GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.261.941/02 Zaaknummer rechtbank : 6933592 RL EXPL 18-11257 arrest van 7 april 2020 inzake 1 [naam 1] , handelend onder de naam [handelsnaam] , 2. [naam 2], beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellanten, hierna te noemen: [appellant sub 1] en [appellante sub 2] , en gezamenlijk ook [appellanten] , advocaat: mr. [appellant sub 1] , tegen mr. Liebegien Alexandra Brascamp, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van Installatiebedrijf [X] B.V., gekozen woonplaats: Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, geïntimeerde, hierna te noemen: de curator, niet verschenen. 1Het geding Bij exploot van 24 juni 2019 is [appellanten] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, sector kanton, zittingsplaats Den Haag, van 18 juni 2019 (hierna: het bestreden vonnis). Op de rolzitting van 9 juli 2019 heeft [appellanten] een akte wijziging/vermeerdering van eis genomen. Aan de curator is verstek verleend. Na royement en hervatting heeft [appellanten] een memorie van grieven genomen, met producties A-J, de stukken gefourneerd en arrest gevraagd. 2Beoordeling van het hoger beroep 2.1. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zijn echtgenoten. Installatiebedrijf [X] B.V. (hierna: [Installatiebedrijf X] ) heeft in het verleden bouw- en/of installatiewerkzaamheden verricht voor [appellanten] [appellant sub 1] heeft als advocaat werkzaamheden verricht, die hij bij [Installatiebedrijf X] in rekening heeft gebracht. [Installatiebedrijf X] is op 13 december 2016 failliet verklaard, met benoeming van de curator als zodanig. 2.2. Procedure en vonnis in eerste aanleg, grieven. De curator heeft [appellanten] in eerste aanleg gedagvaard voor de kantonrechter te Den Haag, en hem aangesproken tot betaling van facturen van [Installatiebedrijf X] tot in hoofdsom € 13.630,28, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 911,30, rente en de kosten van het geding. [appellanten] heeft zich tegen deze vordering verweerd met enerzijds betwisting van de door de curator ingeroepen facturen van [Installatiebedrijf X] 160427, 160696 en 160768 ten bedrage van in hoofdsom € 1.669,59, en anderzijds een beroep op verrekening met declaraties van [appellant sub 1] aan [Installatiebedrijf X] ten bedrage van in hoofdsom € 11.924,55. 2.3. De curator heeft het verrekeningsverweer van [appellanten] weersproken met samengevat de volgende argumenten: tussen partijen gold een contractueel verrekeningsverbod; het verrekeningsverweer voldoet niet aan het voor verrekening geldende wederkerigheidsvereiste, althans stuit af op de faillissementspauliana; en verrekening is in strijd met artikel 6:27 van de Verordening op de advocatuur. 2.4. Met het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van de curator toegewezen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.5. Met zijn grieven komt [appellanten] op tegen de (impliciete) verwerping van zijn verweren door de kantonrechter. [appellanten] heeft gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen, de vorderingen van de curator ongegrond te verklaren en de curator te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Bij wijze van eisvermeerdering heeft hij voorts gevorderd de curator te veroordelen in de kosten van € 2.786,79 die [appellanten] stelt te hebben moeten maken om aan het bestreden vonnis te voldoen. 2.6. Betwisting [Installatiebedrijf X] -facturen door [appellanten] De kantonrechter is op de betwisting van [appellanten] van de [Installatiebedrijf X] -facturen 160427, 160696 en 160768 in het geheel niet ingegaan. Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] deze betwisting genoegzaam toegelicht onder verwijzing naar een schriftelijke verklaring van de heer [de bestuurder] , (voormalig) bestuurder van [Installatiebedrijf X] (hierna: [de bestuurder] ) (productie 4 bij de conclusie van antwoord), waarin [de bestuurder] uitlegt dat en waarom deze facturen als ingetrokken moeten worden beschouwd. Uit het gefourneerde procesdossier blijkt niet dat de curator deze betwisting van [appellanten] nog (nader) heeft weersproken. In zoverre dient haar vordering dan ook te worden afgewezen. 2.7. Verrekeningsverweer van [appellanten] Het door [appellanten] gedane beroep op verrekening heeft de kantonrechter verworpen met het oordeel dat tussen partijen geen sprake was van een rekening-courantverhouding en bovendien niet was voldaan aan het wederkerigheidsvereiste. Voor dit laatste was volgens de kantonrechter redengevend dat een deel van de declaraties van [appellant sub 1] betrekking had op werkzaamheden die hij niet voor [Installatiebedrijf X] had verricht, maar voor haar (indirect) bestuurder [de bestuurder] of haar aandeelhouder [X] Holding B.V. (hierna: [X] Holding). i. verrekeningsverbod vs -afspraak 2.8. [appellanten] voert terecht aan dat voor een beroep op verrekening op zichzelf niet vereist is dat met de wederpartij een rekening-courantverhouding (in de zin van artikel 6:140 BW) bestaat. Het oordeel van de kantonrechter op dit punt moet evenwel aldus worden begrepen – althans dient op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep het betreffende tegenweer van de curator te worden beoordeeld – dat niet kan worden vastgesteld dat tussen [appellanten] en [Installatiebedrijf X] een (doorlopende) verrekeningsafspraak bestond die derogeerde aan het verrekeningsverbod uit de algemene voorwaarden die (overigens) toepasselijk waren op de door [Installatiebedrijf X] van [appellanten] aangenomen werken. [appellanten] komt kennelijk echter ook op tegen dat oordeel, aldus begrepen (althans het betreffende tegenweer van de curator). Hij voert aan dat hij in 2011 met [de bestuurder] heeft afgesproken dat vorderingen van [appellant sub 1] op v.o.f. [X v.o.f.] (hierna: [X v.o.f.] ) verrekenbaar waren met (tegen)vorderingen van [X v.o.f.] op [appellanten] verwijst hiertoe naar een e-mail van [de bestuurder] aan [appellant sub 1] van 9 augustus 2011, die voor zover van belang inhoudt: “Overigens gaan wij akkoord met uw voorstel om vorderingen van ons op u en uw vrouw te verrekenen met vorderingen van u op [X v.o.f.] ”. [X v.o.f.] is per 19 maart 2012 ontbonden. Per diezelfde datum heeft [de bestuurder] [Installatiebedrijf X] opgericht, die de onderneming van [X v.o.f.] heeft voortgezet. [appellanten] stelt dat ook de door hem bedoelde verrekeningsafspraak met [X v.o.f.] daarmee (stilzwijgend) is overgegaan naar c.q. is voortgezet door [Installatiebedrijf X] . 2.9. De curator heeft op zichzelf niet de inhoud van de hiervoor bedoelde e-mail van 9 augustus 2011 betwist. Zij heeft ook niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist dat de hierin belichaamde afspraak niet (slechts) zag op concrete/bestaande vorderingen, maar ook op toekomstige vorderingen. De e-mail spreekt immers ongeclausuleerd over “vorderingen”. Aan deze afspraak konden partijen over en weer bevoegdheid tot verrekening ontlenen, ook voor toekomstige schulden/vorderingen; [appellanten] heeft dat althans uit deze e-mail redelijkerwijze mogen begrijpen. Hieraan doet niet af dat [de bestuurder] later heeft verklaard dat “partijen steeds afspraken voor welke werkzaamheden verrekend zou mogen worden”, omdat hij in diezelfde verklaring evengoed stelt dat partijen hadden afgesproken dat tot nader order verrekend zou mogen worden. 2.10. De curator heeft betwist dat deze verrekeningsafspraak is overgegaan op c.q. ook geldt voor [Installatiebedrijf X] . Zij heeft gesteld dat dat nergens uit blijkt, dat inbreng van een onderneming doorgaans plaatsvindt in een holding en dat vervolgens wordt “uitgezakt” naar een werkmaatschappij, en dat voor schuldoverneming instemming van de schuldeiser nodig is, en voor verrekening een verklaring, en dat (ook) daarvan niet blijkt. De curator heeft ook gesteld dat [appellanten] in 2016 de facturen van [Installatiebedrijf X] , afgezien van de facturen waarvan zij nu betaling vordert, steeds giraal (en niet door verrekening) heeft betaald. In dit verband heeft zij een beroep gedaan op een e-mail van [de bestuurder] aan [appellant sub 1] van 20 juni 2016 waarin [de bestuurder] vraagt: “Kunt u het openstaande bedrag aan ons overmaken, dan zijn we weer glad”. 2.11. Al deze argumenten van de curator falen echter. Haar stelling over het (gebruikelijke) “uitzakken” naar een werkmaatschappij bij inbreng van een onderneming in een BV-structuur ontkracht het standpunt van [appellanten] in dit specifieke geval niet: de verrekeningsafspraak kan immers ook via die door de curator beschreven route bij [Installatiebedrijf X] zijn ingebracht. De stelling van de curator over schuldoverneming is in dit verband niet van belang omdat in dit geval geen schulden/vorderingen uit de tijd van [X v.o.f.] ter discussie staan. Voor zover de curator mocht hebben bedoeld een beroep te doen op het ontbreken van voor contractsoverneming vereiste instemming van de wederpartij (artikel 6:159 lid 1 BW), stuit dit af op het beroep op verrekening door [appellanten] , en zijn kennelijke standpunt dat de afspraken daarover stilzwijgend waren gaan gelden tussen hem en [Installatiebedrijf X] . Bovendien moet het standpunt van [appellanten] aldus worden begrepen, en dat standpunt is ook in die zin gegrond, dat hij er in het licht van de voorheen tussen hem en [de bestuurder] namens [X v.o.f.] gemaakte verrekeningsafspraak op heeft vertrouwd en er redelijkerwijze op heeft mogen vertrouwen dat ook [Installatiebedrijf X] , de nieuwe vennootschap van [de bestuurder] , vanaf het moment dat deze de onderneming van [X v.o.f.] had voortgezet, tot nader order instemde met verrekening – wat impliceert: geen beroep zou (gaan) doen op het verrekeningsverbod uit de algemene voorwaarden. Daarvoor was geen “overneming” van deze afspraak van [X v.o.f.] door [Installatiebedrijf X] in de zin van artikel 6:159 BW nodig, zodat ook niet van belang is of tussen deze partijen ter zake een akte is opgemaakt (zoals door artikel 6:159 lid 1 BW vereist). De voor verrekening vereiste verklaring heeft [appellanten] duidelijk (veelvuldig) afgelegd in zijn processtukken in de onderhavige procedure. Dit kon ook na de faillietverklaring van [Installatiebedrijf X] op grond van artikel 53 lid 1 Fw. De stelling van de curator over de girale betalingen van [appellanten] in 2016 maakt niet dat [appellanten] ter zake van andere betalingsverplichtingen jegens [Installatiebedrijf X] (thans) geen beroep kan doen op verrekening. De passage in de e-mail van [de bestuurder] aan [appellant sub 1] van 20 juni 2016 waarop de curator een beroep doet, wordt in deze e-mail voorafgegaan door: “Wij zullen de eerdere en de nieuwe declaraties verrekenen met onze openstaande posten, zie het bijgevoegde overzicht”. Uit deze e-mail en de daaraan voorafgegane e-mail van [appellant sub 1] blijkt dat het “saldo” waarvan [de bestuurder] betaling vraagt, het bedrag betreft dat na verrekening resteert. De e-mail waarop de curator een beroep doet bevestigt dus slechts het standpunt van [appellanten] , in plaats van dat het dit ontkracht. Het beroep van de curator op het verrekeningsverbod uit de algemene voorwaarden is om al deze redenen ongegrond. ii. wederkerigheid en Pauliana 2.12. De curator heeft zich op het standpunt gesteld dat een aantal van de door [appellanten] ter verrekening ingeroepen declaraties van [appellant sub 1] betrekking heeft op werkzaamheden ten behoeve van niet zozeer [Installatiebedrijf X] als wel [de bestuurder] en/of [X] Holding. In zoverre is volgens haar niet voldaan aan het voor verrekening geldende wederkerigheidsvereiste. Voor zover [appellanten] zich erop heeft beroepen dat [Installatiebedrijf X] (desondanks) met verrekening heeft ingestemd, heeft de curator gesteld dat dit in strijd is met de faillissementspauliana en haar daarom niet kan worden tegengeworpen. Volgens de curator is ook andersom niet aan het wederkerigheidsvereiste voldaan: de door haar ingeroepen facturen van [Installatiebedrijf X] hebben geen betrekking op het kantoor (of de kantoorruimte) van [appellant sub 1] of [appellant sub 1] & Associés, maar op (de woonruimte van) [appellanten] privé. 2.13. Bij de beoordeling van deze argumenten van de curator stelt het hof het volgende voorop. Artikel 6:127 BW vereist voor een beroep op verrekening dat partijen over en weer elkaars debiteur respectievelijk crediteur zijn: dat is wat de curator bedoelt met het wederkerigheidsvereiste. De curator heeft in termen van dit wederkerigheidsvereiste geen consequenties verbonden aan de omstandigheid dat de door haar ingeroepen facturen van [Installatiebedrijf X] zijn gericht aan “ [appellant sub 1] & Associés”. Partijen zijn het erover eens dat [appellanten] debiteur is ter zake van deze facturen, en dat [appellant sub 1] hiervoor, naast [appellante sub 2] , hoofdelijk is verbonden. De door [appellanten] ter verrekening ingeroepen declaraties van [appellant sub 1] zijn gericht aan [Installatiebedrijf X] . De curator heeft, afgezien van haar hierna nog te bespreken beroep op de faillissementspauliana, niet (voldoende gemotiveerd) betwist, mede in het licht van de hiervoor in 2.10-11 aangehaalde passage uit e-mailcorrespondentie tussen [appellant sub 1] en [de bestuurder] uit 2016, dat [de bestuurder] daarmee namens [Installatiebedrijf X] heeft ingestemd. In zoverre faalt het standpunt van de curator dat niet is voldaan aan het wederkerigheidsvereiste van artikel 6:127 BW. Afgezien van het beroep van de curator op de faillissementspauliana, zijn [appellant sub 1] en [Installatiebedrijf X] ter zake van bedoelde facturen en declaraties elkaars debiteur en crediteur. 2.14. Ter beoordeling staat dan nog slechts het beroep van de curator op de faillissementspauliana. Daarvoor dient eerst te worden onderzocht of, en zo ja, in hoeverre de door [appellanten] ingeroepen declaraties niet werkzaamheden ten behoeve van [Installatiebedrijf X] betreffen. Slechts voor zover daarvan volgens de curator sprake is, zo begrijpt het hof haar standpunt, heeft de curator een beroep gedaan op de faillissementspauliana. Wat betreft declaraties 0116019 en 0116032 van [appellant sub 1] heeft de curator niet gesteld dat deze ten onrechte aan [Installatiebedrijf X] zijn gericht. Wat betreft de overige declaraties van [appellant sub 1] heeft [appellanten] samengevat de volgende toelichting gegeven: Declaraties 0115051 en 0116016 betreffen een strafzaak in verband met de vondst van een hennepkwekerij in een bedrijfsgebouw van [Installatiebedrijf X] . [appellant sub 1] verleende rechtsbijstand in het kader van een strafrechtelijk verhoor van [de bestuurder] in deze zaak. Dit betrof de mogelijke betrokkenheid hierbij van [Installatiebedrijf X] en/of haar directie. De medebestuurder van [de bestuurder] , [medebestuurder] (hierna: [medebestuurder] ), heeft toegegeven voor deze hennepkwekerij verantwoordelijk te zijn. [appellant sub 1] heeft daarom in opdracht en ten behoeve van [Installatiebedrijf X] zijn werkzaamheden kunnen verrichten, en deze aan [Installatiebedrijf X] mogen declareren. Declaraties 0115049, 0116015, 0116020 en 0116029 hebben betrekking op door [appellant sub 1] verleende rechtsbijstand in een door [Installatiebedrijf Y B.V.] tegen [de bestuurder] aangespannen procedure. Achtergrond van deze zaak is volgens [appellanten] dat [de bestuurder] de onderneming van [Installatiebedrijf Y B.V.] had gekocht en overgenomen (waaronder de handelsnaam, gereedschappen, auto’s, personeel en contracten) en vervolgens had ingebracht in [Installatiebedrijf X] . [Installatiebedrijf Y B.V.] sprak vervolgens [de bestuurder] aan tot betaling van facturen in verband met de tussen haar en [de bestuurder] gesloten transactie. [de bestuurder] heeft vorderingen in reconventie ingesteld, onder meer strekkende tot nietigverklaring van de overeenkomst met [Installatiebedrijf Y B.V.] en een verbod aan [Installatiebedrijf Y B.V.] tot het voeren van de (handels)naam [Y] . [Installatiebedrijf X] had hierbij volgens [appellant sub 1] belang, vanwege haar eigen handelsnaam ( [X] ). Voorwerp van de rechtsstrijd tussen [Installatiebedrijf Y B.V.] en [de bestuurder] was volgens [appellanten] verder onder meer het al dan niet bestaan destijds van contracten met Vidomes, die [de bestuurder] van [Installatiebedrijf Y B.V.] had gekocht. Dit raakt(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.