GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.225.144/01Rolnummer rechtbank : 5753753 RL EXLP 17-5329 Arrest van 18 februari 2020 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [naam zoon ] , hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. O.J. Praamstra te Zoetermeer, tegen 1. [geïntimeerde 1] 2. [geïntimeerde 2], beiden wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna te noemen: [geïntimeerden] , advocaat: mr. J.I. Veldhuis-Lampe te Meppel. Het geding Bij exploot van 3 oktober 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2017 en de kantonrechter Den Haag van 4 september 2017. Vervolgens heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze is op 19 januari 2018 gehouden. Daarna heeft [appellant] een memorie van grieven (met producties) genomen waarin hij vijf grieven tegen het vonnis van 4 september 2017 heeft geformuleerd. [geïntimeerden] hebben de grieven bestreden en hun eis aangevuld bij memorie van antwoord tevens houdende aanvulling van eis (met producties). Vervolgens heeft [appellant] een akte genomen en [geïntimeerden] een antwoordakte (met producties). Daarna is arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep de feiten 1. Tussen partijen is geen geschil over de navolgende feiten. Deze staan in hoger beroep vast. 1.1 [appellant] is de bewindvoerder van zijn zoon [naam zoon ] (hierna: [naam zoon ] ). Hij is daartoe benoemd bij beschikking van 6 oktober 2011 als opvolger van mevrouw [X] op grond van artikel 1:431 BW. Zijn zoon [naam zoon 2] is de broer van [naam zoon ] . 1.2 [geïntimeerden] hebben met elkaar een vennootschap onder firma (die het hof hierna eveneens ‘ [geïntimeerden] ’ noemt). Zij drijven uit hoofde daarvan een onderneming waarmee zij woonruimte ter beschikking stellen aan mensen met een verstandelijke beperking die daar in een gezinssituatie kunnen wonen. 1.3 [naam zoon ] heeft van 30 september 2008 tot en met 27 september 2014 bij [geïntimeerden] gewoond en begeleiding en verzorging genoten op basis van een met [geïntimeerden] gesloten ‘huurovereenkomst onzelfstandige woonruimte’ (hierna: de huurovereenkomst) en een afzonderlijke ‘klantovereenkomst’ (hierna: de klantovereenkomst of de zorgovereenkomst). 1.4 In de laatste tussen partijen geldende huurovereenkomst staat dat zij is aangegaan voor twee jaren, ingaande op 1 april 2013 en lopende tot en met 31 maart 2015, dat zij daarna steeds met vijf jaar wordt verlengd, dat de beëindiging van deze overeenkomst plaatsvindt door opzegging tegen het einde van de bepaalde of verlengde huurperiode met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste een halfjaar en dat de beëindiging dient te gebeuren bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven. 1.5 In de klantovereenkomst staat dat deze is aangegaan met ingang van 1 oktober 2008 voor een periode van vijf jaar en (met de hand geschreven:) dat deze met vijf jaar kan worden verlengd, dat de overeenkomst tussentijds kan worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden en dat de opzegging schriftelijk dient te geschieden tegen het einde van de maand. In de klantovereenkomst staat ook dat: “(…) Deze huurovereenkomst onlosmakelijk verbonden is aan de klantovereenkomst. De looptijd van de klantovereenkomst loopt synchroon met de looptijd van de huurovereenkomst. Ontbinding van een van beide overeenkomsten betekent automatisch ook ontbinding van de andere overeenkomst.” 1.6 Bij e-mailbericht van 5 september 2014 heeft [appellant] aan [geïntimeerden] bericht: “(...) [naam zoon 2] en ik hebben besloten [naam zoon ] niet langer bij jullie te laten wonen. Dat wil zeggen natuurlijk met in acht name van de opzegtermijn of eventueel eerder met beider goedvinden. Wij vinden het na zes jaar, waarin jullie met veel liefde voor [naam zoon ] gezorgd hebben het nu tijd worden voor een andere locatie zoals vooral nu weer in de Randstad. Hoewel er af en toe een strijd kan zijn zoals de laatste weken willen [naam zoon 2] en ik vooral terugkijken op de positieve dingen (…) Maar we hebben na amper beraad toch besloten dat [naam zoon ] eind 2014 weer in de Randstad gaat wonen. (…)” 1.7 Bij e-mailbericht van 17 september 2014 heeft [appellant] aan [geïntimeerden] bericht: “(…) Laat even snel weten wanneer [naam zoon ] weg kan bij Ons Huuske Er zijn allerlei redenen waarom de urgentie echt van belang is. Zo’n beslissing moet voor jullie toch niet zo moeilijk zijn (…)” 1.8 Bij brief van 19 september 2014 hebben [geïntimeerden] aan [appellant] bericht: “(...) Op 5 september j.l. ontvingen wij uw email waarin u aangeeft dat u besloten heeft [naam zoon ] niet langer meer bij ons te laten wonen met inachtneming van de opzegtermijn. (…) Op 17 september vraagt u per email wanneer [naam zoon ] bij ons weg kan. Hierop antwoorden we u als volgt: De vastgelegde opzegtermijn bedraagt 6 maanden waarbij de opzegging schriftelijk dient te geschieden voor het eind van de maand. Dit zou betekenen dat [naam zoon ] op 1 april 2015 elders kan gaan wonen. Om u echter ter wille te zijn willen wij de opzegtermijn bekorten met 3 maanden waardoor hij wat ons betreft m.i.v. 1 januari 2015 elders kan gaan wonen. Voor alle duidelijkheid melden wij u dat met de opzegging per genoemde datum zowel de huur als de zorgovereenkomst komt te vervallen. Dit betekend praktisch dat voor 1 januari 2015 zijn kamer ontruimt dient te zijn en dat na 31 december 2014 geen beroep gedaan kan worden op huurbescherming en zorgplicht. (…)” 1.9 Op 27 september 2014 heeft [appellant] [naam zoon ] bij [geïntimeerden] opgehaald. [naam zoon ] is daarna niet meer bij [geïntimeerden] teruggekeerd. 1.10 [appellant] heeft € 5.267,67 van het bij factuur 14055 in rekening gebrachte bedrag voor de maand september 2014 onbetaald gelaten (en € 508,50 daarvan wel betaald). Hij heeft ook de bij hem in rekening gebrachte bedragen van in totaal € 19.337,16 voor huur, servicekosten, verblijf, begeleiding en verzorging, voeding en schoonmaak/wasfaciliteiten over de maanden oktober, november en december 2014 onbetaald gelaten. de vorderingen en de vonnissen 2.1 [geïntimeerden] hebben gevorderd dat [appellant] € 30.987,05, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten, betaalt. Genoemd bedrag betreft openstaande facturen ad € 24.604,80 over de maanden september t/m december 2014 (voor verblijf, begeleiding, persoonlijke verzorging, voeding en schoonmaak/wasfaciliteiten en voor huur zit-slaapkamer en servicekosten) met rente daarover tot januari 2017 (€ 4.318,97), en verder de huur over januari t/m maart 2015 (drie keer € 236,74), stortkosten (€ 25,-), ontruimingswerkkosten (€ 100,-) en buitengerechtelijke kosten (€ 1.245,36), vermeerderd met de wettelijke rente. Volgens [geïntimeerden] zijn de huur- en klantovereenkomst per 1 januari 2015 geëindigd en heeft [appellant] daarna nagelaten de kamer van [naam zoon ] te ontruimen zodat de huur over de volledige opzegtermijn van zes maanden verschuldigd bleef. 2.2 [appellant] heeft de vorderingen bestreden. Volgens hem heeft hij de overeenkomsten bij e-mail van 5 september 2014 met onmiddellijke ingang opgezegd. Tevens heeft hij in reconventie partiële ontbinding van de zorgovereenkomst gevorderd. In dit hoger beroep is zijn reconventionele vordering (en de afwijzende beslissing daarop) niet aan de orde gesteld, zodat het hof deze verder buiten de beoordeling laat. 2.3 Bij vonnis van 22 februari 2017 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de kantonrechter. Die heeft bij vonnis van 4 september 2017 het volgende geoordeeld, kort gezegd: [appellant] heeft de huur- en klantovereenkomsten bij e-mail van 5 september 2014 opgezegd. De overeenkomsten zijn per 1 januari 2015 geëindigd, zodat [appellant] de huur en zorg tot die datum moet betalen. Hij kan de betaling niet opschorten. Omdat de kamer van [naam zoon ] niet was ontruimd, moet [appellant] ook een gebruiksvergoeding voor drie maanden (tot en met maart 2015) en de ontruimingskosten betalen. Hij is de wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten verschuldigd. de omvang van het hoger beroep 3. Bij appeldagvaarding is [appellant] tegen zowel het vonnis van 22 februari 2017 als het vonnis van 4 september 2017 in hoger beroep gekomen. In zijn memorie van grieven heeft hij uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat hij alleen grieven heeft tegen het vonnis van 4 september 2017. Omdat [appellant] niet heeft gegriefd tegen het verwijzingsvonnis van 22 februari 2017, is hij niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep daartegen. Het hof zal hem niet-ontvankelijk verklaren voor zover het dit vonnis betreft en dit vonnis in dit arrest verder buiten beschouwing laten. de grieven in hoger beroep 4. [appellant] is het niet eens met het vonnis van 4 september 2017 in conventie gewezen. Met grief 1 komt hij op tegen de veroordeling van hemzelf, omdat hij met betrekking tot de huur- en zorgovereenkomsten van [naam zoon ] steeds als bewindvoerder van [naam zoon ] handelde. Zijn grief 2 richt zich tegen het oordeel dat de overeenkomsten pas per 1 januari 2015 zijn geëindigd terwijl hij deze op 5 september 2014, althans op 17 september 2014, heeft opgezegd en ook zodanig handelde dat de overeenkomsten op 27 september 2014 eindigden. Met grief 3 keert hij zich tegen de toegewezen gebruiksvergoeding over 1 januari t/m maart 2015, waartoe hij opmerkt dat van meet af aan duidelijk was dat [naam zoon ] afstand had gedaan van hetgeen op 27 september 2014 in zijn kamer was achtergebleven en subsidiair, dat [geïntimeerden] zelf het achtergeblevene per 1 januari 2015 zouden verwijderen. Met grief 4 stelt [appellant] aan de orde dat de overeenkomsten tussen [naam zoon ] en de vennootschap onder firma zijn gesloten en de individuele vennoten dan niet bevoegd zijn om de vordering te innen en dus niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Met grief 5 keert hij zich tegen het toegewezen bedrag voor voeding, schoonmaak en was omdat na 27 september 2014 daarvoor geen kosten voor [naam zoon ] zijn gemaakt.[geïntimeerden] hebben de grieven bestreden. het oordeel van het hof over de procespartijen 5.1 Met zijn eerste grief heeft [appellant] betoogd dat [geïntimeerden] de verkeerde hebben gedagvaard. Zij hadden niet hem, maar “[appellant] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder” moeten dagvaarden. [geïntimeerden] erkennen dat niet [appellant] , maar [naam zoon ] degene is die de geldvordering verschuldigd is; zij stellen dat zij [appellant] in deze procedure aanspreken in zijn hoedanigheid van bewindvoerder. Teneinde onduidelijkheid hierover weg te nemen, hebben zij hun eis jegens [appellant] in hoger beroep aanvullend geformuleerd met de zinssnede “in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [naam zoon ]”. 5.2 Het hof merkt dienaangaande het volgende op. [geïntimeerden] hebben de in geding zijnde klantovereenkomst gesloten met [naam zoon ] als ‘klant’ en mevrouw [X] “optredend als de (wettelijk) vertegenwoordiger/gemachtigde” van [naam zoon ] . De klantovereenkomst is niet door [naam zoon ] zelf ondertekend, maar door mevrouw [X] . De huurovereenkomst hebben [geïntimeerden] gesloten met [appellant] “als gemachtigde/wettelijk vertegenwoordiger” van [naam zoon ] , met [naam zoon ] als ‘huurder’ (hij gebruikt het gehuurde als woonruimte). Ook deze overeenkomst is niet door [naam zoon ] zelf ondertekend. 5.3 Het hof gaat er daarom vanuit dat zowel [geïntimeerden] als [X] en [appellant] er van meet af aan van op de hoogte waren dat [naam zoon ] niet in staat is om zelf huur- en zorgovereenkomsten aan te gaan en zich wettelijk moet laten vertegenwoordigen. Uit het voorgaande blijkt dat zijn beschermingsbewindvoerder hiertoe telkens als zijn gemachtigde/wettelijk vertegenwoordiger handelde. [naam zoon ] kon de overeenkomsten ook niet zelf beëindigen. Op grond van artikel 1:441 BW vertegenwoordigde de bewindvoerder hem. [appellant] heeft de overeenkomsten dus namens [naam zoon ] opgezegd. [geïntimeerden] kunnen [naam zoon ] niet in rechte betrekken; de bewindvoerder vertegenwoordigt hem in en buiten rechte. 5.4 Gelet op het voorgaande konden [geïntimeerden] [appellant] – niet [naam zoon ] – dagvaarden. Zij hebben dit gedaan en [appellant] is in rechte verschenen. Direct bij conclusie van antwoord in eerste aanleg heeft [appellant] opgemerkt dat hij is aan te merken als de formele procespartij, terwijl [naam zoon ] de materiële procespartij is. Dit is nimmer bestreden. [geïntimeerden] hebben bovendien bij memorie van antwoord met de herformulering van hun eis expliciet kenbaar gemaakt dat zij [appellant] q.q. aanspreken. 5.5 Bij die stand van zaken heeft [appellant] geen in rechte te respecteren belang bij zijn grief dat [geïntimeerden] niet de juiste persoon hebben gedagvaard enkel omdat zij de hoedanigheid waarin zij [appellant] dagvaardden niet uitdrukkelijk in de inleidende dagvaarding hebben vermeld. Het hof verwerpt de grief daarom. Het hof ziet wel aanleiding om de hoedanigheid van [appellant] in dit arrest uitdrukkelijker te vermelden, opdat er geen misverstand over bestaat dat hij in deze zaak slechts optreedt als vertegenwoordiger van [naam zoon ] . [naam zoon ] was de huurder, klant en contractuele wederpartij van [geïntimeerden] , die als de materiële procespartij de overeenkomsten moet nakomen. 5.6 Met zijn vierde grief heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ( [geïntimeerden] ) niet bevoegd zijn om de vorderingen te innen, omdat de overeenkomsten zijn gesloten met hun vennootschap onder firma. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hadden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, aldus de grief. 5.7 Deze grief faalt. Beide overeenkomsten die in het geding zijn, zijn gesloten met de vennootschap onder firma die vertegenwoordigd wordt door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]. Een vennootschap onder firma heeft geen rechtspersoonlijkheid en is dus niet zelfstandig draagster van subjectieve rechten en verplichtingen; een vorderingsrecht van de vennootschap komt toe aan de gezamenlijke vennoten. Niet in geschil is dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de gezamenlijke vennoten zijn; zij waren en zijn de enige (beherend) vennoten van de (opvolger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.