GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.236.034/01Rolnummer rechtbank : C/09/515174 / HA ZA 16-859 Arrest van 22 december 2020 in de zaak van
(2)de ondertekende verkoopovereenkomsten. 8.2 De Gemeente heeft daartegen aangevoerd dat de daadwerkelijk opbrengst van de units € 9.391.784,84 is geweest (dus € 52.284,84 meer dan de deskundigen hebben aangegeven). Zij heeft aangevoerd dat de door haar gestelde hogere totale verkoopopbrengst haar op basis van onderzoek in het kadaster is gebleken, terwijl de deskundigen de openbare registers niet hebben geraadpleegd. Zij heeft aangeboden die door haar gestelde totaalopbrengst te bewijzen. 8.3 Het hof overweegt dat een (ver)koopprijs in beginsel niet door het kadaster maar door de (ver)koopovereenkomst wordt bepaald. Nu de deskundigen de verkoopovereenkomsten bij de begroting van de baten hebben betrokken, was het naar het oordeel van het hof niet nodig om ook openbare registers te raadplegen. 8.4 Het hof overweegt voorts dat de Gemeente niet een specificatie heeft gegeven van waar het kadaster afwijkt van de verkoopovereenkomsten, noch een andere specificatie (bijvoorbeeld per unit) van haar afwijkende bedrag van de totale baten. Gelet daarop acht het hof de betwisting door de Gemeente onvoldoende tegenover hetgeen de deskundigen over de opbrengsten gespecificeerd per unit hebben geconstateerd. Het hof passeert het bewijsaanbod van de Gemeente verder omdat dit aanbod geen (voldoende gespecificeerd) bewijs door getuigen inhoudt. 8.5 Gelet op het voorgaande gaat het hof uit van een totale daadwerkelijk gerealiseerde verkoopopbrengst van € 9.339.500,-. Het hof acht het ook juist om deze daadwerkelijk gerealiseerde verkoopopbrengst aan te houden als de werkelijke baten van het Project. Andere baten zijn niet naar voren gebracht. de werkelijke kosten 9.1 De werkelijk gemaakte investeringskosten hebben de deskundigen begroot op € 7.421.500,- (excl. btw). Daarvan hebben zij € 4.633.974,- (excl. btw) begroot voor bouwkosten overeenkomstig de aanbieding van [Z] van 28 mei 2018, die betrekking heeft op het feitelijk gerealiseerde werk en welke aanbieding volgens de deskundigen volledig is en met reële prijzen. Voorts hebben zij diverse andere kosten begroot, zoals: sloopkosten € 27.500,-, civiel werk € 267.500,-, notaris aankoop grond € 5.000,-, adviseurs € 181.050,- (waaronder een architect ad € 135.000,-), aansluitkosten en leges € 275.258,-, verkoopkosten € 282.639,- en algemene kosten van de ontwikkelaar € 283.396,- (alles exclusief btw). Het hof acht een en ander, mede gelet op de door de deskundigen gegeven motivering, een reële inschatting van de kosten en sluit zich bij deze onderdelen van het deskundigenbericht aan. Ter zake van de werkelijk grondkosten oordeelt het hof echter het volgende. 9.3 De deskundigen hebben voor de inbreng van de grond in het Project € 1.470.183,- gerekend, zijnde het bedrag waarvoor de grond in de hypothetische situatie in maart 2009 zou zijn afgenomen en geleverd. Zij hebben voorts opgemerkt dat de financieringskosten en het renteverlies over de periode maart 2009 tot 2019 niet in dit bedrag zijn opgenomen terwijl het verschil in prijspeilen nog wel zou moeten worden verdisconteerd. [appellanten] hebben aangevoerd dat werkelijke grondkosten in 2019 € 1.946.799,- hebben bedragen. Dit bedrag is volgens de akte van levering van 3 september 2018 de grondprijs van € 1.528.900,- plus een vergoeding van contractueel tot aan die levering overeengekomen 4% rente zijnde € 417.899,-. Het hof gaat uit van deze door [appellanten] aangevoerde grondprijs, omdat het hof de daadwerkelijke kosten begroot en voorts vanwege het volgende. 9.4 Tussen partijen staat vast dat de grond (de bouwlocatie) in januari 2005 door [X] BV van een derde was aangekocht, dat daarbij een rentebetalingsverplichting van 4,25% over de koopprijs tot aan de dag van levering was afgesproken en dat [Y] B.V. deze overeenkomst op 7 maart 2006 van [X] BV heeft overgenomen. Niets wijst er op dat [appellanten] het koopcontract met de derde redelijkerwijs kon verbreken nadat de Gemeente onrechtmatig had gehandeld. Uiteindelijk is de grond op 30 november 2011 aan [Y] geleverd. Dit was ter verdere uitvoering van de eerder afgesloten koopovereenkomst waarin de grondprijs en rente al vast lagen. Dat betekent dat de grond door de levering tegen reële kosten ter beschikking van het Project is gekomen. Het Project kon op dat moment echter redelijkerwijs niet meer worden gerealiseerd. Om het Project later alsnog te kunnen realiseren, moest de grond dus vanaf november 2011 ‘vastgehouden’ worden. Dit kost geld, dat het hof ter begroting van de werkelijke kosten zal meetellen. Een indexering is daarbij niet nodig, omdat het hof de werkelijke kosten met de in deze zaak naar voren gebrachte feiten reëel kan benaderen, als volgt (hierna in 9.5 en 9.6). 9.5 Vast staat dat Vastgoed [Z] B.V. de grond op 1 december 2017 van [Y] heeft gekocht, waarbij 4% rente is afgesproken. Dit laatste is (ongeveer) dezelfde renteafspraak als eerder bij de (ver)koop van de grond voor het Project was overeengekomen. Vast staat verder dat [Y] de grond op 3 september 2018 aan [Z] heeft geleverd, en dat de prijs van de grond toen € 1.946.799,- bedroeg (de grondprijs van € 1.528.900 plus de overeengekomen rente van 4% vanaf 30 november 2011, zoals ook onbetwist- door [appellanten] is aangevoerd). Dat [Y] hiermee in 2017/2018 uit het project is gestapt (en [Z] voor haar in de plaats is gekomen) is voor het bepalen van de werkelijke grondkosten niet voldoende relevant. Het Project is immers uiteindelijk in 2019 met dezelfde grond (op dezelfde bouwlocatie) ontwikkeld. Bovendien heeft [appellanten] aangevoerd dat de totale grondkosten (ongeveer) hetzelfde zouden zijn geweest als [Y] de grond niet zou hebben verkocht. Het hof kan er daarom vanuit gaan dat de grondkosten op 3 september 2018 € 1.946.799,- bedroeg. Daarna moest de grond nog langer worden vastgehouden, omdat het Project pas vanaf 2019 werd gerealiseerd. Daarover gaat het volgende (9.6). 9.6 Het hof begroot de schade op basis van de werkelijke opbrengst op het moment van de werkelijke realisatie. De grondoverdracht van 3 september 2018 had geen betrekking op de realisatie van het Project, maar zag op het uitstappen van [Y] , omdat de heer [Y] vanwege zijn leeftijd (72 jaar) het project niet meer zelf kon uitvoeren. De grond werd niet al op 3 september 2018 voor het Project ingezet, maar pas tijdens de daadwerkelijke realisatie van het Project. Het hof stelt dat laatste moment voor de taxatie van de waarde van de grond vast op 1 september
- Het hof zal voor de te hanteren werkelijke grondkosten € 60.821,- op het bij de grondoverdracht betaalde bedrag bijtellen. Dat is het verschil tussen de grondprijs met de door partijen bij de grondoverdracht op 3 september 2018 berekende rente (van 4% conform de laatste geldende grondafspraken) en de prijs wanneer die rente één jaar langer, tot 1 september 2019, zou hebben doorgelopen. Dit acht het hof redelijk, mede gelet op hetgeen partijen en deskundigen over tijdsverloop, indexering en dubbeltellingen hebben aangevoerd. Het hof gaat daarom uit van werkelijke grondkosten van € 2.007.620,-. Dat is € 537.437,- méér dan de deskundigen hebben begroot. 9.7 Per saldo begroot het hof de werkelijke investeringskosten op € 7.958.937,-. slotsom over de werkelijke situatie 10.1 Op grond van het voorgaande stelt het hof ter begroting van de schade vast dat het Project in de werkelijke situatie vanaf 2019 (€ 9.339.500,- baten minus € 7.958.937,- investeringskosten =) € 1.381.563,- heeft opgebracht. Het hof gaat er voor de begroting van de schade vanuit dat deze opbrengst per 1 juli 2020 is gerealiseerd. 10.2 Omdat [appellanten] per 1 juli 2020 alsnog deze opbrengst uit het Project heeft gehaald, wordt het schadebedrag dat in de hypothetische situatie is berekend (€ 1.486.887,-), met die opbrengst verminderd ter begroting van de uiteindelijk daadwerkelijk geleden schade die de Gemeente moet vergoeden. conclusie over de schadevergoedingsplicht
- Het hof begroot de door de onrechtmatige daad geleden, door de Gemeente te vergoeden, schade op € 105.324,-, zijnde het begrote bedrag in de hypothetische situatie met rente tot 1 juli 2020 (€ 1.486.887,-) minus het begrote bedrag voor de werkelijke situatie per 1 juli 2020 (€ 1.381.563,-). De Gemeente moet dit bedrag aan [appellanten] vergoeden. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 1 juli
- slot 12.1 De conclusie in hoger beroep is dat het vonnis moet worden vernietigd, omdat de grieven van [appellanten] (tot aan de toe te wijzen schadehoogte) slagen. Het hof zal de primaire vorderingen van [appellanten] aangaande het onrechtmatig handelen en de betaling van schadevergoeding toewijzen zoals hierna vermeld. Het hof overweegt dat [appellanten] naast de veroordeling van de Gemeente tot betaling van het schadebedrag dat in dit arrest is begroot, geen belang heeft bij een verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor geleden en nog te lijden schade. 12.2 Van de gevorderde buitengerechtelijke kosten komt € 14.723,58 voor vergoeding in aanmerking, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding, zoals gevorderd. Deze kosten van de rapportage door Bureau Gloudemans heeft [appellanten] redelijkerwijs moeten maken om de mogelijke schade en aansprakelijkheid vast te (laten) stellen voordat zij een procedure als deze startte (art. 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW). Het gevorderde bedrag van € 6.422,- conform het rapport Voorwerk II komt, naast proceskosten, niet voor vergoeding in aanmerking. De werkzaamheden met deze kosten hebben (daarna) gediend ter voorbereiding van de dagvaarding en andere gedingstukken en ter instructie van de zaak. Hiervoor houdt de veroordeling in de proceskosten een vergoeding in. 12.3 Aan beoordeling van de subsidiaire vordering komt het hof niet toe, omdat de primair gevorderde schadevergoeding is toegewezen. 12.4 Het hof zal de Gemeente als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. 12.5 De deskundigen hebben uiteindelijk € 54.181,38 (inclusief BTW) in rekening gebracht. Dit is een redelijk bedrag voor het werk dat zij moesten doen. Deze kosten moet de Gemeente betalen. Bij tussenarrest van 23 juli 2019 is bepaald dat beide partijen de helft van het voorschot van € 55.000,- moeten voldoen. Dit voorschot is hoger dan de uiteindelijke kosten. Het hogere zal aan beide partijen voor de helft worden teruggestort. De Gemeente moet daarom nog € 27.090,69 (de helft van de rekening) aan [appellanten] vergoeden. Beslissing Het hof: - vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 oktober 2017, en opnieuw rechtdoende: - verklaart voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten] door op 20 mei 2008 een (rechtens) onjuist uitwerkingsplan voor het bedrijventerrein Emerald vast te stellen; - veroordeelt de Gemeente tot betaling aan [appellanten] van € 105.324,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt de Gemeente tot betaling aan [appellanten] van de buitengerechtelijke kosten ad € 14.723,58, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2016; - veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellanten] tot op 11 oktober 2017 begroot op € 3.980,- voor de dagvaarding en het griffierecht en op € 8.027,50 aan salaris voor de advocaat; - veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellanten] begroot op € 5.270,- voor het griffierecht, € 27.090,69 aan deskundigenkosten, € 25.054,50 aan salaris voor de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, - en bepaalt dat de bedragen voor de proceskosten binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen; - verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, S.A. Boele en R.M. Hermans en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 22 december 2020 in aanwezigheid van de griffier.