GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.247.846/01 Zaaknummer rechtbank : 6789951 / CV EXPL 18-11967 arrest van 21 april 2020 in de zaak van Noah Detacheringen B.V., gevestigd te Malden, gemeente Heumen, appellante, hierna te noemen: Noah, advocaat: mr. C.J. Diks te Nijmegen, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. T. Bogers te Bilthoven. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: het procesdossier van de eerste aanleg, het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2018, de dagvaarding in hoger beroep van 9 oktober 2018, het tussenarrest van 4 december 2018 waarbij een comparitie na aanbrengen is gelast, het proces-verbaal van de op 23 januari 2019 gehouden comparitie, met het daarin genoemde stuk, de memorie van grieven van Noah, de memorie van antwoord van [geïntimeerde]. 2De zaak in het kort 2.1. Verhuurder [geïntimeerde] heeft een woning verhuurd aan een uitzendbureau, Noah. Noah laat vervolgens (buitenlandse) uitzendkrachten in de woning verblijven. In een verordening van de gemeente Rotterdam is bepaald dat bewoners van deze woning moeten beschikken over een huisvestingsvergunning. Noah was daar niet van op de hoogte. Noah krijgt een boete van de gemeente omdat zij de woning in gebruik heeft gegeven aan bewoners (de uitzendkrachten) die niet beschikten over een vergunning. Noah spreekt daarop verhuurder [geïntimeerde] aan en eist dat deze de boete als schade aan haar vergoedt. De vraag is wie in de verhouding tussen huurder en verhuurder aansprakelijk is voor de boete die de gemeente aan huurder Noah heeft opgelegd. 3Feiten 3.1. In hoger beroep kan worden uitgegaan van het volgende. 3.2. [geïntimeerde] heeft vanaf 7 januari 2017 de woning aan de [adres 1] te [plaatsnaam] (hierna: de woning) verhuurd aan Noah. Volgens de huurovereenkomst is de woning bestemd om te worden gebruikt als woonruimte voor twee personen. De huurprijs bedroeg € 240 per week, inclusief normaal gebruik van gas, water en licht. 3.3. Noah is een uitzendorganisatie. Zij heeft de woning in gebruik gegeven aan buitenlandse uitzendkrachten die door haar tijdelijk waren uitgeleend aan een opdrachtgever voor een project in Rotterdam. 3.4. De gemeente Rotterdam (hierna ook: de gemeente) heeft bij “ Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad” (hierna: de Verordening) een aantal gebieden aangewezen waarvoor geldt dat bewoners over een huisvestingsvergunning moeten beschikken. De woning ligt in zo’n gebied. Deze verordening bepaalt in artikel 2.2: “1. Het is verboden een in artikel 2.1. aangewezen woonruimte zonder een huisvestingsvergunning in gebruik te nemen voor bewoning. 2. Het is verboden de in het vorige lid bedoelde woonruimte voor bewoning in gebruik te geven aan een huishouden dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning voor deze woonruimte.” 3.5. Op 14 februari 2017 heeft de gemeente een inspectie uitgevoerd naar het gebruik van de woning. 3.6. Bij brief van 13 april 2017 gericht aan Noah heeft de gemeente naar aanleiding van deze inspectie aangekondigd voornemens te zijn Noah een bestuurlijke boete van € 4.000 op te leggen. De gemeente schrijft dat de reden hiervoor is dat Noah de woning in gebruik heeft gegeven aan een huishouden dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning voor deze woonruimte en dat zij daarmee artikel 8 lid 2 van de Huisvestingswet 2014 en artikel 2.2 lid 2 van de Verordening overtreedt. Noah wordt in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. 3.7. Door middel van een tweede brief van 13 april 2017 heeft de gemeente aan Noah bericht dat zij om dezelfde reden voornemens is om een last onder dwangsom op te leggen, waarbij de dwangsom op € 3.000 is gesteld. Noah wordt ook hier in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. 3.8. Per e-mail van 25 april 2017 heeft Noah haar zienswijze aan de Gemeente gestuurd. Daarin schrijft Noah onder meer dat zij de woning huurt van een derde, dat de regeling niet bij Noah bekend was, dat naar haar mening de verantwoordelijkheid bij de verhuurder ligt om Noah hiervan voortijdig op de hoogte te brengen en dat de verhuurder/eigenaar heeft aangegeven dat hij ook niet op de hoogte was van de regeling. 3.9. In antwoord op de door Noah ingediende zienswijze bericht de gemeente per brief van 9 mei 2017 het volgende over de last onder dwangsom: “U hebt binnen de gestelde termijn uw zienswijze kenbaar gemaakt die kort samengevat hierop neer komt: u geeft aan dat u de woning huurt en de huisvestingsvergunning niet bij u bekend was. U bent van mening dat de verantwoording bij de verhuurder ligt om u te informeren over desbetreffende regel. De verhuurder/eigenaar van de woning was ook niet op de hoogte van deze regelingen. (…) Ik wil hier als volgt op reageren: U bent als overtreder aangemerkt omdat u de woning feitelijk in gebruik heeft gegeven. U had, voordat u de woning aan derden in gebruik gaf, zich moeten (laten) informeren over de geldende wet- en regelgeving. (…) Ik zie daarom in uw zienswijze geen aanleiding af te zien van mijn voornemen u een last onder dwangsom op te leggen. (…) (…) U dient het in gebruik geven van deze woonruimte aan een huishouden zonder dat deze beschikt over een huisvestingsvergunning binnen drie maanden na dagtekening van dit besluit te eindigen, bij gebreke waarvan u een dwangsom van € 3.000,00 verbeurt.” 3.10. De gemeente heeft ook niet afgezien van de opgelegde boete van € 4.000. 3.11. Per brief van 22 mei 2017 schrijft PB Overheden namens Stadsbeheer Rotterdam aan Noah: “Bij besluit van 09/05/2017 heeft het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Rotterdam u een bestuurlijke boete opgelegd omdat op 14 Februari 2017 is geconstateerd dat de woonruimte in het pand [adres 1] te [plaatsnaam] voor bewoning in gebruik is gegeven aan een huishouden dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning voor deze woonruimte. Wij hebben van Stadsbeheer Rotterdam de opdracht gekregen om deze bestuurlijke boete in te vorderen. Het openstaande bedrag van € 4.000 dient u uiterlijk binnen 6 weken na dagtekening van dit schrijven te hebben voldaan op bovenstaand rekeningnummer.” 3.12. Per brief van 9 juni 2017 heeft de gemachtigde van Noah aan [geïntimeerde] kenbaar gemaakt dat zij de door haar betaalde bestuurlijke boete van € 4.000 en de juridische kosten wil verrekenen met de openstaande huur van € 4.320 (dit betreft huur voor de woning en voor andere woonruimte die [geïntimeerde] ook aan Noah had verhuurd). De gemachtigde schrijft dat Noah dan misschien wel ten opzichte van de gemeente Rotterdam verantwoordelijk mag zijn voor de boete van € 4.000, maar dat [geïntimeerde] verantwoordelijk is ten opzichte van Noah. [geïntimeerde] antwoordt daarop dat het niet zijn verantwoordelijkheid was om een huisvestingsvergunning aan te vragen en te verkrijgen, maar dat dit aan Noah was. 3.13. De huurovereenkomst met betrekking tot de woning is in juni 2017 geëindigd. 4De vorderingen van partijen en de beslissing van de kantonrechter 4.1. In de procedure voor de kantonrechter vorderde [geïntimeerde] in conventie Noah te veroordelen tot betaling van € 4.320 aan achterstallige huur, vermeerderd met wettelijke (handels)rente, en € 673,97 aan buitengerechtelijke incassokosten. Noah heeft het bedrag aan achterstallige huur op zich niet betwist, maar heeft zich beroepen op verrekening met de boete van € 4.000, plus rente, en gemaakte juridische kosten. 4.2. Voor het geval zij in conventie toch veroordeeld zou worden tot betaling van de achterstallige huur, plus rente en kosten, heeft Noah een vordering in reconventie ingesteld, inhoudend veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan Noah van de boete van € 4.000, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 9 mei 2017, en buitengerechtelijke kosten van € 525. 4.3. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie toegewezen. Het verrekeningsverweer is afgewezen omdat de gegrondheid van dit verweer niet eenvoudig is vast te stellen. De tegenvorderingen van Noah zijn afgewezen. Noah heeft volgens de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat zij de bestuurlijke boete van € 4.000 daadwerkelijk aan de gemeente heeft betaald, waardoor niet is komen vast te staan dat Noah schade heeft geleden. Verder is Noah veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. 5De beoordeling in hoger beroep 5.1. Noah is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en is in hoger beroep gekomen. Zij vordert dat het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigt, de vorderingen van Noah in reconventie alsnog geheel toewijst en de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie alsnog geheel afwijst. 5.2. Noah heeft in haar memorie van grieven geen aparte grieven geformuleerd. Duidelijk is wel dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat Noah schade heeft geleden en dat haar tegenvordering volgens de kantonrechter al om die reden moet worden afgewezen. Volgens Noah heeft zij wel degelijk schade geleden in de vorm van de opgelegde boete, rente en kosten. De kantonrechter had de vordering van Noah dan ook verder inhoudelijk moeten behandelen en moeten vaststellen dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die Noah heeft geleden. 5.3. Het hof zal hierna tot de conclusie komen dat Noah - anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld - wel schade heeft geleden in de vorm van de door de gemeente aan haar opgelegde boete van € 4.000. Daarmee komt de vraag aan de orde wie uiteindelijk aansprakelijk is voor deze boete: huurder Noah of verhuurder [geïntimeerde]. Het hof zal eerst deze kwestie van de aansprakelijkheid bespreken en daarna ingaan op de schade. Verhuurder [geïntimeerde] is aansprakelijk 5.4. Het gaat er hier niet om wie in verhouding tot de gemeente aansprakelijk is voor de boete van € 4.000. De vraag die hier voorligt is wie in de verhouding tussen huurder en verhuurder aangemerkt moet worden als de aansprakelijke partij. 5.5. Noah stelt zich op het standpunt dat in deze verhouding verhuurder [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door de gemeente aan Noah opgelegde boete. [geïntimeerde] heeft namelijk aan Noah een woning verhuurd met een gebrek: de woning kon aan de uitzendkrachten van Noah niet het ongestoorde woongenot verschaffen dat Noah bij het aangaan van de huurovereenkomst mocht verwachten. [geïntimeerde] heeft de woning aan Noah verhuurd terwijl hij wist dat Noah uitzendkrachten in de woning wilde laten verblijven en wist, of in ieder geval had behoren te weten, dat voor bewoning van deze woning een huisvestingsvergunning nodig was. [geïntimeerde] had dat aan haar had moeten meedelen, maar heeft dat niet gedaan, aldus Noah. [geïntimeerde] betwist dat zij aansprakelijk kan worden gehouden. 5.6. Het hof overweegt als volgt. Artikel 7:204 lid 2 BW bepaalt dat een verhuurde zaak een gebrek vertoont als sprake is van een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak niet het genot kan verschaffen dat de huurder bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten. Het begrip ‘gebrek’ in dit artikel heeft een ruime betekenis: het ziet niet alleen op de stoffelijke toestand van de zaak, maar op elke op de gehuurde zaak betrekking hebbende omstandigheid die het genot ervan beperkt. Verder is van belang dat de term ‘gebrek’ niet zozeer is betrokken op de verhuurde zaak als wel op de prestaties van de verhuurder die de huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten. 5.7. Vast staat dat de door [geïntimeerde] verhuurde woning niet zomaar bewoond mag worden, maar dat de bewoners hiervoor een huisvestingsvergunning nodig hebben. Dit is een omstandigheid die het vrije genot van de woning beperkt. Onweersproken is dat Noah niet wist dat voor deze woning een vergunning vereist was, en niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] hier wel van op de hoogte was. Bij de beantwoording van de vraag welke prestatie huurder Noah van verhuurder [geïntimeerde] mocht verwachten, gaat het er dan ook om wie behoorde te weten dat bewoners van deze woning een huisvergunning nodig hadden. Als [geïntimeerde] ervan op de hoogte had moeten zijn, dan is het uitgangspunt dat hij tegenover Noah een mededelingsplicht had. Als Noah echter (ook) een onderzoeksplicht had en op grond daarvan (ook) op de hoogte had moeten zijn, dan kan dat betekenen dat de verwachtingen die zij als huurder bij het aangaan van de huurovereenkomst voor deze woning mocht hebben zodanig moeten worden bijgesteld dat geen sprake meer is van een gebrek dat (ten volle) aan [geïntimeerde] moet worden toegerekend. Wie in dit geval wat behoorde te weten en hoe een eventuele mededelingsplicht van [geïntimeerde] zich verhoudt tot een eventuele onderzoeksplicht van Noah, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van dit geval, zoals de aard van het gebrek en de maatschappelijke kringen waartoe partijen behoren. 5.8. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] in dit geval als verhuurder had behoren te weten dat een huisvestingsvergunning vereist was, dat hij dat had moeten meedelen aan Noah en dat Noah niet kan worden verweten dat zij haar onderzoeksplicht heeft geschonden. Het hof komt tot dit oordeel op grond van het volgende: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.