GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 12 februari 2020 Zaaknummer : 200.272.121/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 19-7925 Zaaknummer rechtbank : C/09/582587 [De moeder] , wonende te [naam woonplaats] , gemeente [naam gemeente] , verzoekster, tevens incidenteel verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. E.J. Kim-Meijer te Den Haag, tegen [de vader] , wonende te [naam woonplaats] , [naam Staat] , Verenigde Staten van Amerika, verweerder, tevens incidenteel verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. M.T. Wernsen te Den Haag. Als belanghebbende is aangemerkt: [naam bijzondere curator] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de na te noemen minderjarige, hierna: de bijzondere curator; als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn is aangemerkt: de stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming Haaglanden, gevestigd te Den Haag hierna te noemen: de raad. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De moeder is op 13 januari 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van de rechtbank Den Haag van 6 november 2019, 20 november 2019 en 30 december 2019. De vader heeft op 22 januari 2020 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend. De moeder heeft op 24 januari 2020 een verweerschrift in incidenteel appel ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de moeder: - op 21 januari 2020 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage; van de zijde van de bijzondere curator: - op 20 januari 2020 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage; - op 24 januari 2020 een reactie per email op een email van het hof van diezelfde datum, met als inhoud dat haar aanwezigheid ter zitting geen toegevoegde waarde heeft nu de hierna te noemen minderjarige niet gehoord kan worden, en dat zij de inhoud van haar verslag, ingebracht in de procedure bij de rechtbank, in hoger beroep handhaaft. De zaak is op 24 januari 2020 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: namens de moeder haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; met instemming van alle betrokkenen is mr. L.L. Schipper-Heikens, kantoorgenoot van mr. Wernsen, als toehoorder tot de zitting toegelaten; mevrouw [naam raadsmedewerker] namens de raad. De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. De hierna te noemen minderjarige is niet in raadkamer gehoord, omdat de minderjarige om voor het hof onbekende reden geen gebruik heeft gemaakt of kunnen maken van de door het hof geboden mogelijkheid op het teruggeleidingsverzoek te worden gehoord. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 6 november 2019 is [naam bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , [naam Staat] , Verenigde Staten van Amerika, hierna te noemen: de minderjarige. Iedere verdere beslissing is aangehouden en de zaak is verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer op 20 november 2019. Bij beschikking van 20 november 2019 heeft de rechtbank Den Haag, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (verder: Uitvoeringswet) de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Rotterdam met de voorlopige voogdij over de minderjarige belast. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 december 2019 is de terugkeer gelast van de minderjarige naar de Verenigde Staten van Amerika uiterlijk op 16 januari 2020, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar de Verenigde Staten van Amerika, en heeft de rechtbank bevolen dat, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar de Verenigde Staten van Amerika, de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 16 januari 2020, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar de Verenigde Staten van Amerika. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Ter zitting in hoger beroep is verder gebleken dat sinds 7 januari 2020 niet duidelijk is waar de moeder en de minderjarige zich bevinden. De advocaat van de moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij geen informatie kan verstrekken over de actuele verblijfplaats van de moeder en de minderjarige omdat de moeder haar niet heeft verteld waar die is. Volgens de advocaat van de vader bevinden de moeder en de minderjarige zich momenteel in Wit-Rusland. Namens de raad is ter zitting aangegeven dat er aanwijzingen zijn dat de moeder en de minderjarige zich inderdaad in Wit-Rusland bevinden. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de gelaste terugkeer van de minderjarige naar de Verenigde Staten van Amerika, hierna ook te noemen: de VS. 2. De moeder verzoekt de beschikkingen van de rechtbank Den Haag van 6 november 2019, 20 november 2019 en 30 december 2019 te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alle verzoeken van de vader in zijn inleidend verzoekschrift af te wijzen, en te bepalen dat de vader de kosten van de moeder in eerste aanleg en in hoger beroep, nader op te maken bij staat, bestaande uit de griffierechten, de tolkkosten en de kosten advocaat, aan haar zal dienen te betalen. 3. De vader verzoekt primair de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader de beschikking van 30 december 2019 te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, al zijn verzoeken toe te wijzen en de verzoeken van de moeder af te wijzen. Het hof begrijpt dat de vader in incidenteel appel verzoekt dat de teruggeleiding van de minderjarige wordt gelast naar een specifieke locatie, te weten [naam woonplaats] , [naam Staat] , en voorts dat wordt bepaald dat de minderjarige aan hem wordt overgedragen opdat hij de minderjarige zelf naar voormelde locatie kan meenemen. 4. De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alle verzoeken van de vader als neergelegd in zijn verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel af te wijzen. Ontvankelijkheid 5. De vader stelt dat de moeder niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar appel, aangezien zij na de uitspraak van 30 december 2019 en vóór het instellen van het appel op 13 januari 2020, op of omstreeks 7 januari 2020, de minderjarige – opnieuw – heeft ontvoerd naar Wit-Rusland en daar sindsdien met de minderjarige verblijft. Daarmee maakt zij volgens de vader een eerlijk proces en de tenuitvoerlegging van het teruggeleidingsbevel onmogelijk. De moeder betwist dat zij niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. 6. Naar het oordeel van het hof zijn er rechtens geen gronden om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep. In dit verband overweegt het hof dat artikel 12 lid 3 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 (verder: HKOV) bepaalt dat, wanneer de aangezochte rechter redenen heeft om aan te nemen dat de minderjarige naar een andere staat is meegenomen, hij de procedure kan schorsen of het verzoek tot terugkeer van de minderjarige kan afwijzen. Dit voorschrift lijkt te zijn ingegeven vanuit de gedachte dat de rechter van de staat waar het kind zich bevindt, het beste kan oordelen over een verzochte teruggeleiding, mede gelet op de tenuitvoerlegging van een bevel tot terugkeer dat geëffectueerd dient te worden in de staat waar het kind zich bevindt. Nog daargelaten dat het hof in deze bepaling geen verplichting maar een bevoegdheid leest voor de aangezochte rechter, is het hof van oordeel dat een schorsing van de procedure of een afwijzing van het verzoek niet in het belang van de minderjarige is, aangezien op dit moment onduidelijk is waar de moeder en de minderjarige zich bevinden en de vader belang heeft bij een beslissing op zijn verzoek tot teruggeleiding van de rechter van de staat waar het zich in ieder geval gedurende de procedure in eerste aanleg bevond. Het hof is dan ook van oordeel dat de moeder ontvankelijk is in haar beroep en zal het hoger beroep van de moeder inhoudelijk behandelen. Toelichting van de moeder op grieven 7. Alvorens de zaak inhoudelijk te behandelen merkt het hof op dat op pagina 57 van het beroepschrift van de moeder is vermeld dat de moeder een reactie heeft geschreven op de processtukken van de zijde van de vader (bijlage P) en dat de inhoud daarvan als ingelast beschouwd moet worden als toelichting van de moeder op de grieven. Het hof gaat voorbij aan de toelichting van de moeder op de grieven die niet in het beroepschrift zelf is uitgewerkt, omdat deze toelichting niet geldt als een deugdelijk door de advocaat naar voren gebrachte toelichting op de grieven die voor de wederpartij en het hof ook als zodanig kenbaar is. Grieven met betrekking tot de beschikking van 6 november 2019 8. De moeder heeft verschillende grieven aangevoerd tegen de beschikking van 6 november 2019, waarbij een bijzondere curator over de minderjarige is benoemd. De grieven hebben betrekking op de duiding door de rechtbank van het verzoek van de vader in de Amerikaanse procedure en van de beslissing van The Superior Court of [naam Staat] (grieven 1-2), de inhoud van een kort gedingvonnis van de Nederlandse rechter (grief 3), de omstandigheid dat de rechtbank kennis heeft genomen van het inleidend verzoekschrift van de vader en geen regiezitting heeft bepaald (grief 4), en de overweging van de rechtbank dat in diverse tussen partijen gevoerde procedures in de VS en Nederland reeds voorlopige dan wel eindbeslissingen zijn genomen (grief 5). De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 9. Het hof oordeelt als volgt. Bij beschikking van 6 november 2019 heeft de rechtbank een bijzondere curator benoemd over de minderjarige en iedere verdere beslissing aangehouden. De grieven van de moeder tegen deze beschikking hebben geen betrekking op de benoeming van de bijzondere curator. De moeder heeft in de toelichting op haar grieven niet duidelijk gemaakt wat zij met die grieven beoogt. Met haar grieven beoogt de moeder in ieder geval geen andere beslissing te verkrijgen dan de beslissing van de rechtbank tot benoeming van [naam bijzondere curator] tot bijzondere curator over de minderjarige. Reeds om deze reden falen de grieven van de moeder tegen de beschikking van 6 november 2019. Grief met betrekking tot de beschikking van 20 november 2019 10. In haar grief tegen de beschikking van 20 november 2019 stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Rotterdam heeft belast met de voorlopig voogdij over de minderjarige. Zij voert daartoe het volgende aan. De rechtbank heeft de beslissing genomen nadat de moeder de voltallige meervoudige kamer had gewraakt. De moeder kan zich er niet in vinden dat de rechtbank ondanks de wraking verder is gegaan met de mondelinge behandeling en zonder een inhoudelijke behandeling aan het eind van de zitting de voorlopige voogdij mondeling heeft uitgesproken. Voorts betoogt de moeder dat uitsluitend in de voorlopige voogdij kan worden voorzien indien dit nodig is voor de tenuitvoerlegging van de teruggeleidingsbeslissing in het belang van de minderjarige, hetgeen volgens de moeder niet aan de orde is. De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank in het belang van de minderjarige de voorlopige voogdij terecht over hem heeft uitgesproken. 11. Het hof oordeelt als volgt. De rechter mag op grond het bepaalde in artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet ambtshalve een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet belasten met de voorlopige voogdij over een kind, indien gevaar bestaat dat het wordt onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in het vijfde lid. Aangezien de moeder de voltallige kamer van de rechtbank reeds had gewraakt op het moment dat de rechtbank de voorlopige voogdij mondeling uitsprak, is het hof van oordeel dat deze beslissing van de rechtbank rechtskracht ontbeert. Het vorenstaande laat echter onverlet, dat het hof van oordeel is dat in appel alsnog de voorlopige voogdij over de minderjarige uitgesproken dient te worden, omdat er, gelet op de stellingen van de vader en de raad dat de moeder de minderjarige recentelijk heeft meegenomen naar Wit-Rusland, althans het buitenland, gevaar bestaat dat de minderjarige wordt onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een teruggeleidingsbevel. Het hof baseert zijn internationale bevoegdheid in dit verband op artikel 20 lid 1 Brussel II-bis in verbinding met artikel 5 Rv, aangezien vast staat dat de minderjarige op het moment van het inleiden van de onderhavige procedure zijn werkelijke verblijfplaats in Nederland had. Grieven met betrekking tot de beschikking van 30 december 2019 12. De moeder heeft tegen de beschikking van 30 december 2019 tien grieven aangevoerd, waarin zij kort gezegd betoogt dat: - de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ouders de afspraak hadden om voor slechts één jaar met de minderjarige in Nederland te wonen om vervolgens terug te keren naar de VS (grieven 1 en 4); - de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet gesteld of gebleken is dat de ouders definitief afscheid hadden genomen van hun sociale omgeving in de VS (grief 2); - de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het onwaarschijnlijk voor komt dat de plannen voor het bouwen van een woning in de VS doorgang zouden vinden als er sprake zou zijn van een permanente verhuizing naar Nederland (grief 3); - de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Whatsapp-berichten van de vader er op wijzen dat tussen de ouders geen overeenstemming bestond over een verblijf van de minderjarige in Nederland van langer dan een jaar (grief 4); - de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland alleen gold in de periode waarover de ouders het eens waren en niet voor de periode daarna (grief 5); - de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de minderjarige in Nederland vanaf 2 september 2019 en de indiening van het verzoek op 31 oktober 2019, zij niet toekomt aan de vraag of de minderjarige in Nederland is geworteld (grief 6); - de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de moeder in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vader niet heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b HKOV, te weten seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader jegens de minderjarige, zich voordoet (grief 7); - de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond zodat de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige dient te volgen (grief 8); - de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gezien om een kostenveroordeling uit te spreken (grief 9); - de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het EVRM en het (IVRK) (grief 10). 13. De vader stelt zich op het standpunt dat geen van de grieven van de moeder doel treffen zodat haar verzoeken afgewezen moeten worden. Rechtsmacht 14. Het hof is van oordeel dat het rechtsmacht heeft om het verzoek in hoger beroep te behandelen. Nog afgezien van het feit dat de moeder en de minderjarige zich ten tijde van het inleidend verzoek in Nederland bevonden, staat geenszins vast dat dit nu niet langer het geval zou zijn. De advocaat van de moeder heeft verklaard niet te weten waar de minderjarige zich nu bevindt. Weliswaar wordt door de vader gesteld dat de moeder en de minderjarige zich nu in Wit-Rusland zouden bevinden, maar concrete aanwijzingen dat de minderjarige zich niet langer in Nederland bevindt, ontbreken. 15. Het hof oordeelt als volgt. Uit de toelichting bij de grieven volgt dat de moeder zich in de onderhavige teruggeleidingsprocedure beroept op het gezag van gewijsde van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 16 september 2019 in de bodemzaak die door de vader aanhangig is gemaakt op grond van art. 1:253a BW. Het betoog van de moeder houdt in de kern genomen in (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.