GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.241.483/02 Zaaknummer rechtbank : 5665869 RL EXP 17-2333 arrest van 18 februari 2020 inzake [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. Ü Arslan te Den Haag, tegen Alpha Facility Group B.V., gevestigd te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: Alpha, niet verschenen. Het geding Bij exploot van 19 maart 2018 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, van 19 december (het hof leest:) 2017 (hierna: het bestreden vonnis). Op de rolzitting van 26 juni 2018 is verstek verleend tegen Alpha waarna [appellante] een memorie van grieven heeft genomen, waarbij zij tegen het bestreden vonnis één grief heeft aangevoerd. Op 2 oktober 2018 is de zaak ambtshalve doorgehaald. Vervolgens is de zaak op de rolzitting van 2 juli 2019 opnieuw opgebracht. Daarna is arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep De feiten 1. Aan het bestreden vonnis is voorafgegaan het tussenvonnis van 4 juli 2017. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter onder punt 2 van dat tussenvonnis vastgestelde feiten omdat deze niet in geschil zijn. Het gaat, voor zover nu nog relevant, om de navolgende feiten. 1.1. [appellante] is op [datum] 2012 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Alpha als [functienaam]. Met ingang van [datum] 2014 is zij arbeidsongeschikt geworden. 1.2. Bij brief van 13 april 2016 heeft Alpha, na de op 12 april 2016 verkregen vergunning van het UWV, de arbeidsovereenkomst met [appellante] met ingang van 23 mei 2016 opgezegd. 1.3. Alpha heeft in de periode tussen 31 december 2014 en 23 april 2015 het salaris van [appellante] overgemaakt naar een bankrekening met IBAN-nummer [nummer IBAN]. De eerste aanleg 2.1. Bij inleidende dagvaarding heeft [appellante] betaling gevorderd van € 2.955,55 aan achterstallig salaris, € 1.477,78 aan wettelijke verhoging en € 377,64 aan transitievergoeding, met nevenvorderingen. Bij verstekvonnis van 4 oktober 2016 (hierna: het verstekvonnis) zijn deze vorderingen toegewezen. Alpha heeft bij verzetdagvaarding de vernietiging van het verstekvonnis gevorderd alsmede niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] in haar vorderingen, althans afwijzing daarvan, met nevenvorderingen. 2.2. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis (en het daaraan voorafgaande tussenvonnis) een onderscheid gemaakt tussen de loonvordering van [appellante] die betrekking heeft op de periode van [datum] 2015 tot en met 23 april 2015 (periode 1) en die betrekking heeft op de periode van 24 april 2015 tot en met [datum] 2016 (periode 2). Onder vernietiging van het verstekvonnis heeft de kantonrechter de vordering van [appellante] tot betaling van loon over periode 1 afgewezen, en die over periode 2 (in het vonnis berekend op € 1.821,12 netto en te vermeerderen met een wettelijke verhoging van 10%) toegewezen, met veroordeling van Alpha in de proceskosten “van de inleidende dagvaardingsprocedure”. De “proceskosten van de verzetprocedure” heeft de kantonrechter gecompenseerd. Het hoger beroep 3. Het door [appellante] ingestelde hoger beroep heeft, naar het hof begrijpt, uitsluitend betrekking op het afgewezen gedeelte van de loonvordering, dus op het deel dat ziet op periode 1. Bij memorie van grieven (MvG) heeft zij haar vordering vermeerderd in die zin dat zij nu – anders dan bij inleidende dagvaarding, in verband met salaris over december 2014 – in totaal € 3.182,90 (in plaats van € 2.995,55) en een wettelijke verhoging van € 1.591,45 (in plaats van € 1.477,78) vordert. 4. Op grond van art. 353 lid 1 juncto 130 lid 3 Rv is een vermeerdering van eis ten opzichte van een niet in het geding verschenen partij uitgesloten, tenzij die vermeerdering tijdig bij exploot aan de niet verschenen partij is kenbaar gemaakt. Niet is gesteld of gebleken dat de vermeerderde eis bij exploot aan Alpha is betekend. De eisvermeerdering wordt dus bij de verdere beoordeling van het hoger beroep buiten beschouwing gelaten. [appellante] heeft dezelfde vermeerdering van eis bij akte van 26 september 2017 ook in eerste aanleg voorgelegd. Voor zover [appellante] in hoger beroep beoogt aan te voeren dat de kantonrechter de vermeerderde eis ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, gaat het hof daaraan in verband met het bepaalde in art. 130 lid 2 Rv voorbij. 5. De grief van [appellante] richt zich tegen rov. 5.1. van het bestreden vonnis waarin het volgende is overwogen:“De kantonrechter handhaaft hetgeen hij heeft overwogen in het tussenvonnis van 4 juli jongstleden. In het bijzonder handhaaft hij zijn oordeel dat, nu [appellante] heeft erkend dat de loonbetaling van Alpha van 31 december 2014 is ontvangen op bankrekeningnummer [nummer IBAN], dit bankrekeningnummer als het bankrekeningnummer van [appellante] heeft te gelden en dat daarmee ook de betalingen van Alpha tot en met 23 april 2015 door [appellante] zijn ontvangen. Gelet op de beslissing die in het tussenvonnis op dit deel van de vordering is gegeven zal de akte vermeerdering van eis van de zijde van [appellante], waarin wordt ontkend dat voornoemd bankrekeningnummer van [appellante] is, buiten beschouwing worden gelaten.” [appellante] stelt zich op het standpunt dat de genoemde bankrekening nooit haar bankrekening is geweest, ook niet in december 2014. Zij heeft, anders dan zij in de inleidende dagvaarding tot uitgangspunt heeft genomen, ook in december 2014 geen salaris van Alpha ontvangen. De gevolgtrekking die de kantonrechter verbindt aan haar oorspronkelijke standpunt in eerste aanleg – dus dat bankrekeningnummer [nummer IBAN] als van [appellante] heeft te gelden –, is dus ondeugdelijk, aldus [appellante]. 5.1. Het hof stelt bij de beoordeling van de grief voorop dat ook in hoger beroep een vordering, zoals de loonvordering betreffende periode 1 die nu voorligt, moet worden afgewezen wanneer deze de rechter ongegrond of onrechtmatig voorkomt (art. 139 Rv. jo art. 353 Rv, vgl. HR 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8504). Verder geldt dat, gelet op de devolutieve werking van het appel, de desbetreffende grief moet worden beoordeeld met inachtneming van hetgeen de wederpartij in eerste aanleg heeft aangevoerd. 5.2. [appellante] licht haar stelling dat de door de kantonrechter in rov. 5.1. van het bestreden vonnis genoemde bankrekening nooit de hare is geweest toe als volgt. Zij heeft tot en met juni 2014 haar salaris ontvangen op de bankrekening met nummer [nummer 1] en, op haar verzoek, vanaf juli 2014 op de bankrekening met nummer [nummer 2]. Na november 2014 heeft zij geen salaris meer ontvangen. Als Alpha haar salaris sedertdien op een andere bankrekening heeft betaald (vgl. rov. 1.3) heeft zij ten onrechte niet aan [appellante] betaald, aldus [appellante]. 5.3. In eerste aanleg heeft Alpha, voor zover nu relevant, het volgende tot haar verweer aangevoerd: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.