← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2020:234

GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.197.079/01 Zaak-/rolnummers rechtbank : C/09/477160 / HA ZA 15-1; C/09/477162 / HA ZA 15-2 en C/09/481619 / HA ZA 15-112 arrest van 18 febru

Article 44

, to the extent that such provisional application is not inconsistent with its constitution, laws or regulations. 2. (

  1. a)Notwithstanding paragraph 1 any signatory may, when signing, deliver to the Depository a declaration that it is not able to accept provisional application. The obligation contained in paragraph 1 shall not apply to a signatory making such a declaration. Any such signatory may at any time withdraw that declaration by written notification to the Depository. (
  2. b)Neither a signatory which makes a declaration in accordance with subparagraph a nor Investors of that signatory may claim the benefits of provisional application under paragraph 1. (
  3. c)Notwithstanding subparagraph a), any signatory making a declaration referred to in subparagraph a shall apply Part VII provisionally pending the entry into force of the Treaty for

Article 44

, to the extent that such provisional application is not inconsistent with its laws or regulations. 3. (

  1. a)Any signatory may terminate its provisional application of this Treaty by written notification to the Depository of its intention not to become a Contracting Party to the Treaty. Termination of provisional application for any signatory shall take effect upon the expiration of 60 days from the date on which such signatory’s written notification is received by the Depositary. (
  2. b)In the event that a signatory terminates provisional application pursuant to subparagraph a), the obligation of the signatory under paragraph 1 to apply Parts III and V with respect to any investments made in its area during such provisional application by investors of other signatories shall nevertheless remain in effect with respect to those investments for twenty years following the effective date of termination, except as otherwise provided in subparagraph c). (
  3. c)Subparagraph
  4. b)shall not apply to any signatory listed in Annex PA. A signatory shall be removed from the list in Annex PA effective upon delivery to the Depositary of its request therefor.” 4.5.2 Het gaat thans in de eerste plaats om de uitleg van de zinsnede ‘to the extent that such provisional application is not inconsistent with its constitution, laws or regulations’ (de Limitation Clause) in art. 45 lid 1 ECT. De standpunten die partijen daarover hebben ingenomen en de overwegingen van het Scheidsgerecht en de rechtbank zijn samengevat de volgende. b. Het standpunt van de Russische Federatie 4.5.3 De Russische Federatie stelt zich op het standpunt dat het er om gaat of een afzonderlijke bepaling van de ECT (in dit geval art. 26) strijdig is met Russisch recht. Daarop wijst het gebruik van de term ‘regulations’, want dat het beginsel van voorlopige toepassing zou zijn geregeld in ‘regulations’, regelgeving van lagere orde dan een wet, is niet aannemelijk. Ook het gebruik van de woorden ‘to the extent’ wijst hierop, want deze woorden stroken niet met een uitleg waarin het er alleen maar om gaat of het beginsel van voorlopige toepassing wel of niet bekend is binnen de desbetreffende staat. In dit laatste geval zou ‘if’ in plaats van ‘to the extent’ zijn gebruikt, maar dat is niet gebeurd. Daarnaast beroept de Russische Federatie zich op de travaux préparatoires, waaruit naar haar mening blijkt dat de onderhandelende staten voorzagen dat de Limitation Clause zou kunnen leiden tot gedeeltelijke voorlopige toepassing van het Verdrag en ook dat minder belangrijke nationale regels konden leiden tot het buiten toepassing laten van verdragsbepalingen die daarmee niet verenigbaar zijn. Voorts beroept de Russische Federatie zich op de statenpraktijk, onder meer de ‘1994 EU Joint Statement’, die haar standpunt zou onderschrijven. c. Het standpunt van HVY 4.5.4 HVY voeren primair aan dat het er om gaat of het beginsel van voorlopige toepassing strijdig is met Russisch recht. Volgens HVY negeert de Russische Federatie de woorden ‘such provisional application’ en wil zij de Limitation Clause als volgt herschrijven: “to the extent that such provisional application the Treaty’s provisions are not inconsistent with its constitution, laws or regulations”. Een dergelijke bepaling is tijdens de onderhandelingen over het Verdrag voorgesteld door de Japanse delegatie, maar die is niet geaccepteerd. Voor een investeerder die overweegt in een verdragsstaat te investeren, is het onmogelijk te beoordelen of er in de nationale wet- of regelgeving van die staat niet enig voorschrift te vinden is dat onverenigbaar is met een bepaling van de ECT. Of een staat het beginsel van voorlopige toepassing van verdragen kent is daarentegen vrij eenvoudig na te gaan. De situatie waarin zich strijdigheden voordoen tussen ECT-bepalingen en nationaal recht wordt bovendien in andere bepalingen dan art. 45 lid 1 ECT geregeld. Art. 32 ECT bevat namelijk bepalingen die bepaalde staten enige tijd geven om hun wettelijke regimes aan te passen aan de voorschriften van de ECT. In het hoger beroep van dit vernietigingsgeding hebben HVY hieraan toegevoegd dat, ook indien zou moeten worden aangenomen dat de Limitation Clause geen betrekking heeft op het beginsel van voorlopige toepassing, het toch in ieder geval gaat om de vraag of de voorlopige toepassing van een of meer bepalingen van de ECT onverenigbaar is met nationaal recht, niet of enige bepaling van de ECT op zichzelf in strijd is met nationaal recht. d. De overwegingen van het Scheidsgerecht 4.5.5 Het Scheidsgerecht heeft overwogen dat het (primaire) standpunt van HVY juist is. Cruciaal is volgens het Scheidsgerecht het woord ‘such’ in de zinsnede ‘such provisional application’. Het woord ‘such’ verwijst naar wat voorafging, zodat bedoeld is ‘the provisional application of this Treaty’, hetgeen het Scheidsgerecht opvat als een verwijzing naar ‘the entire Treaty’. Volgens het Scheidsgerecht behelst art. 45 lid 1 ECT daarmee een ‘all or nothing’ benadering: of het volledige Verdrag wordt voorlopig toegepast, of het wordt in het geheel niet voorlopig toegepast. Het gaat er dan ook om of het beginsel van voorlopige toepassing verenigbaar is met het nationale recht van een verdragsstaat. Een uitleg die voorlopige toepassing afhankelijk zou maken van de verenigbaarheid van iedere bepaling van de ECT met nationaal recht zou ingaan tegen ‘object and purpose’ van de ECT en indruisen tegen het wezen van internationaal recht. Indien de verdragsstaten dit laatste zouden hebben beoogd zouden zij dit duidelijk hebben moeten overeenkomen, maar dat is niet gebeurd. e. De overwegingen van de rechtbank 4.5.6 De rechtbank heeft de uitleg van de Russische Federatie gevolgd. De rechtbank wijst erop dat de woorden ‘to the extent’ ook in een aantal andere authentieke taalversies van de ECT ‘in dem Mae’, ‘dans la mesure où’) en in de (niet authentieke) Nederlandse versie (‘voor zover’) voorkomen en een reikwijdte of differentiatie weergeven (rov. 5.11). Dit wijst meer op de juistheid van de door de Russische Federatie verdedigde uitleg. Het Scheidsgerecht heeft ten onrechte beslissende betekenis toegekend aan de term ‘such’. Aan het gebruik van die term komt weinig betekenis toe, aangezien vanzelf spreekt dat deze term verwijst naar het Verdrag; een andere lezing is niet goed denkbaar. Daarmee is niets gezegd over de vraag of de voorlopige toepassing alleen betrekking heeft op het Verdrag als geheel, dus op het principe van voorlopige toepassing, of slechts op delen daarvan, en dus op afzonderlijke verdragsbepalingen (rov. 5.12). Daarentegen acht de rechtbank wel relevant dat art. 45 lid 1 ECT de onverenigbaarheid van voorlopige toepassing niet alleen in verband brengt met de ‘constitution’ en ‘laws’, maar ook met ‘regulations’. Niet goed denkbaar is dat een verbod op voorlopige toepassing van een verdrag, gegeven het principiële karakter daarvan, is neergelegd in lagere wetgeving (rov. 5.13). De rechtbank hecht, anders dan het Scheidsgerecht, belang aan art. 45 lid 2(
  5. c)ECT dat, in vrijwel dezelfde terminologie als de Limitation Clause, de reikwijdte van de voorlopige toepassing afhankelijk maakt van de verenigbaarheid van deel VII van het Verdrag met (lagere) wetgeving (‘laws and regulations’). Art. 45 lid 2(
  6. c)ECT heeft daarbij het oog op de specifieke verdragsbepalingen uit dat deel VII en niet op het beginsel van voorlopige toepassing (rov. 5.14-5.15). Het argument van het Scheidsgerecht dat de door hem verworpen uitleg van de Limitation Clause volledig zou indruisen tegen het voorwerp en het doel van de ECT en de aard van het internationale recht volgt de rechtbank niet. Het Scheidsgerecht heeft niet geëxpliciteerd in hoeverre een gelimiteerde toepassing van de verdragsbepalingen zou indruisen tegen dat doel. Het staat partijen vrij de voorlopige toepassing van een verdrag uitdrukkelijk te beperken door verwijzing naar bepalingen van nationaal recht (rov. 5.19). De statenpraktijk laat de rechtbank buiten beschouwing, aangezien geen van partijen heeft gesteld dat sprake is van een (brede) uitvoeringspraktijk die door alle betrokken staten wordt gedragen (rov. 5.21). Voor het gebruik van de travaux als aanvulling op de uitleg van de Limitation Clause bestaat geen grond, aangezien de daaraan door de rechtbank gegeven interpretatie niet tot een onduidelijke of duistere betekenis leidt, noch tot een resultaat dat duidelijk ongerijmd of onredelijk is (rov. 5.22). Ten overvloede wijst de rechtbank nog op de mening van de heer Bamberger, voorzitter van de juridische adviescommissie van de Conferentie over het Europese Energiehandvest (hierna: Bamberger), die in reactie op een vraag van de secretaris-generaal van de ECT Conferentie de volgende uitleg heeft gegeven aan de toevoeging van de term ‘regulations’: “the effect is to suggest that relatively minor impediments in the form of regulations, no matter how insignificant they may be, can be the occasion for failing to apply the Treaty provisionally when in fact those regulations could be brought into conformity without serious effort.” 4.5.7 Ten aanzien van de term ‘not inconsistent’ heeft de rechtbank overwogen dat de voorlopige toepassing van art. 26 ECT niet alleen in strijd met Russisch recht komt indien deze bepaling in dat recht wordt verboden, maar ook indien een dergelijke wijze van geschilbeslechting geen wettelijke grondslag heeft, of niet past in het wettelijk systeem of niet verenigbaar is met de uitgangspunten en beginselen die zijn neergelegd in of kenbaar zijn uit de wetgeving (rov. 5.33). f. Het oordeel van het hof 4.5.8 In het navolgende zal het hof, om de uitleg van de Limitation Clause te kunnen vaststellen, deze aan de hand van de volgende elementen van art. 31 lid 1 WVV aan een onderzoek onderwerpen: (
  7. i)de gewone betekenis van de termen van de Limitation Clause, (
  8. ii)de context van deze termen en (iii) het voorwerp en doel van het Verdrag. Vervolgens zal het hof ingaan op (
  9. iv)de ‘statenpraktijk’ (art. 31 lid 3(
  10. b)WVV). Daarna (
  11. v)zal het hof aan de hand van deze elementen gezamenlijk de uitleg van de Limitation Clause conform de uitlegregels van art. 31 WVV vaststellen, waarbij het hof onder (
  12. vi)(ten overvloede) aandacht zal besteden aan de travaux préparatoires. Vervolgens zal het hof (onder vii) ingaan op de uitleg van ‘not inconsistent’ in de Limitation Clause. Onder (viii) volgt de conclusie. (
  13. i)De gewone betekenis van de termen van de Limitation Clause 4.5.9 Bij het vaststellen van de betekenis van de Limitation Clause neemt het hof tot uitgangspunt dat de uitleg van die bepaling zoveel mogelijk recht moet doen aan de gewone betekenis van de daarin gebruikte termen, niet alleen in die zin dat die uitleg in beginsel niet tot gevolg mag hebben dat bepaalde bewoordingen anders moeten worden begrepen dan hun gewone betekenis aangeeft, maar ook dat die uitleg niet tot gevolg mag hebben dat bepaalde woorden overbodig zijn of zonder betekenis blijven. “(….) [W]ords must be given effect”. Het primaire standpunt van HVY (en het Scheidsgerecht), alsmede het standpunt van de Russische Federatie (en het daarop aansluitende oordeel van de rechtbank), voldoen niet aan dit criterium. 4.5.10 De rechtbank heeft er, wat het primaire standpunt van HVY en het oordeel van het Scheidsgerecht betreft, terecht op gewezen dat in die ‘alles-of-niets’ interpretatie de woorden ‘to the extent’ niet hun gewone betekenis hebben. De woorden ‘to the extent’ (‘in dem Mae’, ‘dans la mesure où’ in de eveneens authentieke Duitse en Franse verdragsteksten) duiden er immers op dat er gradaties mogelijk zijn in de mate waarin de voorlopige toepassing van de ECT buiten toepassing moet worden gelaten wegens onverenigbaarheid met nationaal recht, in die zin dat bepaalde onderdelen of bepalingen van het Verdrag wel en andere niet voorlopig moeten worden toegepast. Het gebruik van die woorden ligt niet voor de hand in de ‘alles of niets’ benadering, waarin het er alleen om gaat of het nationale recht wel of niet het beginsel van voorlopige toepassing erkent. In de uitleg van HVY en het Scheidsgerecht krijgen de woorden ‘to the extent’ in wezen de betekenis van ‘if’, maar dat woord is niet gebruikt. Aan de opvatting van HVY en het Scheidsgerecht kan ook worden tegengeworpen dat in de Limitation Clause het woord ‘beginsel’ (van voorlopige toepassing) of woorden van gelijke strekking niet voorkomen. Indien de (primaire) opvatting van HVY en het Scheidsgerecht juist was, zou voor de hand hebben gelegen dat de Limitation Clause zou luiden: “if the principle of provisional application is not inconsistent with its constitution, laws or regulations”, maar die formulering (of een daarmee vergelijkbare formulering) is niet gebruikt. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat de analyse door het Scheidsgerecht van het woord ‘such’ weinig toevoegt, omdat hoe dan ook duidelijk is dat daarmee wordt verwezen naar de voorlopige toepassing van de ECT. De conclusie van het Scheidsgerecht dat daarmee noodzakelijkerwijs gedoeld is op ‘the entire Treaty’ vindt geen steun in de bewoordingen van de Limitation Clause (en strookt niet met de woorden ‘to the extent’). 4.5.11 Daar staat tegenover dat de door de rechtbank aanvaarde interpretatie van de Russische Federatie evenmin strookt met de bewoordingen van de Limitation Clause. HVY wijzen er terecht op dat in de uitleg van de Russische Federatie en de rechtbank de woorden ‘such provisional application’ geen betekenis hebben, of een andere betekenis dan uit de gewone betekenis van deze woorden volgt. Volgens de Russische Federatie gaat het er immers om of een of meer verdragsbepalingen in strijd zijn met nationaal recht. Indien de verdragspartijen dat hadden bedoeld, zou het voor de hand hebben gelegen dat de Limitation Clause zou luiden: “to the extent that one or more provisions of this Treaty are not inconsistent with its constitution, laws or regulations”, maar zo luidt de Limitation Clause niet. De bewoordingen van de Limitation Clause zoals deze wel luidt, wijzen er onmiskenbaar op dat het er om gaat of ‘such provisional application’ onverenigbaar is met het recht van een verdragsstaat. 4.5.12 De subsidiaire stelling van HVY aangaande de uitleg van de Limitation Clause is dat het gaat om de vraag of de voorlopige toepassing van enige bepaling van de ECT onverenigbaar is met een regel van nationaal recht, niet of enige bepaling van de ECT op zichzelf in strijd is met nationaal recht. Volgens HVY moet worden onderzocht of er bepalingen van nationaal recht zijn die de voorlopige toepassing van bepaalde (categorieën of soorten van) verdragsbepalingen uitsluiten. HVY verwijzen in dat verband naar de opinies van prof. Schrijver, prof. Klabbers en prof. Pellet, die opmerken dat sommige landen de voorlopige toepassing van verdragen geheel uitsluiten, maar dat het ook mogelijk is dat de uitsluiting van voorlopige toepassing alleen betrekking heeft op bepaalde soorten verdragsbepalingen. 4.5.13 Het hof constateert dat met deze subsidiaire interpretatie van HVY zowel aan de woorden ‘to the extent’ als ‘such provisional application’ recht wordt gedaan overeenkomstig hun gewone betekenis. Indien nationaal recht voorlopige toepassing van bepaalde soorten verdragsbepalingen onmogelijk maakt, leidt dit in zoverre tot een beperkte voorlopige toepassing, namelijk voor zover de bepalingen van het verdrag niet onder dat verbod vallen. Deze uitleg is ook in overeenstemming met de woorden ‘regulations’ in ‘constitution, laws or regulations’. Bij de ECT is een groot aantal staten aangesloten met diverse wettelijke regimes en juridische tradities. Het is zeker niet op voorhand uitgesloten dat regels die bepaalde (categorieën van) verdragsbepalingen van voorlopige toepassing uitsluiten (althans mede) te vinden zijn in regelgeving van lagere orde dan een door het parlement aangenomen wet, bijvoorbeeld in (lagere) regelgeving die is gebaseerd op een dergelijke wet. Een voorbeeld daarvan was tot voor kort te vinden in het Spaanse recht, waar de voorlopige toepassing van verdragen tot 2014 was geregeld in een Besluit van de minister van Buitenlandse Zaken. 4.5.14 De conclusie is dat de subsidiaire interpretatie van HVY het meest in overeenstemming is met de gewone betekenis van de bewoordingen van de Limitation Clause. (
  14. ii)en (iii) De context en het voorwerp en doel van het Verdrag 4.5.15 Overeenkomstig art. 31 lid 2 WVV bestaat de context van art. 45 lid 1 ECT in ieder geval uit de tekst van het Verdrag, met inbegrip van de preambule en bijlagen. Deze context wordt hierna besproken, mede aan de hand van de argumenten die partijen daaraan hebben ontleend. In dat kader zal het hof tevens aandacht besteden aan de uitleg van art. 45 lid 2(
  15. a)ECT, aangezien partijen ook over de strekking van deze bepaling van mening verschillen. 4.5.16 Partijen, het Scheidsgerecht en de rechtbank hebben aandacht besteed aan de betekenis van art. 45 lid 2(
  16. a)ECT. Art. 45 lid 2(
  17. a)bepaalt: “Notwithstanding paragraph 1 any signatory may, when signing, deliver to the Depository a declaration that it is not able to accept provisional application. The obligation contained in paragraph 1 shall not apply to a signatory making such a declaration. Any such signatory may at any time withdraw that declaration by written notification to the Depository.” HVY hebben aangevoerd dat deze bepaling in het verlengde ligt van art. 45 lid 1 ECT en dat een verdragsstaat die geen verklaring overeenkomstig lid 2(
  18. a)heeft afgelegd geen beroep op de Limitation Clause toekomt. Het hof onderschrijft deze uitleg niet. Noch de tekst van lid 1 noch die van lid 2 bevat een aanwijzing dat lid 2 een uitwerking vormt van of een nadere voorwaarde verbindt aan lid 1. Integendeel, de term ‘nothwithstanding’ (‘niettegenstaande’) waarmee lid 2 begint, duidt erop dat met lid 2 een afwijking is bedoeld ten opzichte van lid 1, namelijk ten opzichte van de hoofdverplichting van lid 1, inhoudend dat het Verdrag voorlopig moet worden toegepast. Ook overigens strookt het niet met de bewoordingen van de Limitation Clause dat deze slechts toepassing zou kunnen vinden indien een staat de verklaring van lid 2(
  19. a)aflegt. Zoals hiervoor is overwogen, laten de woorden ‘to the extent’ in de Limitation Clause onmiskenbaar de mogelijkheid open dat het Verdrag slechts gedeeltelijk voorlopig wordt toegepast, terwijl lid 2(a), waarin geen bewoordingen zijn gebruikt die wijzen op een gedeeltelijke voorlopige toepassing, bezwaarlijk anders kan worden begrepen dan dat met de daarin bedoelde verklaring voorlopige toepassing volledig wordt uitgesloten. De uitleg van HVY zou dan ook een discrepantie tussen lid 1 en lid 2(
  20. a)creëren, die wordt vermeden indien lid 1 en lid 2(
  21. a)los van elkaar worden gezien. Dit leidt tot de conclusie dat de onderlinge verhouding tussen lid 1 en lid 2(
  22. a)van art. 45 ECT als volgt moet worden begrepen: lid 1 bepaalt dat ondertekenende staten het Verdrag voorlopig toepassen, met uitzondering van de gevallen die onder het bereik van de Limitation Clause vallen, terwijl lid 2 aan staten – waarbij met name valt te denken aan staten die het beginsel van voorlopige toepassing niet kennen – de mogelijkheid biedt om elke discussie over het bereik van de Limitation Clause in een individueel geval uit te sluiten, door volledig van voorlopige toepassing af te zien. 4.5.17 Deze interpretatie is ook niet onverenigbaar met art. 45 lid 2(
  23. b)ECT, dat bepaalt dat een staat die een verklaring als bedoeld in art. 45 lid 2(
  24. a)ECT aflegt, niet kan profiteren van de voorlopige toepassing overeenkomstig lid 1 en dat datzelfde geldt voor de investeerders van die staat. HVY zien hierin een discrepantie ten opzichte van lid 1, omdat een staat die geen verklaring overeenkomstig lid 2(
  25. a)heeft afgelegd wel zou kunnen profiteren van de voorlopige toepassing door andere staten, maar desondanks op grond van een beroep op de Limitation Clause voorlopige toepassing van zijn kant geheel dan wel gedeeltelijk achterwege zou kunnen laten. Dit argument gaat niet op. De nadruk in lid 1 ligt onmiskenbaar op de verplichting om het Verdrag voorlopig toe te passen. Dat daarop in bepaalde gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op grond van de Limitation Clause doet geen afbreuk aan die hoofdverplichting. Die situatie is niet vergelijkbaar met het geval van art. 45 lid 2(
  26. a)ECT, waarin een staat door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring voorlopige toepassing categorisch uitsluit. Hoewel in theorie denkbaar is dat een staat die het beginsel van voorlopige toepassing niet kent geen verklaring overeenkomstig lid 2(
  27. a)aflegt, maar in voorkomend geval een beroep doet op de Limitation Clause met als doel te profiteren van de voorlopige toepassing door de andere verdragsstaten, zou dit niet in overeenstemming zijn met de in art. 26 WVV neergelegde verplichting van die staat om een verdrag te goeder trouw uit te voeren. Aan die eventualiteit kan dan ook geen doorslaggevend gewicht worden toegekend. 4.5.18 Voor de uitleg van de Limitation Clause brengt deze context mee dat de ‘alles of niets’ benadering (HVY’s primaire standpunt, het oordeel van het Scheidsgerecht) ook gezien de verhouding tot art. 45 lid 2(
  28. a)en (
  29. b)ECT niet voor de hand ligt. Indien het nationale recht van een ondertekenende staat het beginsel van voorlopige toepassing niet kent, zal deze staat de verklaring van art. 45 lid 2(
  30. a)ECT kunnen afleggen en valt niet in te zien wat daarnaast nog de betekenis van de Limitation Clause is. Omdat in de (primaire) visie van HVY de Limitation Clause nauwelijks zelfstandige betekenis heeft, ligt die uitleg niet voor de hand. Dit laatste zou mogelijk anders zijn indien de verklaring overeenkomstig lid 2(
  31. a)zou moeten worden beschouwd als een voorwaarde voor een beroep op de Limitation Clause, maar die uitleg moet, zoals overwogen, worden verworpen. 4.5.19 De rechtbank heeft ook aandacht besteed aan art. 45 lid 2(
  32. c)ECT. Art. 45 lid 2(
  33. c)luidt als volgt: “Notwithstanding subparagraph (a), any signatory making a declaration referred to in subparagraph (
  34. a)shall apply Part VII provisionally pending the entry into force of the Treaty for

Article 44

, to the extent that such provisional application is not inconsistent with its laws or regulations.” Part VII van het Verdrag bevat bepalingen over de bevoegdheden van de ‘Energy Charter Conference’, alsmede over het secretariaat van en de stemming tijdens een ‘Energy Charter Conference’ en de aan deze conferentie verbonden kosten. De rechtbank heeft aan deze bepaling een argument ontleend tegen het primaire standpunt van HVY (de ‘alles of niets’ benadering), door te overwegen dat art. 45 lid 2(

  1. c)ECT vrijwel dezelfde woorden (‘to the extent that such provisional application is not inconsistent with its laws or regulations’) gebruikt als de Limitation Clause terwijl, gezien de context, art. 45 lid 2(
  2. c)ECT niet het oog kan hebben op het beginsel van voorlopige toepassing. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank in dit opzicht. Inderdaad kan niet worden aangenomen dat art. 45 lid 2(
  3. c)ECT het oog heeft op het beginsel van voorlopige toepassing. Het feit dat in art. 45 lid 2(
  4. c)ECT desalniettemin vrijwel dezelfde bewoordingen zijn gebruikt als in de Limitation Clause pleit er dan inderdaad tegen dat in de Limitation Clause wel op dat beginsel zou worden gedoeld. 4.5.20 HVY hebben ook een beroep gedaan op art. 32 ECT. Art. 32 ECT (‘Transitional arrangements’) bepaalt dat, “in recognition of the need for time to adapt to the requirements of a market economy”, bepaalde verdragsstaten de naleving van hun verplichtingen onder specifieke (in art. 32 lid 1 genoemde) verdragsbepalingen tijdelijk mogen opschorten, mits bepaalde voorwaarden in acht worden genomen. HVY voeren aan dat de situatie waarin zich strijdigheden voordoen tussen de ECT-bepalingen en nationaal recht in art. 32 ECT is geregeld. Op grond van art. 32 ECT moet een staat kenbaar maken welke bepalingen van de ECT hij wil opschorten. Met het zorgvuldig uitonderhandelde mechanisme van art. 32 ECT is volgens HVY niet verenigbaar een uitleg van art. 45 lid 1 ECT die meebrengt dat een ondertekenende staat gedurende de periode van voorlopige toepassing een of meer verdragsbepalingen buiten toepassing zou kunnen laten zonder dat kenbaar te maken richting de andere staten en investeerders. 4.5.21 Dit argument gaat niet op. Art. 32 ECT ziet onmiskenbaar op een andere situatie dan art. 45 lid 1 ECT. Art. 32 ECT geeft staten die zich moeten aanpassen aan de eisen van een markteconomie, de mogelijkheid om tijdelijk (in beginsel niet langer dan tot 1 juli 2001) en onder bepaalde voorwaarden hun verplichtingen onder een aantal specifieke verdragsbepalingen op te schorten. Art. 45 lid 1 ECT daarentegen geldt gedurende de termijn waarin een staat het verdrag voorlopig moet toepassen en laat op die verplichting alleen een uitzondering toe indien voorlopige toepassing van een verdragsbepaling onverenigbaar is met de interne wetgeving van die staat. Beide bepalingen zijn dan ook noch in hun toepassingsgebied noch in hun doeleinden vergelijkbaar met elkaar, hetgeen betekent dat aan art. 32 ECT geen conclusies kunnen worden verbonden met betrekking tot de uitleg van art. 45 lid 1 ECT. 4.5.22 HVY voeren aan dat, in de interpretatie van de Russische Federatie en de rechtbank, voor een potentiële investeerder, die overweegt te investeren in een staat die de ECT voorlopig toepast, onduidelijk is welke onderdelen van het Verdrag die staat, als zijnde onverenigbaar met zijn interne wetgeving, buiten toepassing laat. Het is volgens HVY voor een investeerder immers ondoenlijk om de volledige wet- en regelgeving van de beoogde gaststaat te onderzoeken op eventuele strijdigheden met bepalingen van het Verdrag. Volgens HVY is die onduidelijkheid in strijd met het doel van de ECT om investeringen aan te trekken door een stabiel en veilig investeringsklimaat en door het bevorderen van transparantie, rechtszekerheid en investeringsbescherming. Dat nadeel kleeft niet of in veel mindere mate aan hun eigen (primaire en subsidiaire) interpretatie, aldus HVY, aangezien zonder al te veel moeite valt na te gaan wat de wet- en regelgeving van het gastland inhoudt op het gebied van de voorlopige toepassing van verdragen. 4.5.23 Bij de beoordeling van dit argument neemt het hof de volgende context in aanmerking. In de ‘Preamble’ van de ECT is het volgende opgenomen: “Wishing to implement the basic concept of the European Energy Charter initiative which is to catalyse economic growth by means of measures to liberalize investment and trade in energy.” Art. 2 ECT (‘Purpose of the Treaty’) luidt als volgt: “This Treaty establishes a legal framework in order to promote long-term cooperation in the energy field, based on complementarities and mutual benefits, in accordance with the objectives and principles of the Charter.” 4.5.24 In de overwegingen van de European Energy Charter 1991, waarnaar in de ‘Preamble’ van de ECT en art. 2 ECT wordt verwezen, is onder meer opgenomen: “Recognising the role of entrepreneurs, operating within a transparent and equitable legal framework, in promoting cooperation under the Charter.” In hoofdstuk II (‘Implementation’) van de European Energy Charter 1991 onder 4 (‘Promotion and protection of investments’) is bepaald: “In order to promote the international flow of investments, the signatories will at national level provide for a stable, transparent legal framework for foreign investments, in conformity with the relevant international laws and rules on investment and trade.” 4.5.25 In Part III van het Verdrag, welk deel de titel ‘Investment Promotion and Protection’ draagt, komen bepalingen voor die investeerders en hun investeringen in een andere verdragsstaat beogen te beschermen, zoals art. 13 (‘Expropriation’) en art. 14 (‘Transfers related to investments’). Meer in het bijzonder bepaalt het in Part III voorkomende art. 10 ECT: “Each Contracting Party shall, in accordance with the provisions of this Treaty, encourage and create stable, equitable, favourable and transparent conditions for Investors of other Contracting Parties to make Investments in its area. (….).” 4.5.26 Uit de hiervoor weergegeven context van art. 45 ECT blijkt dat een van de doeleinden van de ECT is het stimuleren van investeringen in de energiesector, onder meer door het verschaffen van stabiele en transparante investeringscondities. Uit het feit dat het Verdrag voorlopig moet worden toegepast, volgt dat de verdragspartijen hebben beoogd dat de verplichting om dergelijke investeringscondities in het leven te roepen terstond na ondertekening zou ontstaan. Tegen deze achtergrond verdraagt de interpretatie van de Limitation Clause die de Russische Federatie verdedigt zich minder goed met het doel van het Verdrag dan de (primaire of subsidiaire) uitleg van HVY. De uitleg van de Russische Federatie zou immers meebrengen dat een investeerder die overweegt te investeren in een staat die de ECT voorlopig toepast, er steeds rekening mee zou moeten houden dat aan de bepalingen van de ECT, ook de bepalingen die beogen zijn investering te beschermen, afbreuk wordt gedaan door nationale wet- en regelgeving, bijvoorbeeld door regelgeving van lagere of lokale overheden. Het is voor een dergelijke investeerder, zelfs indien hij juridisch advies inwint, praktisch ondoenlijk om te beoordelen of er in de staat waarin hij wil investeren regelgeving bestaat die in enig opzicht afwijkt van wat de ECT bepaalt. Dit strookt niet met de transparante investeringscondities die met het Verdrag worden nagestreefd. Dit zou er immers toe kunnen leiden dat de investeerder afziet van zijn voorgenomen investering, hetgeen in strijd zou zijn met het doel van de ECT om vanaf de ondertekening van het Verdrag het doen van investeringen te stimuleren. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de termijn waarin het Verdrag door een staat voorlopig kan worden toegepast in beginsel onbeperkt is, zodat het Verdrag gedurende een aanzienlijke periode voorlopig van toepassing kan zijn, nog afgezien van de ‘nawerking’ van twintig jaar van bepaalde delen van de ECT voor staten die daarvan niet hebben afgezien (art. 45 lid 3(
  5. b)ECT). De hiervoor gesignaleerde onduidelijkheid zou dus ook gedurende langere tijd kunnen voortduren. 4.5.27 De primaire en de subsidiaire stelling van HVY over de uitleg van de Limitation Clause kennen het nadeel van onduidelijkheid niet. Aangenomen mag worden dat een potentiële investeerder zich met behulp van deskundig juridisch advies relatief eenvoudig ervan kan vergewissen wat de nationale regels omtrent voorlopige toepassing van verdragen zijn in het land waarin hij overweegt te investeren en in hoeverre deze aan voorlopige toepassing van de regels van de ECT in de weg staan. Anders dan de Russische Federatie aanvoert, is het voor de uitleg van art. 45 lid 1 ECT niet relevant of HVY in dit concrete geval op eenvoudige wijze hadden kunnen vaststellen of arbitrage op de voet van art. 26 ECT al dan niet in strijd is met Russische wet- en regelgeving. Het gaat er om dat zich talloze situaties laten denken waarin een eventuele strijdigheid tussen de bepalingen van de ECT en nationaal recht niet op relatief eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Dat pleit dus tegen de uitleg van de Russische Federatie. (
  6. iv)‘Statenpraktijk’ (art. 31 lid 3 WVV) 4.5.28 Op grond van art. 31 lid 3 WVV moet bij de uitleg van een verdragsbepaling rekening worden gehouden met: “(
  7. b)any subsequent practice in the application of the treaty which establishes the agreement of the parties regarding its interpretation;” (hierna kortheidshalve: de ‘statenpraktijk’). Beide partijen hebben zich ter ondersteuning van hun stellingen op de statenpraktijk beroepen. De rechtbank heeft deze buiten beschouwing gelaten, omdat voor toekenning van betekenis aan de statenpraktijk de voorwaarde geldt dat door dit latere gebruik overeenstemming van de partijen over de uitleg van het Verdrag is ontstaan, maar niet is gesteld of gebleken dat er een (brede) uitvoeringspraktijk is die door alle betrokken staten wordt gedragen (rov. 5.21). HVY hebben tegen dit oordeel geen grief gericht. De Russische Federatie meent echter dat de statenpraktijk wel degelijk steun biedt voor de uitleg van de rechtbank, omdat een brede, door alle betrokken staten gedragen, consensus zou bestaan over de uitleg van art. 45 lid 1 ECT. De Russische Federatie verwijst in dit verband naar de vele verklaringen die staten op de voet van art. 45 lid 2 ECT hebben afgelegd, en naar de memorie van antwoord nrs. 108-121, de dagvaarding nrs. 155-170 en de conclusie van repliek nr. 92. 4.5.29 In de dagvaarding (nr. 160) heeft de Russische Federatie concreet gewezen op het standpunt van Finland (blijkend uit het wetsvoorstel tot ratificatie van de ECT alsmede een memorandum van november 1994) en de Europese Unie (in een gezamenlijke verklaring van de EU en haar lidstaten van 15 en 16 december 1994, de ‘1994 EU Joint Statement’), een verklaring van de Europese Commissie van 21 september 1994, alsmede een verklaring van de ‘Raad van Europa’ (kennelijk is bedoeld: de Europese Raad) van 13 juli 1998. Dat het hier gaat om verklaringen van partijen (of ondertekenaars) die zijn aanvaard door de andere partijen bij de ECT blijkt echter niet en dat onderbouwt de Russische Federatie ook verder niet. Daarbij komt dat deze verklaringen weliswaar enige steun geven aan de stelling dat de ‘alles of niets’ benadering (het primaire standpunt van HVY) niet door deze landen of instellingen werd gedeeld, maar daaruit valt niet af te leiden dat ook het subsidiaire standpunt van HVY onjuist werd geacht. De in de 1994 EU Joint Statement voorkomende passage: “(
  8. a)it [Article 45

(1)ECT, hof] does not create any commitment beyond what is compatible with the existing internal legal order of the Signatories” is zowel verenigbaar met het standpunt van de Russische Federatie als met het subsidiaire standpunt van HVY. Dit geldt ook voor de verklaring van Italië genoemd in de dagvaarding onder nr. 169. Alleen het voorstel van de regering van Finland aan haar parlement onderschrijft de interpretatie van de Russische Federatie, maar daaruit volgt nog niet dat deze opvatting ook door andere verdragspartijen werd aanvaard. 4.5.30 Hetzelfde geldt voor de door de Russische Federatie aangehaalde verklaringen van de Europese Commissie en de Europese Raad. Voor zover de Russische Federatie nog aanvoert dat verschillende ondertekenaars van het Verdrag geen verklaring op de voet van art. 45 lid 2 (
  1. a)ECT hebben afgelegd dat zij voorlopige toepassing niet aanvaarden, maar zich desalniettemin gerechtigd achten om alleen die bepalingen van de ECT toe te passen die in overeenstemming zijn met hun interne wet- en regelgeving, hoeft het hof daarop niet in te gaan. Zoals hiervoor is overwogen en zoals – naar hierna zal blijken – bevestigd wordt door de travaux préparatoires is het voor een beroep op de Limitation Clause niet noodzakelijk dat een ondertekenende staat een verklaring heeft afgelegd op de voet van art. 45 lid 2(
  2. a)ECT. Dit strookt met het standpunt van de Russische Federatie, dat in dit opzicht wordt gedeeld door het hof. Hetzelfde geldt voor de daarop betrekking hebbende passage uit de gezamenlijke verklaring van de Europese Unie. 4.5.31 In de memorie van antwoord heeft de Russische Federatie in de eerste plaats een beroep gedaan op een deskundigenbericht van prof. Heringa, die aan de hand van destijds opgestelde stukken van Nederlandse ambtenaren tot de conclusie komt dat (
  3. i)Nederland vertrouwde op de Limitation Clause, (
  4. ii)veronderstelde dat het slechts een gedeelte van het Verdrag voorlopig zou toepassen en (iii) van oordeel was dat voor een beroep op art. 45 lid 1 ECT geen voorafgaande verklaring vereist was. In de memorie van antwoord wordt een aantal passages uit deze stukken geciteerd. Ook hiervoor geldt echter dat de opvatting van de Nederlandse ambtenaren, daargelaten dat daaruit geen door de andere verdragsstaten aanvaarde verdragspraktijk volgt, wellicht ingaat tegen het primaire standpunt van HVY, maar geen uitsluitsel geeft over de vraag of het subsidiaire standpunt van HVY of het standpunt van de Russische Federatie werd gedeeld. Ook de conclusie van prof. Heringa in § 34: “Mijn conclusie is dat zowel naar Nederlands recht, als vanuit het perspectief van de Nederlandse onderhandelaars en vanuit het EU perspectief, de reikwijdte van artikel 45 ECT als instrument van voorlopige toepassing wordt gelimiteerd door de mate waarin er strijd is met nationaal recht. Zowel art. 45 ECT als het Nederlandse constitutionele recht doet hetzelfde, namelijk gaat ervan uit dat voorlopige toepassing alleen daar zal zijn toegepast waar dat naar nationaal constitutioneel recht is toegestaan, zodat daarmee voor Nederland dit verdrag met deze bepaling geheel conform nationaal recht was.” is met beide opvattingen verenigbaar. 4.5.32 De Russische Federatie verwijst vervolgens naar opmerkingen die enkele landen (de Verenigde Staten, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Finland en Japan) tijdens de onderhandelingen over de ECT hebben gemaakt. Dergelijke opmerkingen vallen echter niet onder de statenpraktijk maar onder de travaux préparatoires, waarvoor art. 32 WVV een afzonderlijke regeling bevat en waarop het hof hierna terugkomt. Deze opmerkingen horen dan ook niet thuis bij een bespreking van de uitlegregels van art. 31 lid 3 WVV. Ook voor deze opmerkingen geldt overigens dat zij er in wezen op neerkomen dat voorlopige toepassing van gedeelten van het Verdrag onder ogen werd gezien, een visie die zowel verenigbaar is met het standpunt van de Russische Federatie als met het subsidiaire standpunt van HVY. (
  5. v)De uitleg van de Limitation Clause conform de interpretatieregels van art. 31 WVV 4.5.33 Op grond van de voorgaande overwegingen komt het hof tot de conclusie dat het subsidiaire standpunt van HVY ten aanzien van de uitleg van art. 45 lid 1 ECT, van de drie mogelijkheden die partijen in dit geding naar voren hebben gebracht, op grond van de hiervoor uiteengezette argumenten het meest in overeenstemming is met zowel de gewone betekenis van de termen van de Limitation Clause, als met de context en het voorwerp en doel van het Verdrag. Van een gevestigde statenpraktijk in de zin van art. 31 lid 3 WVV is onvoldoende gebleken, maar voor zover daarvan al sprake zou zijn verzet deze zich hoogstens tegen het primaire maar niet tegen het subsidiaire standpunt van HVY. Dit betekent dat de Limitation Clause zo moet worden begrepen, dat een ondertekenende staat die niet de verklaring bedoeld in art. 45 lid 2(
  6. a)ECT heeft afgelegd, gehouden is het Verdrag voorlopig toe te passen, behoudens voor zover voorlopige toepassing van een of meer bepalingen van de ECT strijdig is met nationaal recht in die zin, dat de wet- of regelgeving van die staat voorlopige toepassing van het Verdrag voor bepaalde (soorten of categorieën van) verdragsbepalingen uitsluit. De Limitation Clause kan dus niet worden ingeroepen indien een bepaling van de ECT op zichzelf in strijd is met enige regel van nationaal recht. (
  7. vi)Art. 32 WVV; de travaux préparatoires 4.5.34 De uitleg die het hof aldus overeenkomstig art. 31 WVV heeft vastgesteld, laat de betekenis van art. 45 lid 1 ECT respectievelijk van de Limitation Clause niet dubbelzinnig of duister. Evenmin kan worden gezegd dat deze interpretatie leidt tot een resultaat dat duidelijk ongerijmd of onredelijk is. Voor toepassing van de aanvullende interpretatieregels van art. 32 WVV, bijvoorbeeld door raadpleging van de travaux préparatoires, is in zoverre dan ook geen aanleiding. 4.5.35 Ten overvloede is het hof van oordeel dat de travaux préparatoires zijn oordeel omtrent de uitleg van art. 45 lid 1 ECT bevestigen. Daarbij acht het hof met name relevant dat de Limitation Clause, die aanvankelijk ontbrak in de clausule die bepaalde dat het Verdrag (toen nog aangeduid als de ‘Basic Protocol’) voorlopig moest worden toegepast, op instigatie van de Verenigde Staten daaraan is toegevoegd. Blijkens een document gedateerd 2 augustus 1991 van het ‘ECT Conference Secretariat’ is namens de Verenigde Staten naar voren gebracht: “ “Provisional” application of the Protocol is not possible in the U.S., where a treaty or legislation is required before such a document can come into force. This could be fixed with: “to the extent that their laws allow or some similar language.” ” Tijdens een bijeenkomst op 14 december 1993 merkte een vertegenwoordiger van de Verenigde Staten op: “Mr Chairman, my delegation does not have quite the same difficulty as some other delegations do with the concept of provisional application. We have no a priori opposition in principle to the concept in appropriate cases. (….) Quite apart from the question of the ultimate resolution of whether there should be institutions, the difficulty of participating of the financing of a provisional organization is particularly acute for the United States. We cannot under our law do it for more than a certain period and so, certainly, we could not provisionally apply the Treaty in respect to the United States in that connection.” In een (fax)brief van 24 februari 1994 aan de ECT Conferentie merkte een vertegenwoordiger van de Verenigde Staten verder nog op naar aanleiding van een op dat moment circulerend concept voor een aparte overeenkomst over de voorlopige toepassing van de ECT: “As I noted during the last plenary, we do not have any legal difficulty with provisional application per se, so long as it is carefully qualified to ensure that no party is obliged to do, or refrain from doing, anything for which that party’s constitution or law requires an appropriately ratified treaty. Our law, for example, generally speaking prohibits expenditure of funds to pay the U.S. share of the expenses of an international organization absent the express approval of the Congress. For such reasons language along the lines of “to the extent permitted by its constitution or laws” is essential to any provisional application obligation; such language is conspicuously absent from the draft text.” 4.5.36 Italië heeft op 27 juli 1994 aan de European Energy Charter Conference bericht: “Italy cannot consent to the provisional application of the Treaty since Article 80 of the Italian Constitution lays down, inter alia, that international treaties which provide for arbitration, confer judicial powers or impose financial burdens must be ratified by Parliament.” Japan heeft naar aanleiding van een document van het ECT Secretariaat van 8 maart 1994 de volgende opmerking gemaakt: “We have a constitutional problem in relation to paragraph
(2)of CONF 91, which lacks the phrase “in accordance with their laws and regulations”. We cannot apply Article 37 of Part VII unconditionally after signature, because our domestic legislation prohibits the Japanese Government from committing itself beyond its competence to make payments regarding treaties which have not yet been concluded.” 4.5.37 Uit dit overzicht blijkt dat de bepaling, die uiteindelijk de Limitation Clause is geworden, is opgenomen omdat de ‘constitution’ van sommige staten niet toestond dat deze staten voorlopige toepassing zouden geven aan bepaalde verplichtingen uit de ECT (verplichtingen van financiële aard, arbitrage). Deze staten zouden aan dergelijke bepalingen uitsluitend gebonden kunnen worden door middel van een geratificeerd verdrag. Deze staten hebben niet gesuggereerd dat verplichtingen om financieel bij te dragen aan een internationale organisatie, of om zich te binden aan geschillenbeslechting door arbitrage, op zichzelf in strijd zouden zijn met hun interne wet- en regelgeving, zij konden zich daartoe alleen niet door middel van een voorlopig toepasbaar verdrag verbinden. Met name springt in het oog dat de Verenigde Staten erop wezen dat zij, zonder een geratificeerd verdrag, slechts gedurende een beperkte periode konden bijdragen aan de financiering van een (nieuwe) internationale organisatie. Dit onderstreept dat, in ieder geval voor de Verenigde Staten, Japan en Italië, het probleem zat in de voorlopige toepassing, die in hun nationale recht aan bepaalde beperkingen was onderworpen. Ook overigens zijn in de travaux onvoldoende duidelijke aanwijzingen te vinden dat de aan de onderhandelingen deelnemende staten de Limitation Clause hebben betrokken op de strijdigheid van bepaalde verplichtingen uit het Verdrag met hun nationale recht. Dat geldt ook voor de hierna te bespreken opmerkingen van Bamberger. 4.5.38 De rechtbank heeft in haar vonnis (rov. 5.22) belang gehecht aan het antwoord dat Bamberger op 7 maart 1994 gaf op een vraag van de voorzitter van de conferentie. De voorzitter vroeg Bamberger of het nodig was het woord ‘regulations’ op te nemen in art. 45 lid 1 ECT. Bamberger antwoordde: “Chairman, we’ve heard this question arise in a number of contexts. In one context, the Legal Sub-Group suggested that “in accorance with its law”, in the singular, was sufficiently broad to cover the constitutional, statutory and regulatory laws of a country, but of course it does depend on the context. It seems that this desire, however, to specify “regulations”does arise often, and apparently it is because it is not, because some negotiating Parties are, do not consider that it is clear from the reference, so I am hesitant to try to give overly authoritative advice on something that really is probably very dependent on context. Chairman Jones: May I put the question the other way around? Is there any harm in including the word “regulations”? I mean, for clarity, if a number of people are unsure, let’s include it I suppose? Mr Bamberger: Well of course, Chairman, the effect is to suggest that relatively minor impediments in the form of regulations, no matter how insignificant they may be, can be the occasion for failing to apply the Treaty provisionally when in fact those regulations could be brought into conformity without serious effort. On the other hand, one can argue that the word “laws” would cover regulations, but it simply doesn’t put as much stress on the regulatory aspect, and so it is less likely to be viewed that way.” Uit deze discussie blijkt allereerst dat de discussie in de ‘Legal Sub-Group’ over het opnemen van het woord ‘regulations’ niet tot een heldere uitkomst had geleid en dat er uiteindelijk voor is gekozen dat woord volledigheidshalve in de tekst van de Limitation Clause op te nemen, echter zonder dat daar een dwingende noodzaak voor werd gezien. Verder blijkt dat Bamberger, toen hij zei dat de term ‘regulations’ de suggestie wekt dat ‘relatively minor impediments’ aanleiding zouden kunnen zijn om het Verdrag niet voorlopig toe te passen, dit zijn deskundige visie was op wat dat woord suggereert. Wat niet blijkt is dat het woord ‘regulations’ in de tekst van het Verdrag is opgenomen omdat het wenselijk werd geacht dat ook minder belangrijke strijdigheden met nationaal recht voorlopige toepassing zouden verhinderen. Bovendien is duidelijk dat Bamberger namens zichzelf als deskundig jurist sprak en niet namens de leden van de ‘Legal Sub-Group’. Tegen deze achtergrond is de opmerking van Bamberger niet van doorslaggevend belang bij de interpretatie van de Limitation Clause. Resumerend bevestigt de geciteerde passage dat aan de toevoeging van het woord ‘regulations’ de wens ten grondslag heeft gelegen zo volledig mogelijk te zijn in de verwijzing naar nationaal recht, maar dat daaraan geen diepere gedachten ten grondslag hebben gelegen. 4.5.39 De travaux préparatoires bevestigen voorts dat het er bij de Limitation Clause niet om gaat of een verdragsstaat het beginsel van voorlopige toepassing kent. De travaux bevatten geen aanwijzingen dat de onderhandelaars daaraan hebben gedacht. Integendeel, de Verenigde Staten, die de eerste aanzet tot de Limitation Clause hebben gegeven, hebben juist verklaard dat zij geen problemen hadden met het beginsel van voorlopige toepassing. Er waren wel staten die problemen hadden met het beginsel van voorlopige toepassing, maar zij hebben aangedrongen op het opnemen van art. 45 lid 2(
  1. a)ECT (zie hierna). 4.5.40 Ten slotte bevestigen de travaux préparatoires dat het afleggen van een verklaring op de voet van art. 45 lid 2(
  2. a)ECT geen voorwaarde is voor een beroep op de Limitation Clause. Uit de travaux (zoals onder meer weergegeven in de opinie van prof. Schrijver van 8 maart 2017) blijkt immers dat de in art. 45 lid 2(
  3. a)ECT vervatte ‘opt-out’ mogelijkheid eerst in een betrekkelijk laat stadium, nadat concepten voor art. 45 lid 1 ECT reeds langere tijd circuleerden, werd toegevoegd teneinde een aantal staten, dat ondanks de Limitation Clause problemen bleef houden met voorlopige toepassing van het Verdrag, in staat te stellen door middel van het afleggen van een verklaring bij de Depositaris geheel van voorlopige toepassing af te zien. Dit bevestigt dat art. 45 lid 2(
  4. a)ECT als extra mogelijkheid werd beschouwd om voorlopige toepassing te voorkomen en niet als een voorwaarde voor het inroepen van de Limitation Clause. (vii) De betekenis van ‘not inconsistent’ 4.5.41 De betekenis van de woorden ‘not inconsistent’ volgt uit de uitleg die het hof geeft aan de Limitation Clause. Het gaat er in die interpretatie om of er nationale wet- of regelgeving is die voorlopige toepassing voor bepaalde (soorten of categorieën van) verdragsbepalingen uitsluit. Is dat laatste het geval, dan is voorlopige toepassing van die (soorten of categorieën van) verdragsbepalingen ‘inconsistent’ met nationaal recht. 4.5.42 Partijen hebben daarnaast gedebatteerd over de vraag hoe ‘inconsistent’ moet worden uitgelegd indien de interpretatie van de Limitation Clause van de Russische Federatie zou moeten worden gevolgd, volgens welke interpretatie het er om gaat of een bepaling van de ECT op zichzelf in strijd is met enige regel van nationaal recht. De rechtbank is van die interpretatie uitgegaan en heeft in dat kader overwegingen gewijd aan de uitleg van de term ‘inconsistent’, die door HVY in hoger beroep zijn bestreden. Omdat het hof hierna – ten overvloede – zal nagaan of, uitgaande van de uitleg die de Russische Federatie geeft aan de Limitation Clause, de voorlopige toepassing van art. 26 ECT strijdig (‘inconsistent’) is met de ‘constitution, laws or regulations’ van de Russische Federatie, zal het hof thans ingaan op de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan de term ‘inconsistent’ en de daartegen gerichte grieven van HVY, dit tegen de achtergrond van de interpretatie van de Limitation Clause conform het standpunt van de Russische Federatie. 4.5.43 De rechtbank heeft (in rov. 5.33) beoordeeld of de voorlopige toepassing van het arbitraal beding van art. 26 ECT ‘in overeenstemming is met de Russische constitutie, wetten of andere regelgeving’. Zij heeft de opvatting van HVY, dat art. 26 ECT alleen dan onverenigbaar is met Russisch recht indien die verdragsbepaling in het nationale recht wordt verboden en dat van inconsistentie geen sprake is indien het Russiche recht niet uitdrukkelijk in die verdragsbepaling voorziet, verworpen. De rechtbank is van oordeel dat van strijdigheid ook sprake is indien een dergelijke wijze van geschilbeslechting geen wettelijke grondslag heeft, of niet past in het wettelijk systeem of niet verenigbaar is met de uitgangspunten en beginselen die zijn neergelegd in of kenbaar zijn uit de wetgeving van de Russische Federatie. Daarbij heeft de rechtbank belang gehecht aan de omstandigheid dat de voorlopige toepassing haar legitimiteit vindt in de ondertekening van het Verdrag en dat bij een aantal bepalingen de soevereiniteit van de ondertekenende partijen in het geding is. In rov. 5.41 heeft de rechtbank overwogen dat van strijdigheid met Russisch recht ook sprake kan zijn indien dat recht zelf niet voorziet in de mogelijkheid van arbitrage zoals geregeld in art. 26 ECT. In rov. 5.51 heeft de rechtbank overwogen dat art. 9 lid 1 LFI 1991 geen ‘zelfstandige wettelijke basis’ biedt voor beslechting van geschillen tussen een investeerder en een staat door internationale arbitrage als voorzien in art. 26 ECT. In rov. 5.58 komt de rechtbank tot dezelfde conclusie ten aanzien van art. 10 LFI 1999. 4.5.44 HVY vechten dit oordeel in hoger beroep aan. Volgens HVY brengt ‘inconsistent’ mee dat sprake is van ‘onmiskenbare strijdigheid’ (memorie van grieven nr. 407) en heeft de rechtbank ten onrechte gezocht naar een ‘zelfstandige wettelijke basis’. Volgens HVY zijn twee bepalingen ‘inconsistent’ indien deze niet tegelijkertijd toepassing kunnen vinden (memorie van grieven nr. 385), dat wil zeggen wanneer de toepassing van de ene bepaling leidt tot schending van de andere bepaling (memorie van grieven nr. 389), ook aangeduid als de ‘impossibility of joint compliance’ (memorie van grieven nr. 393). In de akte van 26 februari 2019 hebben HVY dit verduidelijkt door te stellen dat niet noodzakelijkerwijs een uitdrukkelijk verbod op grond van nationaal recht vereist is (nr. 151). 4.5.45 De Russische Federatie stelt zich op het standpunt dat de vraag of ‘inconsistent’ betekent dat sprake moet zijn van onmiskenbare stijdigheid in dit geding niet aan de orde kan komen, nu HVY een dergelijk argument in de arbitrage niet naar voren hebben gebracht (memorie van antwoord nr. 374). Van onmiskenbare strijdigheid van art. 26 ECT met Russisch recht is overigens zonder meer sprake (memorie van antwoord nr. 375). De rechtbank heeft gereageerd op het standpunt dat HVY in eerste aanleg hadden aangevoerd (en dat zij kennelijk in hoger beroep weer hebben verlaten), inhoudende dat art. 26 ECT alleen ‘inconsistent’ is met nationale wetgeving indien een bepaling van nationaal recht dergelijke arbitrage expliciet verbiedt. Dat standpunt heeft de rechtbank terecht verworpen (memorie van antwoord nr. 377). Dat ‘inconsistent’ strijdigheid vereist met nationaal recht is juist, niet dat sprake moet zijn van onmiskenbare strijdigheid (memorie van antwoord nr. 378). Van strijdigheid met nationaal recht is ook sprake als een concrete wettelijke bepaling ontbreekt maar er strijdigheid is met het wettelijke systeem, waarbij ook betekenis toekomt aan algemene constitutionele uitgangspunten zoals dat van de scheiding der machten en het primaat van de federale wetgeving (memorie van antwoord nr. 381). Overigens is de Russische Federatie van mening dat de discussie over de woorden ‘not inconsistent with’ zinloos is, omdat uit allerlei expliciete wetsbepalingen blijkt dat arbitrage over de vorderingen van HVY onmiskenbaar in strijd is met Russisch recht (akte van 25 juni 2019 nr. 120). 4.5.46 Het hof constateert dat partijen het er in wezen over eens zijn dat de toets die in het kader van de Limitation Clause (uitgelegd conform het standpunt van de Russische Federatie) moet worden aangelegd, is of een bepaalde verdragsbepaling strijdig is met een bepaling van nationaal recht. Het hof onderschrijft dit uitgangspunt. Het standpunt van HVY in de memorie van grieven dat die strijdigheid onmiskenbaar moet zijn, handhaven zij niet langer; dat standpunt is ook onjuist, nu de Limitation Clause die eis niet stelt en deze ook niet besloten ligt in het gebruik van een dubbele ontkenning (‘not inconsistent’). Het hof is van oordeel dat de vraag wanneer van ‘strijdigheid’ sprake is niet in algemene zin kan worden beantwoord, maar dat dit afhangt van de specifieke context van de relevante ECT-bepaling en het nationale recht. Van ‘strijdigheid’ zal in ieder geval sprake indien een ECT-verdragsbepaling en een bepaalde regel van nationaal recht niet tegelijkertijd toepassing kunnen vinden omdat toepassing van de ene regel schending van de andere regel meebrengt. Op grond van de opinies van prof. Schrijver en prof. Klabbers en de daarin aangehaalde jurisprudentie, waarvan de deskundigen van de Russische Federatie geen afstand hebben genomen, en overeenkomstig het oordeel van het scheidsgerecht in de Yukos Capital-zaak, is het hof van oordeel dat dit criterium in overeenstemming is met algemeen aanvaarde normen van internationaal recht voor situaties waarin het gaat om voorrang tussen twee conflicterende verdragsbepalingen. Dat deze jurisprudentie betrekking heeft op andere verdragen dan de ECT en op conflicten tussen verschillende verdragsnormen en niet op conflicten tussen een verdragsnorm en nationaal recht, neemt niet weg dat daaraan belang toekomt bij de uitleg van het begrip ‘inconsistent’ in art. 45 lid 1 ECT. Dit sluit niet uit dat, zoals hiervoor (rov. 4.5.45) is overwogen, er ook buiten het geval dat een verdragsnorm en een regel van nationaal recht niet tegelijkertijd kunnen worden toegepast zonder dat toepassing van de ene regel schending van de andere meebrengt, sprake kan zijn van strijdigheid in de zin van art. 45 lid 1 ECT, bijvoorbeeld indien een ECT-bepaling niet verenigbaar is met een algemene rechtsovertuiging in de desbetreffende staat. 4.5.47 Zoals opgemerkt, heeft de rechtbank overwogen dat art. 26 ECT ook dan ‘inconsistent’ is met nationaal recht indien een dergelijke wijze van geschilbeslechting geen wettelijke grondslag heeft in Russisch recht. Verder heeft de rechtbank overwogen dat van onverenigbaarheid met Russisch recht ook sprake kan zijn indien dat recht zelf niet voorziet in de mogelijkheid van arbitrage zoals geregeld in art. 26 ECT. Met toepassing van dit criterium heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat art. 9 lid 1 LFI 1991 geen ‘zelfstandige wettelijke basis’ biedt voor arbitrage tussen HVY en de Russische Federatie en in rov. 5.58 dat hetzelfde geldt voor art. 10 LFI 1999 (rov. 4.5.43 hiervoor). HVY komen tegen dit oordeel van de rechtbank terecht op. De tekst van art. 45 lid 1 ECT geeft geen aanknopingspunten voor deze uitleg, terwijl deze ook niet voorvloeit uit de context van het Verdrag. Integendeel, het oordeel van de rechtbank komt erop neer dat de bepalingen van de ECT alleen dan voorlopig kunnen worden toegepast, indien daarvoor reeds een wettelijke grondslag in het nationale recht aanwezig is. Dat zou de voorlopige toepassing van art. 45 lid 1 ECT van veel van zijn praktische betekenis beroven en niet in overeenstemming zijn met de in die bepaling tot uitdrukking gebrachte wens van de verdragspartijen om de ECT zoveel mogelijk voorlopig toe te passen. Voorzover de rechtbank voor haar oordeel belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat bij een aantal bepalingen van de ECT de soevereiniteit van de ondertekenende partijen in het geding is (rov. 5.33), is dat onjuist. Niet valt in te zien waarom die omstandigheid van invloed zou zijn op de uitleg van de term ‘inconsistent’ in de Limitation Clause. Het is immers inherent aan een verdrag dat een staat daarmee zijn soevereiniteit tot op zekere hoogte beperkt en dit geldt ook wanneer een staat een verdrag voorlopig toepast. (viii) Conclusie ten aanzien van de interpretatie van de Limitation Clause van art. 45 lid 1 ECT en van art. 45 lid 2(
  5. a)ECT 4.5.48 De conclusie luidt dat de Limitation Clause aldus moet worden uitgelegd, dat een ondertekenende staat die niet de verklaring bedoeld in art. 45 lid 2(
  6. a)ECT heeft afgelegd, gehouden is het Verdrag voorlopig toe te passen, behoudens voor zover voorlopige toepassing van een of meer bepalingen van de ECT strijdig is met nationaal recht in die zin, dat de wet- of regelgeving van die staat voorlopige toepassing van een verdrag voor bepaalde (soorten of categorieën van) verdragsbepalingen uitsluit. Deze uitleg stemt overeen met die van het scheidsgerecht in de Yukos Capital-zaak. Uitgaande van de interpretatie die de Russische Federatie aan de Limitation Clause geeft, is van ‘strijdigheid’ in de zin van art. 45 lid 1 ECT in ieder geval sprake indien een verdragsbepaling en een bepaalde reg

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.