Rolnummer: 22-001485-19 Parketnummer: 83-101236-17 Datum uitspraak: 19 maart 2020 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam van 17 april 2019 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1968, [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 5 maart 2020. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 18 januari 2017 te Rotterdam, in/nabij de Prinses Margriethaven, zijnde een water, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c van de Visserijwet 1963, twee, in ieder geval meer dan het in artikel 10 van de Verordening 2016/72 (Verordening vangstmogelijkheden) bedoeld aantal zeebaars voorhanden heeft gehad, zijnde een overtreding van een voorschrift dat in de EU-verordening No. 1005/2008 en EU-verordening No. 1224/2009, in elk geval in (een) EU-verordening ter uitvoering waarvan het strekt, niet als ernstige inbreuk wordt aangemerkt. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 18 januari 2017 te Rotterdam, nabij de Prinses Margriethaven, zijnde een water, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c van de Visserijwet 1963, twee, in ieder geval meer dan het in artikel 10 van de Verordening 2016/72 (Verordening vangstmogelijkheden) bedoeld aantal zeebaars voorhanden heeft gehad, zijnde een overtreding van een voorschrift dat in de EU-verordening No. 1005/2008 en EU-verordening No. 1224/2009, in elk geval in (een) EU-verordening ter uitvoering waarvan het strekt, niet als ernstige inbreuk wordt aangemerkt. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverweging Het hof gaat uit van het volgende. De verdachte heeft op 18 januari 2017 nabij de Margriethaven te Rotterdam twee zeebaars voorhanden gehad. Het navolgende is voor de beoordeling van deze zaak van belang: Artikel 120 Uitvoeringsregeling zeevisserij, tweede lid luidt –voor zover hier van belang-: “Het is verboden op zee, in het zeegebied, in de kustwateren, in de visserijzone of in de onmiddellijke nabijheid van die wateren meer dan het in artikel 10 van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde aantal zeebaars (…) voorhanden te hebben.” De hier bedoelde ‘verordening vangstmogelijkheden’ betreft volgens artikel 1, tweede lid van de Uitvoeringsregeling zeevisserij de: Verordening van de Raad van PM tot vaststelling, voor 2017, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Uniewateren en, voor Unievaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU van toepassing zijn. De verordening voor 2016 is de ook in de tenlastelegging genoemde Verordening 2016/72. Verordening (EU) 2016/72 van de Raad van 22 januari 2016 bepaalt in artikel 10 Maatregelen inzake zeebaarsvisserijen –voor zover voor deze zaak van belang- dat: “5. Van 1 januari tot en met 30 juni 2016 moet in het kader van de recreatievisserij in ICES-sectoren IVb, IVc, VIIa en van VIId tot en met VIIh gevangen zeebaars weer worden teruggezet, eventueel vanaf de kust. Het is gedurende die periode verboden om zeebaars die in die gebieden is gevangen, aan boord te hebben, over te laden, te verplaatsen of aan te landen. 6.In het kader van recreatievisserijen, inclusief vanaf de kust, mag elke visser niet meer dan één zeebaars per dag houden gedurende de volgende perioden en in de volgende gebieden: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.