GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.255.908/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/542120 / HA ZA 17-1142 arrest van 2 juni 2020 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. Z.M. Alaca te Eindhoven, tegen de Staat der Nederlanden (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. E.H.P. Brans te Den Haag. Het geding 1.1 Bij exploot van 20 februari 2019 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 november 2018. Bij memorie van grieven met producties heeft hij zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. De Staat heeft die grieven bij memorie van antwoord met producties bestreden. Partijen hebben de zaak op 11 mei 2020 via een digitale verbinding doen bepleiten door hun advocaten, de Staat mede door mr. S. Heeroma, die zich daarbij hebben bediend van aan het hof kort voor de zitting toegezonden pleitnotities. Ten slotte is arrest bepaald. 1.2 Bij H16-formulier van 13 mei 2020 heeft mr. Alaca aan het hof nog een brief van de minister van Medische Zorg en Sport van 19 juli 2019 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal toegestuurd, met een toelichting daarop. Mr. Brans heeft daartegen bij brief van 14 mei 2020 bezwaar gemaakt. Het hof acht dat bezwaar gegrond en zal deze nagekomen productie buiten beschouwing laten aangezien na afronding van de pleidooien arrest is bepaald. Op grond van artikel 5.5. van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven neemt het hof geen kennis van berichten van een partij die het hof bereiken nadat arrest is bepaald. Beoordeling van het hoger beroep 2. Het hof gaat uit van de volgende feiten. a. [appellant] is zelfstandig ondernemer. Hij is eind juni 2012 ziek geworden en in het ziekenhuis opgenomen. Daar bleek dat hij een pneumonie had ten gevolge van acute Q-koorts. Daarna hebben zijn behandelend artsen geconcludeerd dat hij leed aan het Q-koortsvermoeidheidssyndroom. [appellant] heeft op 11 februari 2009, 13 februari 2009 en 15 april 2009 bij zijn huisarts melding gemaakt van klachten van dikke benen, een wegraking en lage rugklachten. In het huisartsenjournaal is voorts op 4 december 2009 opgenomen: “3 dgn terug begonnen met doxy ivm verdenking pneumonie, is zelfstandige dus heeft gewoon gewerkt, niet rust genomen. geen koorts meer, maar nog wel hoesten.” In een brief van 8 juli 2013 van drs. S.P. Keijmel en dr. C.P. Bleeker, destijds respectievelijk als internist in opleiding en als internist-infectioloog verbonden aan het Q-koorts Expertisecentrum van het Radboud UMC, aan de huisarts van [appellant], is onder meer opgenomen: “(…) Eind juni 2012 werd patiënt ziek met algehele malaise (…). Hij werd nadien opgenomen via de SEH in het Elkerliek ziekenhuis gedurende 1 week en bleek een pneumonie te hebben ten gevolge van acute Q-koorts. Ondanks adequate behandeling, is er sindsdien vermoeidheid. (…) Bespreking: Het betreft een 50-jarige man met aanhoudende vermoeidheidsklachten en spierpijnklachten sinds een Q-koortspneumonie in juni 2012. (…)” In een brief van 20 februari 2019 van dezelfde artsen aan de advocaat van [appellant] is onder meer opgenomen: “De diagnose Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS) is officieel vastgesteld op 22.03.2012. Daarbij is het van belang aan te geven dat patienten niet worden besmet met QVS, maar dat QVS een diagnose betreft welke inhoud dat patiënten na een acute Q-koortsinfectie langdurige klachten van invaliderende vermoeidheid ervaren zonder dat daar op dat moment een andere evidente verklaring voor wordt gevonden. (…) De diagnose Q-koorts is vastgesteld in het Elkerliek ziekenhuis in Helmond, waar patient werd opgenomen van 27.06.2012 t/m 06.07.2012 in verband met Q-koortspneumonie. (…).” Q-koorts is een infectieziekte die van dieren op mensen kan worden overgedragen, een zogenoemde zoönose. De verwekker van Q-koorts is het micro-organisme Coxiella burnetii (hierna: C. burnetii). C. burnetii is zeer besmettelijk en kan vele diersoorten infecteren. Het inademen van een besmet aerosol (vocht- of stofdeeltje) wordt beschouwd als de belangrijkste besmettingsroute. De incubatietijd van Q-koorts varieert van 2 tot 48 dagen, met een gemiddelde periode van 14 tot 24 dagen. In de periode van 1978 tot en met 2006 werden in Nederland gemiddeld zeventien gediagnosticeerde gevallen van humane besmetting met Q-koorts per jaar gemeld, waarbij de aantallen varieerden tussen 1 en 32 gevallen per jaar. Het ging vooral om besmettingen van mensen die zich beroepsmatig met vee(teelt) bezighielden, zoals veehouders, dierenartsen en slachthuispersoneel. In de periode na 2007 heeft zich in Nederland een Q-koorts-epidemie voorgedaan, waarbij veel mensen als gevolg van besmetting met C. burnetii ziek zijn geworden. In 2007 werden 168 humane besmettingen met C. burnetii (hierna: ziektegevallen) gemeld. Het aantal meldingen liep in 2008 op tot 1.000 en in 2009 tot 2.354. In 2010 daalde het aantal gemelde ziektegevallen naar 504. In de daaropvolgende jaren 2011 tot en met 2015 werden respectievelijk 81, 66, 19, 28 en 22 ziektegevallen gemeld. Ten tijde van de comparitie in eerste aanleg waren als gevolg van de epidemie naar schatting 75 mensen overleden aan de gevolgen van Q-koorts. De epidemie begon met een uitbraak van Q-koorts in Herpen, in mei-juli 2007. In de periode 2007-2010 heeft de Staat maatregelen getroffen om de uitbraak van Q-koorts in te dammen. Onder meer is in dat verband Q-koorts op 9 juni 2008 aangewezen als besmettelijke dierziekte en zijn maatregelen getroffen op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD). Eind 2008 is aangevangen met vaccinatie van geiten en schapen in de omgeving van de getroffen gebieden. Vanaf december 2009 zijn drachtige dieren op besmette bedrijven geruimd. i. Op 19 januari 2010 werd de Evaluatiecommissie Q-koorts (commissie Van Dijk) ingesteld door het kabinet. Op 22 november 2010 bracht zij haar rapport “Van verwerping tot verheffing, Q-koortsbeleid in Nederland 2005-2010” in de openbaarheid. Het rapport bevat diverse conclusies en aanbevelingen. Op 19 juni 2012 verscheen het rapport “Het spijt mij; Over Q-koorts en de menselijke maat” van de Nationale ombudsman. In dit rapport heeft de ombudsman geoordeeld dat er door de keuzes die de verantwoordelijke ministeries gedurende de jaren 2006-2009 hebben gemaakt een forse disbalans is ontstaan ten opzichte van de omwonenden en passanten die de gevolgen van Q-koorts hebben ervaren en dat deze disbalans dient te worden gecompenseerd. De Nationale ombudsman heeft de Staat geadviseerd om onder andere “een goed geformuleerd excuus aan te bieden aan q-koortspatiënten en nabestaanden” en een financiële tegemoetkoming aan te bieden “in concrete situaties die gekenmerkt worden door de hardheid van de consequenties voor individuele getroffenen van de Q-koorts.” 3. [appellant] vorderde in eerste aanleg, samengevat weergegeven, een verklaring voor recht dat de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door hem niet of onvoldoende te informeren over de bekende gevaren van Q-koorts en door na te laten adequate maatregelen te treffen om [appellant] te beschermen tegen de gevaren van Q-koorts. Voorts vorderde hij een verklaring voor recht dat de Staat gehouden is de materiële en immateriële schade te vergoeden, deze schade op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente. Tot slot vorderde hij veroordeling van de Staat in de kosten van het geding. 4. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Samengevat weergegeven overwoog de rechtbank dat de verwijten van [appellant] betrekking hebben op het handelen en nalaten van de Staat in de periode van 2005 tot en met 2009. Aan het vereiste van causaal verband is niet voldaan omdat de besmetting met Q-koorts van [appellant] gezien de incubatietijd van 2 tot 48 dagen, op zijn vroegst begin mei 2012 moet hebben plaatsgehad. Dat [appellant] al eerder ziek is geworden heeft hij niet voldoende onderbouwd. Er is dus geen verband gebleken tussen het aan de Staat verweten handelen en de besmetting van [appellant]. 5. [appellant] vordert in hoger beroep de vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van zijn in eerste aanleg geformuleerde vorderingen. Zijn grieven laten zich als volgt samenvatten. Grief 1 is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat [appellant] eind juni 2012 ziek is geworden. [appellant] voert aan dat hij al eerder, in 2009, klachten heeft ondervonden die passen bij een Q-koorts besmetting. Grief 2 is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat zich in de periode 2007-2010 een Q-koorts-epidemie heeft voorgedaan. [appellant] voert onder meer aan dat de epidemie heeft geduurd tot 2012. Grief 3 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen causaal verband bestaat tussen het aan de Staat verweten handelen enerzijds en de gestelde schade van [appellant] anderzijds. Volgens [appellant] had de rechtbank een medisch deskundige moeten inschakelen om te beoordelen of hij niet al eerder dan in 2012 met Q-koorts besmet is geraakt. Het Q-koortsvermoeidheidssyndroom wordt niet via besmetting verkregen, maar is een diagnose die reeds langer bestaande klachten bevestigt. De rechtbank heeft volgens [appellant] miskend dat geen sprake is van chronische Q-koorts bij [appellant], maar van een Q-koortsvermoeidheidssyndroom. Met grief 3 voert [appellant] voorts aan dat de door de Staat getroffen maatregelen tegen de Q-koorts epidemie onvoldoende waren. Hij verwijst daarbij onder meer naar het rapport van de Commissie Van Dijk en het rapport van de Nationale Ombudsman. Met grief 4 voert [appellant] opnieuw aan dat hij al in 2009 ziek is geworden en dat eventueel een deskundige moet worden benoemd om dat vast te stellen. Grief 5 is gericht tegen de afwijzing van de vordering als zodanig. Met grief 6 voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn bezwaren tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 januari 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:587) waarin de rechtbank – samengevat weergegeven – heeft overwogen dat de Staat bij de bestrijding van de Q-koorts epidemie niet onrechtmatig heeft gehandeld. Met deze grief herhaalt [appellant] zijn argumenten tegen dat oordeel. 6. Het hof ziet aanleiding om, net zoals de rechtbank heeft gedaan, eerst te beoordelen of er causaal verband bestaat tussen het door [appellant] aan de Staat verweten handelen en nalaten enerzijds en de gestelde schade anderzijds. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot dit causaal verband rust op [appellant]. 7. [appellant] verwijt de Staat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.