GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.275.624/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/585947/ KG ZA 19/1257 arrest in het incident van 19 mei 2020 inzake 1. [appellant], wonende te [woonplaats], 2. [appellante], wonende te [woonplaats], appellanten, hierna te noemen: [appellant] c.s. (mannelijk enkelvoud), advocaat: mr. K.D. Smeele te 's-Gravenhage, tegen Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst), gevestigd te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Belastingdienst, advocaat: mr. W.I. Wisman te 's-Gravenhage. Het geding Bij exploot van 16 maart 2020 is [appellant] c.s. in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 18 februari 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:1756; hierna: het bestreden vonnis). Daarbij is verzocht om behandeling van het hoger beroep met verkorte termijnen als bedoeld in paragraaf 9.1 van het Landelijk procesreglement. Dat verzoek is afgewezen.In de appeldagvaarding, tevens houdende memorie van grieven, heeft [appellant] c.s. vier grieven aangevoerd en een incidentele vordering ex artikel 351 Rechtsvordering ingesteld. Bij memorie van antwoord tevens houdende memorie van antwoord in het incident heeft de Belastingdienst verweer gevoerd in het incident en de grieven (in de hoofdzaak) bestreden.Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest in het incident gevraagd. Beoordeling van de incidentele vordering Tussen partijen is bij de rechtbank een kort geding aanhangig geweest over (onder meer) een geschil met betrekking tot, heel kort gezegd, de door de Belastingdienst gevorderde medewerking van [appellant] c.s. aan de verstrekking van gevraagde gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing.In het bestreden vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is [appellant] c.s. veroordeeld om op last van een dwangsom de gevraagde gegevens en inlichtingen aan de Belastingdienst te verstrekken. De Belastingdienst heeft het bestreden vonnis aan [appellant] c.s. betekend. In dit incident vordert [appellant] c.s. dat het hof schorsing beveelt van het bestreden vonnis. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Voor de maatstaven die behoren te worden aangelegd bij de beoordeling van het onderhavige verzoek, geldt op grond van vaste rechtspraak dat de incidenteel eiser belang moet hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging. Volgens vaste rechtspraak (zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026) moeten daarbij de volgende maatstaven worden aangelegd: a. Uitgangspunt is dat een beslissing, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn. Afwijkingen van dit uitgangspunt kunnen gerechtvaardigd zijn. Daarbij valt te denken aan omstandigheden die meebrengen dat het belang van een partij bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen beschikking en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de bestreden beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.