GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.283.867/01 Zaak- / rolnummer rechtbank : C/09/594686 / KG ZA 20-552 Arrest in kort geding van 8 december 2020 in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van: [appellant], verblijvende in [plaatsnaam], appellant in het principaal appel,verweerder in het voorwaardelijk incidenteel appel, nader te noemen: [appellant] , advocaat: mr. J.M. Lintz te Den Haag, tegen: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelende te Den Haag, geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. G.C. Nieuwland te Den Haag. Het geding Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken, waarvan het hof kennis heeft genomen: het procesdossier van eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:10357); (hierna: het bestreden vonnis); de dagvaarding in hoger beroep (na verlof spoedappel) van 31 augustus 2020, met daarin opgenomen de grieven (met producties); de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel (met producties); de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel. Vervolgens is de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 20 november 2020 toegelicht aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Hierna is arrest bepaald. Beoordeling van het hoger beroep De feiten 1. De voorzieningenrechter is in het bestreden vonnis (in overwegingen 2.1 tot en met 2.7) van een aantal feiten uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Daarom gaat ook het hof hiervan uit. 2. Deze feiten en hetgeen verder in hoger beroep aannemelijk is geworden, komen samengevat op het volgende neer.(2.1) Aan [appellant] is op 4 februari 2015 een (inmiddels onherroepelijke) ontnemingsmaatregel opgelegd, strekkende tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 639.286,62. Hierop is een bedrag van € 717,60 door [appellant] betaald. Op 8 mei 2019 heeft de advocaat-generaal wegens niet-betaling verlof tenuitvoerlegging lijfsdwang voor de duur van 1080 dagen gevorderd op grond van het toen geldende artikel 577c Sv. Deze vordering is door de (straf)raadkamer van dit hof toegewezen bij beschikking van 27 februari 2020 (hierna ook: de lijfsdwangbeschikking). [appellant] is sinds 20 mei 2020 in verband hiermee gedetineerd. De einddatum van de lijfsdwang is bepaald op 5 mei 2023.(2.2) Op 27 mei 2020 heeft [appellant] op grond van artikel 577c lid 7 Sv (oud) een verzoek tot opheffing van de lijfsdwang ingediend bij het gerechtshof Den Haag, stellende dat hij niet in staat is om het ontnemingsbedrag te voldoen. Op 4 augustus 2020 heeft [appellant] nogmaals bij het hof een verzoek tot opheffing lijfsdwang ingediend. Daarin heeft hij gesteld dat per 1 januari 2020 de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Wet USB) in werking is getreden, zodat sindsdien geen lijfsdwang meer toegepast kan worden, maar enkel het dwangmiddel gijzeling. (2.3) De strafraadkamer van het hof heeft bij beschikking van 18 september 2020 (hierna ook: de 18 september-beschikking) beide in overweging (2.2) bedoelde verzoeken afgewezen, dit onder meer met verwijzing naar de inhoudelijke overwegingen in de lijfsdwangbeschikking van 27 februari 2020 en het ontbreken van andere feiten en omstandigheden. Voorts is in de 18 september-beschikking onder meer het volgende overwogen.- Anders dan waar de wetgever volgens het overgangsrecht van de Invoeringswet USB vanuit lijkt tegaan, werd vóór 1 januari 2020 bij oplegging van de ontnemingsmaatregel niet reeds (de maximale duur van) de lijfsdwang bepaald. Pas als volledige betaling van de opgelegde ontnemingsmaatregel uitbleef, kon het openbaar ministerie ex artikel 577c, eerste lid, (oud) Sv verlof tot tenuitvoerlegging vorderen. - Het overgangsrecht Wet USB moet daarom redelijkerwijs zo worden uitgelegd dat de regeling van artikel 577c (oud) Sv ook na 1 januari 2020 blijft gelden op ontnemingsmaatregelen die vóór 1 januari 2020 zijn opgelegd. - Er is geen sprake van verandering van wetgeving in het sanctierecht die gunstiger luidt voor de veroordeelde ([appellant]) en die daarom met onmiddellijke ingang moet worden toegepast. Ook overigens is de hier aan de orde zijnde verandering van wetgeving niet gunstiger voor [appellant]. - De strafraadkamer is daarom in dit geval bevoegd om kennis te nemen van de beide verzoeken tot opheffing van de lijfsdwang. - Er is sprake van betalingsonwil en niet van betalingsonmacht.(2.4) Blijkens de Memorie van Toelichting op de Wet USB (Stb. 2017, 82) voorziet deze wet in een nieuwe regeling voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen in Sv, heeft de wet een technisch karakter en maakt de wet onderdeel uit van de modernisering van Sv. De meest in het oog springende wijziging, aldus deze toelichting, is de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie naar de Minister van Justitie en Veiligheid. De procedure bij de voorzieningenrechter 3. [appellant] heeft in eerste aanleg (samengevat) gevorderd om de Staat te gebieden hem per direct in vrijheid te stellen, omdat hij niet de financiële middelen heeft om tot betaling van de ontnemingsmaatregel over te kunnen gaan (en er dus sprake is van betalingsonmacht, niet van betalingsonwil). Volgens [appellant] handelt de Staat onrechtmatig en in strijd met de artikelen 5 en 18 EVRM door hem onder die omstandigheden langer vast te houden. 4. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen. Daartoe heeft hij (kort weergegeven) als volgt overwogen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.