ECLI:NL:GHDHA:2020:2244
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.257.056/01 Zaaknummer rechtbank : 6683704 CV EXPL 18-7216 arrest van 8 december 2020 inzake 1 [naam ] Transport B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. [naam B.V.] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , 3. [naam ] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , 4. ASR Schadeverzekeringen N.V., gevestigd te Utrecht, 5. Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., gevestigd te Den Haag, appellanten, hierna te noemen: [naam ] Transport, [naam B.V.] , [naam ] Beheer, ASR, Nationale-Nederlanden, en gezamenlijk ook: [naam ] c.s.; advocaat: mr. N.R. Huiskamp te Moerdijk, tegen 1 [naam VOF] , gevestigd te [vestigingsplaats 3] , 2. [geïntimeerde 2] , wonende te [vestigingsplaats 4] , 3. [geïntimeerde 3] , wonende te [vestigingsplaats 4] , 4. [geïntimeerde 4], wonende te [vestigingsplaats 5] , geïntimeerden, hierna te noemen: [naam VOF] c.s. (geïntimeerden sub 1 t/m 3) en [geïntimeerde 4] (geïntimeerde 4), advocaat: mr. W.M. van Rossenberg te Rotterdam.
Waar gaat deze zaak over?
Deze zaak gaat over schade aan een trailer van [naam ] Beheer, die ontstond door een eenzijdig ongeval. De trailer van [naam ] Beheer werd ten tijde van dit voorval getrokken door een trekker met chauffeur van [naam VOF] c.s. Volgens [naam ] c.s. zijn [naam VOF] c.s. aansprakelijk voor de schade. De trailer was door [naam ] Beheer via [naam B.V.] casco verzekerd. [naam VOF] c.s. stellen zich onder meer op het standpunt dat zij gelden als verzekerden onder deze casco-polis.
Het verloop van de procedure in hoger beroep Bij het hof zijn tot aan de datum van het pleidooi de volgende stukken ingediend:
Bij arrest van 7 mei 2019 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie is niet doorgegaan.
Op 7 september 2020 heeft een pleidooi plaatsgevonden. De advocaten van beide partijen hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. Na afloop van het pleidooi is een datum voor arrest bepaald.
Enkele feiten en de procedure in eerste aanleg 1. De kantonrechter heeft enige feiten vastgesteld. Deze zijn in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Het hof zal hieronder daarnaast enkele aanvullende feiten vermelden die door de ene partij zijn gesteld en door de andere niet gemotiveerd zijn tegengesproken.
2.1 [naam ] Transport is een transportbedrijf. [naam ] Beheer is bestuurder en aandeelhouder van [naam ] Transport. [naam ] Transport huurt het door haar ingezette materieel van [naam ] Beheer, waaronder een trailer met kenteken [kenteken] .
2.2 Ook [naam VOF] c.s. drijven een transportbedrijf. [geïntimeerde 4] is een werknemer van [naam VOF] c.s. [naam ] Transport gaf regelmatig opdrachten aan [naam VOF] c.s. tot het vervoeren van goederen. Op 1 augustus 2016 reed [geïntimeerde 4] met een combinatie, die bestond uit een trekker van [naam VOF] c.s. en de in de vorige alinea genoemde trailer van [naam ] Beheer (hierna: de trailer). [geïntimeerde 4] heeft toen met de combinatie een boom(tak) geraakt waardoor schade is ontstaan aan de trailer.
2.3 [naam VOF] c.s. hebben op 29 augustus 2016 een factuur gestuurd aan [naam ] Transport ten bedrag van € 2.947,73 exclusief BTW terzake van “In uw opdracht verrichte transportwerkzaamheden in week 31”.
2.4 [naam B.V.] is gevolmachtigd verzekeringsagent. [naam ] Beheer heeft door tussenkomst van [naam B.V.] een cascoverzekering gesloten voor de trailer. Risicodragers op de polis zijn ASR en Nationale-Nederlanden, ieder voor 50%.
2.5 De polisvoorwaarden (Algemene Polisvoorwaarden VR 1-11 vrachtauto’s, aanhangers en opleggers) behorende bij deze verzekeringsovereenkomst bestaan uit een algemeen gedeelte, waaronder een aantal definities, en verschillende rubrieken, waaronder “Rubriek C Cascoverzekering”. Artikel 3 van het deel “definities” luidt als volgt: “3. Verzekerden 3.1 De verzekeringnemer, de bezitter te goeder trouw, de eigenaar, de houder en de gemachtigde bestuurder van het object, alsmede de personen die zich met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van een daartoe bevoegd persoon in of op het object bevinden, dan wel in, uit of van het object stappen.
3.2 De werkgever, die krachtens artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door één van de in 3.1 vermelde personen, mits deze personen zelf rechten aan deze verzekering kunnen ontlenen en niet een andere verzekering de werkgever tegen het risico van aansprakelijkheid dekking verleent of zou hebben verleend, indien de onderhavige verzekering niet zou hebben bestaan.”
2.6 [naam B.V.] heeft aan [naam ] Beheer vanwege de schade aan de trailer na aftrek van het eigen risico van € 1.000,= een bedrag van € 7.851,19 uitgekeerd.
2.7 [naam VOF] c.s. hebben bij Reaal een container-/trailerverzekering afgesloten, die dekking biedt voor de aansprakelijkheid voor schade aan objecten als omschreven in de bijlage, voor zover deze bij verzekeringnemer in gebruik zijn op basis van een “Interchange Agreement” of soortgelijke overeenkomst. Artikel 2.5 van de bijbehorende polisvoorwaarden bepaalt: “Secundaire karakter van de dekking Indien schade, welk onder dit artikel is gedekt, tevens is gedekt onder één of meer andere polissen al dan niet van oudere datum, of gedekt zou zijn indien deze verkering [verzekering, hof] niet zou hebben bestaan[d], dan loopt de dekking slechts als excedent boven de dekking die onder de andere polis(en) is of wordt verleend, ongeacht of in de andere polis(sen) een samenloopartikel is opgenomen. In geen geval komt het eventuele eigen risico van een andere verzekering onder deze verzekering voor vergoeding in aanmerking.”
2.8 [naam B.V.] heeft [naam VOF] c.s. bij brief van 21 februari 2017 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het op 1 augustus 2016. Deze brief bevat de volgende passages: “(…) Als tussenpersoon vorderen wij de geleden schade € 8.851,19. De schade werd reeds door een door uw verzekeraar benoemde expert opgenomen. Uit e‑mailcorrespondentie hebben wij vernomen dat het bedrag overeenkomt met het expertiserapport. Tevens vordering [vorderen, hof] wij de schade voor de stilstand van het object. Deze schade bedrag € 1.820,--. (…).”
2.9 Op 22 februari 2017 stuurden [naam VOF] c.s. een email aan [naam B.V.] . Deze email houdt onder andere in: “Ten tijde van de schade is er een schadeformulier ingevuld met onze verzekeringsgegevens. Tot 2 weken geleden dachten wij dat deze schade al lang betaald was, omdat dat altijd door de verzekeringsmaatschappijen onderling geregeld wordt. Wij verzoeken u de claim neer te leggen bij onze verzekeringsmaatschappij”.
2.10 [naam VOF] c.s. hebben niet voldaan aan het verzoek van [naam ] c.s. om de schade te vergoeden. Hun verzekeraar (Reaal) heeft dat ook niet gedaan. Op 29 mei 2017 schreef de advocaat van [naam VOF] c.s., mr. Van Rossenberg, het volgende aan [naam B.V.] : “(…) [naam ] Beheer B.V. heeft bij u voor verzekering van opgemelde trailer zorggedragen (…) Blijkens artikel 3 [van de polisvoorwaarden] zijn als verzekerden aan te merken de verzekeringnemer, de bezitter te goeder trouw, de eigenaar, de houder en de gemachtigde bestuurder. Duidelijk is dan ook, dat [naam VOF] mede als verzekerde onder de casco-polis is aan te merken. (…) De onderhavige schade is dan ook naar mijn mening onder de polis gedekt. [naam VOF] doet dan ook, voor zoveel nodig, een beroep op de bij u gesloten polis (…).”
De beoordeling van de vorderingen in hoger beroep 6. In hoger beroep vorderen [naam ] c.s. dat de vonnissen van de kantonrechter worden vernietigd en dat hun vorderingen alsnog worden toegewezen. [naam VOF] c.s. concluderen dat de vorderingen van [naam ] c.s. moeten worden afgewezen en dat de vonnissen worden bekrachtigd. [naam VOF] c.s. hebben incidenteel appel ingesteld en daarbij bezwaar gemaakt tegen een aantal overwegingen in het vonnis van 30 november 2018 van de kantonrechter. [naam ] c.s. hebben geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de incidentele grief. Omdat de incidentele grieven niet tot conclusie hebben dat de vonnissen van de kantonrechter vernietigd moeten worden, zullen de incidentele grieven worden betrokken bij de bespreking van het door [naam ] c.s. ingestelde hoger beroep.
De vorderingen en de ontvankelijkheid in hoger beroep 7. [naam ] c.s. hebben gevorderd dat [naam VOF] c.s. en [geïntimeerde 4] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling “aan eiseressen” van de hierboven genoemde bedragen. [naam ] c.s. hebben niet verduidelijkt welke bedragen aan welk van de eiseressen verschuldigd zijn. Uit de toelichting van [naam ] c.s. op haar vorderingen volgt echter dat het gaat om verschillende vorderingen, ingesteld door verschillende partijen (zie onder meer inleidende dagvaarding sub 5 onder het kopje “vorderingsrechten” en de memorie van grieven onder IV “De vorderingen & de vorderingsrechten”): Een vordering van € 7.851,19, het bedrag dat door de verzekeraar van [naam ] c.s. in verband met de (casco)schade aan de trailer is vergoed aan [naam ] Beheer B.V.
Het hof begrijpt dat het standpunt van [naam ] c.s. is dat de verzekeraars van [naam ] c.s. (ASR en Nationale-Nederlanden) voor dit bedrag zijn gesubrogeerd in de rechten van [naam ] Beheer B.V., en dat [naam B.V.] een last/volmacht van verzekeraars heeft om op eigen naam in rechte de betaling van deze bedragen te vorderen. Het hof gaat er van uit dat betaling van dit bedrag aan [naam B.V.] wordt gevorderd. Hetzelfde geldt voor het gevorderde bedrag van € 908,56 aan buitengerechtelijke kosten. Een vordering van € 1.000,- betrekking hebbend op de (casco)schade aan de trailer die niet is vergoed door verzekeraars in verband met het overeengekomen eigen risico.
Het hof gaat er van uit dat betaling van dit bedrag aan [naam ] Beheer (eigenaar van de trailer) wordt gevorderd. Een vordering van € 1.820,- bestaande uit de kosten van het inhuren van vervangend materieel.
Het hof begrijpt uit de toelichting door [naam ] c.s. (waaronder de aan [naam ] Transport gerichte factuur voor de huur van dit materieel) dat betaling van dit bedrag aan [naam ] Transport wordt gevorderd.
Ontvankelijkheid in hoger beroep 8. Gezien het voorgaande is sprake van subjectieve cumulatie van vorderingen. Per vordering moet het hof (ambtshalve) beoordelen of is voldaan aan de appelgrens van € 1.750,= (artikel 332 Rv.). Voor wat betreft de vordering van € 1.000,= van [naam ] Beheer is niet aan deze grens voldaan, ook niet als bij dat bedrag wordt opgeteld de gevorderde wettelijke rente van 1 augustus 2016 tot de datum van inleidende dagvaarding in eerste aanleg. [naam ] Beheer zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
De omvang van het hoger beroep 9. [naam ] c.s. hebben in hoger beroep in de memorie van grieven:
De aard van de overeenkomst 12. Het hof stelt vast dat [naam VOF] c.s. na een mondeling gesloten overeenkomst aan [naam ] Transport een trekker met chauffeur ter beschikking heeft gesteld ter uitvoering van door [naam ] Transport aangegeven ritten, waarvoor [naam VOF] c.s. een vergoeding aan [naam ] Transport in rekening bracht. Het hof kwalificeert deze overeenkomst als een overeenkomst van (tijd/reis)bevrachting als bedoeld in artikel 8:1093 BW en daarmee als een overeenkomst van goederenvervoer oftewel vervoersovereenkomst (artikel 8:1090 BW). Door [naam VOF] c.s. is niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat de door [naam ] c.s. als productie 7 bij de memorie van grieven in het geding gebrachte factuur van [naam VOF] c.s., die vermeldt “in uw opdracht verrichte transportwerkzaamheden in week 31” (mede) betrekking heeft op het vervoer op 1 augustus 2016, de datum van de schade. De omschrijving op deze factuur sluit aan bij de kwalificatie als vervoersovereenkomst. Het hof volgt niet de stelling van [naam VOF] c.s. dat sprake is van een situatie van huur/inlener van een trailer met chauffeur. Artikel 8:1094 BW bepaalt immers dat de wetsbepalingen omtrent huur niet van toepassing zijn op de terbeschikkingstelling van een voertuig met bestuurder.
De door [naam B.V.] gevorderde vergoeding van (casco)schade 15. Als meest verstrekkend verweer met betrekking tot de door [naam B.V.] gevorderde vergoeding van (casco)schade hebben [naam VOF] c.s. aangevoerd dat niet gebleken is dat [naam B.V.] van de verzekeraars ASR en Nationale-Nederlanden (die op grond van subrogatie in de rechten van [naam ] c.s. zijn getreden) een last heeft ontvangen om deze procedure op eigen naam te voeren. Dit verweer wordt verworpen. Uit het feit dat de verzekeraars zich aan de zijde van [naam B.V.] hebben gevoegd, volgt naar het oordeel van het hof dat de verzekeraars het bestaan van de desbetreffende last erkennen. Het is daarom niet nodig dat een schriftelijke last wordt overgelegd.
24 Het voorgaande brengt mee dat de door verzekeraars (via [naam B.V.] ) uitgekeerde cascoschade niet op [naam VOF] c.s. kan worden verhaald.
De vordering van [naam ] Transport betreffende de kosten van het inhuren van vervangend materieel 25. In nummer 14 hierboven is al geoordeeld dat [naam VOF] c.s. als bruiklener gehouden waren om de trailer onbeschadigd te retourneren. In die verplichting zijn zij toerekenbaar te kort geschoten. Dit brengt mee dat [naam ] Transport aanspraak kan maken op de daardoor veroorzaakte schade, op de voet van artikel 6:74 BW ook de gevolgschade, doordat zij een andere trailer heeft moeten huren gedurende de herstelperiode.
De buitengerechtelijke kosten 28. Het hof begrijpt uit de toelichting op de vorderingen, dat vergoeding van de buitengerechtelijke kosten door [naam B.V.] gevorderd wordt, die daartoe een last heeft gekregen van de verzekeraars. Omdat de vordering van [naam B.V.] / de verzekeraars niet wordt toegewezen, ziet het hof ook geen aanleiding vergoeding van de buitengerechtelijke kosten toe te wijzen. Door [naam ] c.s. is niet toegelicht dat deze kosten mede zijn gemaakt ten behoeve van het innen van de vordering van [naam ] Transport.
Slotsom ten aanzien van de verschillende vorderingen 29. Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies:
Beslissing Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, H.J. van Kooten en F. Smeele en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2020 door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.