GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel Recht Zaaknummer : 200.239.762/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/529613/HA ZA 17-341 Arrest van 25 februari 2020 inzake [de bewindvoerder], handelend onder de naam [handelsnaam], kantoorhoudende te Hoofddorp,hierna ook te noemen: [de bewindvoerder] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [appellante] , appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. J.J. Sneller te Amsterdam, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. G.C. Nieuwland te Den Haag. Het geding Het hof heeft kennis genomen van de volgende processtukken: - het procesdossier in eerste aanleg, waaronder het vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2018 (hierna ook: het bestreden vonnis) (ECLI:NL:RBDHA:2018:2737) - de dagvaarding in hoger beroep van 30 april 2018 - de memorie van grieven (met producties) - de memorie van antwoord (met producties) - het schriftelijk pleidooi van [appellante] (met producties) - het schriftelijk pleidooi van de Staat Tot slot is arrest bepaald. Beoordeling van het hoger beroep 1. Het gaat in deze zaak om het volgende. 1.1. Eind 2002/begin 2003 is [appellante] geëmigreerd naar Oostenrijk. Ten tijde van haar vertrek uit Nederland stond op haar naam bij de (toenmalige) Rijksdienst voor het Wegverkeer, thans de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW) een personenauto met het kenteken [kenteken 1] geregistreerd (hierna: de auto). [appellante] heeft de auto meegenomen naar Oostenrijk en deze daar op 14 oktober 2003 ingeschreven. 1.2. [appellante] heeft bij de RDW niet gemeld dat zij de auto meenam naar Oostenrijk. 1.3. Op 17 november 2006 is de auto in Oostenrijk gesloopt. 1.4. In 2009 is [appellante] weer in Nederland gaan wonen. Sinds september 2009 stond zij ook weer in Nederland ingeschreven. 1.5. In de jaren 2006 tot en met 2012 zijn aan [appellante] met betrekking tot de auto bij beschikking (tenminste) 17 administratieve boetes (hierna ook: de boetebeschikkingen) opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv). Het betreffen boetes ter zake van het ontbreken van het wettelijk voorgeschreven keuringsbewijs (APK) en het ontbreken van de ingevolge de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) vereiste verzekering. De boetes zijn opgelegd naar aanleiding van de zogenaamde registercontroles door de RDW. Dit wil zeggen dat uit controle van het kentekenregister is vastgesteld dat niet aan de relevante wettelijke verplichtingen is voldaan. Eén van deze controles is uitgevoerd in 2006 en de overige controles zijn uitgevoerd in de periode van eind 2009 tot en met september 2012, toen [appellante] al weer in Nederland woonde. [appellante] heeft aanvankelijk geen beroep ingesteld tegen de boetebeschikkingen. 1.6. In 2010 zijn eveneens (tenminste) twee boetes aan [appellante] opgelegd voor verkeersovertredingen (overschrijden van de maximumsnelheid) met betrekking tot een andere, ook op haar naam gestelde, personenauto met het kenteken [kenteken 2] (hierna: de andere auto). Ook tegen deze boetebeschikkingen, die niet waren gebaseerd op registercontrole, heeft [appellante] aanvankelijk geen beroep ingesteld. 1.7. Nadat de boetes onbetaald bleven en verhaal door de deurwaarder niet mogelijk bleek, heeft het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) bij de kantonrechter gevorderd te worden gemachtigd tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling. De kantonrechter heeft in zijn verleende machtigingen onder meer vastgesteld dat [appellante] behoorlijk is opgeroepen, maar niet ter zitting is verschenen. 1.8. De kantonrechter heeft in 2012 en 2013 aan de officier van justitie te Leeuwarden machtigingen tot gijzeling verleend met betrekking tot een aantal boetebeschikkingen ten aanzien van de auto en ten aanzien van de andere auto. 1.9. Op basis van deze machtigingen is [appellante] van (ten minste) 30 september 2013 tot 27 oktober 2013 gegijzeld in een huis van bewaring. Deze gijzeling heeft niet tot betaling van de boetes geleid. 1.10. Met betrekking tot drie andere boetes ten aanzien van de auto is [appellante], na de aankondiging van het toepassen van het dwangmiddel gijzeling, tot betaling overgegaan (een bedrag van € 746,50). 1.11. Op 14 maart 2014 heeft [appellante] aan de RDW verzocht de tenaamstelling van de auto vervallen te verklaren. Hierop heeft de RDW de tenaamstelling per 18 maart 2014 vervallen verklaard. Daarnaast heeft [appellante] de RDW verzocht om de registercontroles te corrigeren, omdat de auto op de controledata reeds was geëxporteerd naar het buitenland. Ook dit verzoek heeft de RDW gehonoreerd. 1.12. Eveneens op 14 maart 2014 heeft [appellante] bij de officier van justitie beroep ingesteld tegen (een aantal) boetebeschikkingen met betrekking tot beide auto's. De officier van justitie heeft daarop de inning van de boetes opgeschort. Mede gelet op de correctieverzoeken aan de RDW heeft de officier van justitie op 7 mei 2014 besloten de onherroepelijk geworden beschikkingen tot het opleggen van de boetes met betrekking tot de auto te vernietigen, omdat hij voldoende aannemelijk achtte dat de auto ten tijde van de oplegging reeds was vernietigd. De boetebeschikkingen met betrekking tot de andere auto zijn in stand gebleven. De daartegen gerichte beroepen zijn niet-ontvankelijk verklaard. 1.13. [appellante] heeft het besluit van de RDW om de tenaamstelling van het kenteken van de auto per 18 maart 2014 te laten vervallen aangevochten in een bestuursrechtelijke procedure. Volgens [appellante] had de tenaamstelling met terugwerkende kracht, met ingang van 14 oktober 2003, vervallen verklaard moeten worden. In hoger beroep heeft de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2681; hierna: de ABRvS) het standpunt van [appellante] gedeeltelijk gehonoreerd, en bepaald dat de tenaamstelling met terugwerkende kracht dient te vervallen met ingang van de dag waarop de auto is gesloopt, 17 november 2006. De datum van 14 oktober 2003 werd niet gehonoreerd omdat [appellante] niet aannemelijk had gemaakt dat de RDW op de hoogte was van de tenaamstelling in Oostenrijk per die datum. 1.14. [appellante] heeft de Staat eind 2016 aansprakelijk gesteld voor alle gevolgen van zijn handelen ten aanzien van de boetebeschikkingen ter zake van de auto. De Staat heeft geen aansprakelijkheid erkend, maar heeft wel aangeboden het onder 1.10 vermelde boetebedrag van € 746,50 aan haar terug te betalen. Dit is inmiddels ook gebeurd. 2. [appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat en zakelijk weergegeven, dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis I. aan het Hof van Justitie van de Europese Unie dan wel aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen voorlegt, deels zakelijk en samengevat weergegeven: of de wijze waarop punitieve sancties ingevolge de Wahv op basis van registervergelijking aan betrokkenen bekend worden gemaakt, waarop deze door een onafhankelijke rechter getoetst kunnen worden en waarop deze tenuitvoergelegd worden, voldoet aan de minimumeisen van het EEG-verdrag, zoals de gelijke behandeling van EU-onderdanen en het vrije verkeer van goederen en personen, en van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten in de EU (hierna: het Handvest), de artikelen 6, 8 en 13 Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de artikelen 2.4, 3.2, 3.40 en 4.8 Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 27 Wetboek van Strafvordering (Sv) en de artikelen 430 en 439 Wetboek van Rechtsvordering (Rv); of de wetgeving waarbij de kentekenregistratie door de RDW/Ministerie bepalend is gemaakt voor de oplegging van een punitieve sanctie aan de kentekenhouder zonder dat feitelijk vast komt te staan dat aan de kentekenhouder een verwijt kan worden gemaakt en waarbij de boeteoplegging, de bekendmaking daarvan en de andere punitieve incassomaatregelen aan de toetsing door de rechter zijn onttrokken, voldoet aan de minimumeisen van artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest te stellen eisen; of de wijze, waarop de RDW in het kader van de Wahv de persoonsgegevens van de door haar beheerde registers punitief verwerkt en het correctierecht toepast voldoet aan de minimaal te stellen eisen van artikel 8 EVRM, de EU-richtlijnen 95/46 en 2016/680, artikel 10 Grondwet en de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp); of de totstandkoming van machtiging tot gijzeling rechtmatig is en of zo’n machtiging alleen maar rechtmatig ten uitvoer kan worden gelegd door de deurwaarder en indien deze vooraf is gegaan door de betekening en aanzegging (artikel 430 lid 3 Rv) en met inachtneming van de artikelen 585 tot en met 592, 594, 598 en 600 d, e, f Rv; of het gebrek aan toetsing door een onafhankelijke rechter binnen 24 uur na de vrijheidsbeneming niet tot onrechtmatigheid van de gijzelneming leidt, althans voor recht verklaart: II. dat de Staat na 14 oktober 2003 met betrekking tot de voertuigverplichtingen van genoemd voertuig geen bevoegdheid had om aan [appellante] boetes op te leggen; III. dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] door haar boetes wegens het onverzekerd en niet gekeurd zijn van een voertuig op te leggen zonder dat bewezen was, vastgesteld door een rechter, dat zij dit motorrijtuig binnen de Nederlandse rechtssfeer had doen deelnemen of toe had gelaten dat het deelnam aan het verkeer en haar dienaangaande een verwijt treft; IV. dat de Staat onrechtmatig (in strijd met artikel 430 lid 3 Rv) heeft gehandeld door voorafgaande aan de aanhouding c.q. de tenuitvoerlegging van de machtiging tot gijzeling, deze machtiging niet in persoon aan [appellante] te betekenen en niet aan te zeggen binnen twee dagen haar verplichtingen na te komen en door tot tenuitvoerlegging over te gaan, zonder inachtneming van de artikelen 585 tot en met 592, 594, 598 en 600 d, e, f Rv terwijl [appellante] onmachtig was te betalen; V. dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld bij de tenuitvoerlegging van een machtiging tot gijzeling door [appellante] niet binnen 24 uur na de vrijheidsbeneming voor de rechter te geleiden ter toetsing van de rechtmatigheid van de detentie/gijzeling; VI. dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door [appellante] na de vrijheidsbeneming niet binnen drie uur te voorzien van rechtsbijstand door een advocaat; VII. dat de Staat jegens [appellante] onrechtmatig tekort is geschoten in haar zorgplicht dat de RDW als registerhouder van het kentekenregister en als oplegger van de boete er niet voor heeft gezorgd dat feitelijk juiste persoonsgegevens verwerkt zijn; VIII. dat de Staat onrechtmatig machtigingen tot gijzeling heeft verkregen en onrechtmatig ten uitvoer heeft gelegd; IX. dat de politie geen bevoegdheid heeft met betrekking tot de incasso van de boetes en verhogingen en kosten en executie van maatregelen, anders dan ter assistentie van de deurwaarder bij de executie van executoriale titels; EN X. de Staat veroordeelt tot betaling aan [appellante] van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; XI. de Staat veroordeelt in de kosten van de procedure. 3. De rechtbank heeft de vorderingen bij het bestreden vonnis afgewezen en heeft [appellante] in de proceskosten veroordeeld. 4. In appel vordert ([de bewindvoerder] namens) [appellante] vernietiging van dit vonnis en alsnog toewijzing van de vorderingen van [appellante], met veroordeling van de Staat in de proceskosten. Volgens het opschrift van de memorie van grieven houdt dit stuk tevens in een “vermeerdering/verandering van eis”, maar noch in het lichaam van de memorie noch in het petitum wordt van een wijziging melding gemaakt, zodat het hof ervan uitgaat dat dit een vergissing is. 5. Op de afzonderlijke grieven van [appellante] gaat het hof hierna voor zover nodig in. Wettelijk kader 6. Bij de beoordeling staat het volgende voorop. 6.1. Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld in het bestreden vonnis heeft de Wahv tot doel om op een efficiënte en effectieve wijze in het verkeer opgelegde sancties (boetes) te innen. Daarbij is het kenteken centraal gesteld en is tot uitgangspunt genomen een risicoaansprakelijkheid voor kentekenhouders. Dit blijkt uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1987/88, 20 329, nr 3 (MvT), p. 14 en nr. 9 (NnavV), p. 3-4). Grief 4, die inhoudt dat van risicoaansprakelijkheid geen sprake is, faalt (in zoverre). 6.2. Kort samengevat is in de Wahv, voor zover thans van belang, het volgende bepaald: a. Een sanctie wordt opgelegd bij gedagtekende beschikking, die wordt toegezonden aan het adres dat de betrokkene heeft opgegeven, en, indien dat niet mogelijk is, aan het adres van de kentekenhouder (artikel 4 Wahv). Als de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking gezonden naar het in de basisregistratie personen (hierna: BRP) vermelde adres, tenzij dit hetzelfde adres is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Als de brief ook op het in de BRP opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de betrokkene bekend te zijn. b. De sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven, indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is (artikel 5 Wahv). c. Tegen de oplegging van een sanctie kan degene tegen wie de beschikking is gericht, binnen zes weken beroep instellen bij de officier van justitie (artikel 6 Wahv jo. artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Een na deze zes weken ingediend beroepschrift zal niet-ontvankelijk worden verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb). Tegen de beslissing van de officier van justitie kan ook weer binnen zes weken beroep worden ingesteld bij de kantonrechter (artikel 9 Wahv jo. artikel 6:7 Awb) en ten slotte, tenzij de opgelegde sanctie niet meer bedraagt dan € 70,-, hoger beroep bij het gerechtshof (thans) Arnhem-Leeuwarden (artikel 14 Wahv). Uit de wetsgeschiedenis van de Wahv blijkt dat de officier van justitie en de rechter de bevoegdheid hebben om de beslissing tot oplegging van een boete respectievelijk de beslissing van de officier tot verwerping van het beroep, volledig te toetsen, dit met het oog op het bepaalde in artikel 6 EVRM (Tweede Kamer, 1987-1988, 20329, nr. 3 p. 16). Volgens vaste rechtspraak is de Wahv-procedure een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang en betekent dit dat indien deze rechtsgang niet of vergeefs is doorlopen, de civiele rechter van de juistheid van de opgelegde sanctie moet uitgaan. d. Op grond van artikel 22 Wahv was de officier van justitie belast met de inning van de sanctie (sinds 1 januari 2018 is de Minister van Justitie en Veiligheid met de inning belast). De wijze waarop de inning plaatsvindt, is neergelegd in de artikelen 22-30 Wahv. e. Indien een opgelegde sanctie (en de wettelijke verhogingen) niet binnen de daartoe gestelde termijn wordt (worden) betaald, kan de officier van justitie overgaan tot het nemen van maatregelen tot verhaal. Indien verhaal niet heeft kunnen plaatsvinden, voorziet de Wahv in een aantal dwangmiddelen, waaronder gijzeling (artikel 28 Wahv). De officier van justitie moet bij de kantonrechter een machtiging tot gijzeling vorderen. De kantonrechter controleert ambtshalve of degene om wie het gaat, behoorlijk is opgeroepen (artikel 28 lid 2 Wahv). Degene aan wie de sanctie is opgelegd, kan in deze procedure verweer voeren en bijvoorbeeld een (onderbouwd) beroep op betalingsonmacht doen. Tegen de beslissing van de kantonrechter tot het verlenen van een machtiging tot gijzeling staat geen rechtsmiddel open (eveneens artikel 28 lid 2 Wahv). Het CJIB is namens het openbaar ministerie met de tenuitvoerlegging van de machtiging tot gijzeling belast. Onrechtmatigheid boetebeschikkingen vorderingen II en III / grieven 3, 5 en 6 7. Vaststaat dat [appellante] de RDW in 2003 niet van de uitvoer naar Oostenrijk op de hoogte heeft gesteld, waardoor het kenteken op haar naam is blijven staan, totdat zij in maart 2014 actie ondernam. In de tussentijd zijn de boetes ten aanzien van de auto (het hof komt hierna nog terug op de beschikkingen ten aanzien van de andere auto) op basis van registercontrole aan [appellante] opgelegd. [appellante] meent dat dit systeem van registercontrole onrechtmatig is en stelt dat alleen boetes opgelegd mogen worden als eerst bewezen is, vastgesteld door een rechter, dat de kentekenhouder de auto daadwerkelijk aan het verkeer heeft doen deelnemen of heeft toegelaten dat dit gebeurde en dat dit aan de kentekenhouder kan worden toegerekend. 8. Vorderingen II en III zijn op dit standpunt gebaseerd. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat deze vorderingen niet toewijsbaar zijn. 8.1. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking.- Bezwaren ten aanzien van de (concrete uitvoering van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.