GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.281.510/01 zaakgegevens rechtbank : C/10/588944/ JE RK 19-3926 en C/10/594934 / JE RK 20-1030 beschikking van de meervoudige kamer van 21 oktober 2020 inzake [appellante] , wonende te [woonplaats 1] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. A.L. Witteveen te Rotterdam, tegen William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. Als overige belanghebbende is aangemerkt: - [naam 1] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen: de vader. In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming, statutair gevestigd te Eindhoven, locatie: Rotterdam, hierna te noemen: de raad. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: de kinderrechter) van 3 februari 2020 en 28 april 2020, uitgesproken onder voormelde zaakgegevens. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De moeder is op 27 juli 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 28 april 2020 (hierna: de bestreden beschikking). 2.2 De gecertificeerde instelling heeft op 11 september 2020 eveneens hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. 2.3 Bij brief van 19 augustus 2020, ingekomen bij het hof op 20 augustus 2020, heeft de raad meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. 2.4 De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met de nader te noemen minderjarige [naam minderjarige] gesproken. 2.5 De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - [naam 2] namens de gecertificeerde instelling; - de vader. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 De moeder en de vader zijn de ouders van: - [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [naam minderjarige] ). 3.3 De moeder oefent alleen het gezag uit over [naam minderjarige] . 3.4 Bij beschikking van 8 maart 2018 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam is [naam minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 6 februari 2021. 3.5 Bij beschikking van 30 januari 2019 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van vier weken. 3.7 Bij beschikking van 6 februari 2019 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, gevolgd door een plaatsing bij de vader zonder gezag, verleend, met ingang van 6 februari 2019 tot 6 februari 2020. 3.8 Bij beschikking van 3 februari 2020 van de kinderrechter is de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige] bij de vader zonder gezag verlengd tot 3 mei 2020. In afwachting van een rapportage van de gecertificeerde instelling is de behandeling van het resterende verzoek van de gecertificeerde instelling – een uithuisplaatsing van [naam minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling – aangehouden tot aan de zitting van 22 april 2020. Bij verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing van 10 april 2020, ingekomen bij de rechtbank op 15 april 2020, heeft de gecertificeerde instelling verzocht de machtiging tot plaatsing van [naam minderjarige] voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder 24 uurs voor de duur van tien maanden te verlengen. [naam minderjarige] verblijft sinds februari 2019 bij de vader. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige] bij de vader zonder gezag verlengd tot 6 februari 2021. 4.2 De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, het verzoek van de gecertificeerde instelling met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen dan wel de duur te bekorten. 4.3 De gecertificeerde instelling verweert zich en voor zover het gaat om de uithuisplaatsing verzoekt zij in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, te bepalen dat [naam minderjarige] thuis wordt geplaatst bij de moeder in plaats van bij de vader. Het hof begrijpt het standpunt van de gecertificeerde instelling aldus dat alsnog afwijzing van het oorspronkelijke verzoek tot verlenging wordt verzocht zodat [naam minderjarige] niet langer op grond van een machtiging uit huis geplaatst is (bij de vader) en opnieuw bij zijn moeder woonachtig zal zijn. 5De motivering van de beslissing De standpunten 5.1 De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De moeder stelt dat de gecertificeerde instelling in eerste aanleg niet (langer) verzoekt om een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige] bij de vader, zodat de kinderrechter deze machtiging ten onrechte heeft verlengd. De moeder stelt zich, voor zover in deze nog relevant, voorts op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte heeft aangenomen dat een plaatsing bij de vader in het belang van [naam minderjarige] is. De vader werkt niet mee, zodat noodzakelijke hulpverlening niet van de grond komt en geen, althans onvoldoende, zicht is op het welzijn van [naam minderjarige] en de thuissituatie bij de vader. Bij de moeder thuis heeft (nog) geen onderzoek plaatsgevonden, omdat de gecertificeerde instelling eerst met [naam minderjarige] in gesprek wenst te gaan. Dit is echter drie maanden na de zitting bij de kinderrechter nog steeds niet gelukt. De moeder heeft in het verleden meegewerkt aan hulpverlening en staat hiervoor nog steeds open. Wel is zij van mening dat er een jeugdbeschermer moet komen die de regie heeft. Er zijn de afgelopen tijd veel wisselingen van jeugdbeschermers geweest. De moeder wil dat haar relatie met [naam minderjarige] wordt verbeterd. 5.2 De gecertificeerde instelling acht een uithuisplaatsing bij de vader niet langer passend. De vader weigert enige vorm van medewerking aan de gecertificeerde instelling. Hierdoor heeft de gecertificeerde instelling tot op heden geen zicht kunnen krijgen op de opvoedsituatie en veiligheid van [naam minderjarige] bij de vader. Een plaatsing bij een aanbieder voor jeugdhulp is eveneens niet meer passend. [naam minderjarige] is voor meerdere plaatsingen afgewezen en zelfs als er een passende plek wordt gevonden zal het lang duren voordat [naam minderjarige] daar daadwerkelijk terecht kan. De gecertificeerde instelling is van mening dat een thuisplaatsing bij de moeder op dit moment het best passend is, onder de voorwaarden dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.