedrag van de borgstelling zou kunnen verhalen. 2.9. [X] heeft bij pleidooi in hoger beroep geen (andere) verklaringen of gedragingen gesteld waaruit kan volgen dat partijen een andere bedoeling hebben gehad dan de bank heeft uiteengezet. Een redelijke uitleg van de borgstellingsovereenkomst is dan ook dat zowel de bank als Fortis Lease een aanspraak hebben tot het maximale bedrag van € 250.000, met dien verstande dat – dit volgt uit de vermelding dat zij gezamenlijk recht hebben op dit bedrag – indien [X] aan één van hen een betaling heeft gedaan uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst, dit bedrag in mindering moet worden gebracht op het bedrag dat de andere partij nog kan vorderen. 2.10. Weliswaar heeft [X] gesteld dat hij is aangesproken door Fortis Lease uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst, maar gesteld noch gebleken is dat hij aan Fortis Lease enige betaling heeft gedaan. De bank heeft derhalve een aanspraak op [X] uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst van € 250.000. 2.11. Niet in geschil is dat de vordering van de bank op Holding € 660.270,45 bedraagt. Deze schuld van Holding aan de bank leent zich niet voor verrekening met een eventuele vordering die Beheer zou hebben op de bank omdat geen sprake is van dezelfde schuldenaar en schuldeiser tegenover de bank. Holding en Beheer zijn immers afzonderlijke vennootschappen. Voor zover [X] in de memorie van grieven of bij pleidooi een ander standpunt inneemt wordt dit verworpen. 2.12. [X] stelt zich voorts op het standpunt dat nog uitkeringen zijn te verwachten uit de faillissementen van de werkmaatschappijen en dat deze in mindering moeten worden gebracht op de genoemde € 660.270,45. 2.13. Vast staat dat Holding is geliquideerd en dat uit de boedel van Holding geen betaling voor de bank meer is te verwachten. Niet in geschil is dat voor zover er sprake zou kunnen zijn van uitkeringen aan de bank in de faillissementen van de werkmaatschappijen – de bank betwist dit gemotiveerd – deze nog niet hebben plaatsgevonden. Indien [X] de bank voldoet uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst wordt hij ingevolge artikel 7:866 jo 6:10 BW gesubrogeerd in de rechten van de bank. Het feit dat er mogelijk nog een uitkering zou kunnen komen uit enig faillissement van enige werkmaatschappij is tegen deze achtergrond geen omstandigheid die het opeisen van de borg thans in de weg staat. 2.14. De vordering van de bank op Holding overtreft het maximum van de borgstelling, zodat de bank alleen al uit hoofde van de borgstelling ten behoeve van Holding en de werkmaatschappijen de borg voor het volledige bedrag kan uitwinnen. De bank heeft hierop gewezen bij pleidooi in hoger beroep en [X] heeft dat niet betwist. De vraag hoe de vordering op Beheer is samengesteld en wat de omvang van de vordering op Beheer precies is, is daarmee thans niet meer van belang. De grieven II, III (gedeeltelijk), V en VI betreffen de hoogte van de vordering van de bank op Beheer. Deze grieven behoeven om deze reden geen bespreking. 2.15. [X] stelt zich voorts op het standpunt dat sprake is van een particuliere borgtocht en dat de bank daarom geen beroep kan doen op artikel 4 van de borgstellingsovereenkomst. Hieraan verbindt [X] de conclusie dat hij - anders dan in genoemd artikel 4 is bepaald – een beroep kan doen op de verweermiddelen die de hoofdschuldenaren ten dienste staan. Blijkens de toelichting op grief IV gaat het hier uitsluitend om het beroep dat Beheer kan doen op dwaling, de schadeplichtigheid ten aanzien van de rentederivaten aangegaan door Beheer en de schending van de zorgplicht ten aanzien van het handelen van de bank tegenover Beheer. Uiteindelijk betreft dit punt derhalve uitsluitend de hoogte van de vordering van de bank op Beheer. Nu hiervoor onder 2.14. is overwogen dat de vraag hoe hoog de vordering van de bank op Beheer is, niet relevant is voor de beoordeling van de vordering in deze zaak behoeft dit punt geen verdere bespreking. Andere consequenties die voortvloeien uit het karakter van de borgstellingsovereenkomst als particuliere borg heeft [X] niet gesteld en zijn het hof ook niet gebleken. 2.16. Daarnaast faalt grief IV ook omdat van een particuliere borgstelling geen sprake is, om de volgende redenen. 2.17. [X] stelt dat de titel van de borgstellings- overeenkomst luidt: “Borgtocht (Particulier)” en dat artikel 1 iedere natuurlijke persoon als particuliere borg kwalificeert. Daarnaast wijst hij er op dat de overeenkomst een handgeschreven goedschrift bevat. 2.18. De bank heeft gewezen op art. 7:857 BW waarin de particuliere borg wordt gedefinieerd als borgtocht die is aangegaan door een natuurlijke persoon die noch handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf noch ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van een naamloze of besloten vennootschap waarvan hij bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen heeft. De bank heeft er gemotiveerd op gewezen dat deze situatie zich niet voordeed bij het aangaan van de overeenkomst. [X] stelde zich borg ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf dat werd uitgeoefend in de vennootschappen waarvan hij (indirect) aandeelhouder en bestuurder was. De bank betwist dat het de bedoeling van Fortis Bank is geweest om [X] in weerwil van deze situatie als particuliere borg aan te merken. 2.19. Ook dit geschilpunt betreft de uitleg van de borgstellingsovereenkomst. Vast staat dat [X] toen hij deze overeenkomst aanging dit deed ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van een aantal besloten vennootschappen waarvan hij (indirect) bestuurder en aandeelhouder was. Het hof begrijpt het standpunt van de bank aldus dat de bank niet behoefde te begrijpen bij het aangaan van de overeenkomst dat [X] er destijds van uit ging dat hij als particuliere borg werd gezien. Voorts begrijpt het hof het standpunt van de bank aldus dat indien [X] had beoogd als particuliere borg op te treden, zij de kredieten niet zou hebben verstrekt omdat de financiering één samenhangend geheel was waar de zakelijke borgstelling onderdeel van was. Verklaringen of gedragingen van partijen waaruit kan worden opgemaakt dat zij destijds beoogden een particuliere borgtocht overeen te komen in weerwil van de feitelijke situatie heeft [X] niet gesteld en zijn ook niet gebleken. De titel van de borgstellingsovereenkomst en het goedschrift zijn gezien de feitelijke situatie bij de kredietverlening van onvoldoende betekenis voor de uitleg van deze overeenkomst. Het hof gaat daarom voorbij aan de lezing van [X] . De borgtocht moet niet worden gezien als een particuliere borg. De bank komt een beroep toe op art. 4 van de borgstellingsovereenkomst. 2.20. Ten slotte heeft [X] aangevoerd dat de bank onzorgvuldig heeft gehandeld tegenover Holding, de werkmaatschappijen, Beheer en [X] , en dat zonder dit onzorgvuldig handelen van de bank tegenover Holding, de werkmaatschappijen of Beheer de bank geen vordering op de verbonden vennootschappen had gehad en dus ook [X] niet had kunnen aanspreken onder de borgstelling. In dit kader heeft [X] voorts als verweer gevoerd dat de (derogerende werking van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.