ECLI:NL:GHDHA:2021:1024
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.261.637/02 Rolnummer rechtbank : 6967234 \ RL EXPL 18-12500 Vindplaats vonnis : ECLI:NL:RBDHA:2019:2331 Arrest (uitspraak) van 8 juni 2021 in de zaak van: [naam B.V.] ,gevestigd te [vestigingsplaats 1] (gemeente [gemeente] ),hierna te noemen: [naam B.V.] , appellante, advocaat: mr. J.A.M. Reuser te Pijnacker, tegen: [naam vereniging] , gevestigd [vestigingsplaats 2] , hierna te noemen: de VvE,verweerster, advocaat: mr. Y.H. van Ballegooijen te Breda.
De processtappen 1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:- het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 februari 2019 (hierna: het vonnis) en het procesdossier bij de rechtbank;- de dagvaarding in hoger beroep van [naam B.V.] van 13 mei 2019 en het anticipatie- exploot van 24 juni 2019; het tussenarrest van 16 juli 2019 (met zaaknummer 200.261.637/01), waarbij een comparitie van partijen werd gelast; de brief van [naam B.V.] van 6 augustus 2019 ten behoeve van de comparitie van partijen(met producties 1 tot en met 30; ook aangeduid als C1 tot en met C31); het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 22 augustus 2019, waarbij de zaak is doorgehaald; na hervatting van de zaak: de memorie van grieven (met drie grieven) tevens akte vermeerdering van eis van 19 november 2019 (met productie 32); de memorie van antwoord van 14 januari 2020; de akte overlegging producties van [naam B.V.] (met producties 33 tot en met 60); de pleitaantekeningen van beide partijen ten behoeve van het schriftelijke pleidooi, overgelegd ter rolzitting van 17 november 2020.
De zaak in het kort 3. Partijen hebben een geschil over de hoogte van de door [naam B.V.] aan de VvE te betalen (onderhouds)bijdrage. Het geschil spitst zich toe op de uitleg van de splitsingsakte, meer in het bijzonder van de artikelen 13 en 14 van het splitsingsreglement en de daarin genoemde verdeelsleutel.
De vaststaande achtergronden van de zaak 4. De kantonrechter is in het vonnis (1.1 tot en met 1.7) van een aantal feiten uitgegaan. Over deze feiten bestaat geen discussie. Ook het hof gaat er daarom vanuit.
Hiertoe wordt mede gerekend het innen van de door de eigenaren verschuldigde bijdragen en van eventuele verzekeringspenningen, alsmede het beheer van een eventueel reservefonds en van het beheer van eventuele schadepenningen.VERGADERINGEN VAN EIGENARENArtikel 21.1. De vergaderingen van eigenaren worden gehouden in de gemeente waar het flatgebouw staat.2. Jaarlijks uiterlijk in de maand april zal een vergadering worden gehouden, waarin door de administrateur het exploitatie-overzicht over het afgelopen boekjaar wordt verstrekt, hetwelk door de vergadering moet worden goedgekeurd voor de vaststelling van de definitieve bijdrage door iedere eigenaar. In deze vergadering wordt tevens een nieuwe begroting opgesteld voor het aangevangen boekjaar.(…).OPHEFFING VAN DE SPLITSING OF WIJZIGING VAN HET REGLEMENTArtikel 28(…)DE ADMINISTRATEURArtikel 29(…)” (5.4) [naam B.V.] (dus [naam B.V.] ) is sinds 31 mei 2011 eigenares van het servicestation (indexnummer 1) en de winkel (indexnummer 2). [naam B.V.] is van rechtswege lid van de VvE. Zij is als zodanig op grond van door de ALV van de VvE genomen vergaderbesluiten voorschotbedragen dan wel bijdragen, aan de VvE verschuldigd. [naam B.V.] heeft de door de algemene ledenvergadering (ALV) van de VvE vastgestelde (voorschot)bijdragen tot en met mei 2018 tot een bedrag van € 9.310,42 onbetaald gelaten.
De vorderingen van de VvE (in conventie) en die van [naam B.V.] (in reconventie).
De beslissing van de kantonrechter 6. De VvE heeft in conventie gevorderd om, uitvoerbaar bij voorraad, [naam B.V.] te veroordelen tot betaling van voormelde achterstallige onderhoudsbijdrage van € 9.310,42, vermeerderd met een bedrag van € 1.277,81 aan buitengerechtelijke incassokosten, met wettelijke rente vanaf de dagvaarding (in totaal een bedrag van € 10.588,23, met wettelijke rente). Daarnaast heeft de VvE gevorderd om [naam B.V.] te veroordelen tot betaling van toekomstige termijnen van voorschotbetalingen en bijdragen vanaf juni 2018, met veroordeling van [naam B.V.] in de proceskosten.
De grieven van [naam B.V.] in hoger beroep, de vermeerdering van eis van [naam B.V.] bij memorie van grieven en het verweer 9. [naam B.V.] is het niet eens met het vonnis. Zij heeft bij memorie van grieven van 19 november 2019 drie grieven aangevoerd en haar vordering vermeerderd.Grief 1 bevat een klacht over de beslissing in het vonnis over de gehanteerde verdeelsleutel overeenkomstig artikel 13 van het splitsingsreglement.Grief 2 bevat een klacht over de uitleg van artikel 14 van het splitsingsreglement. Grief 3 bevat een klacht over de proceskostenveroordeling.
Beoordeling van het hoger beroep Inleidende opmerkingen De tweeconclusie regel 13. De procedure in hoger beroep kent de tweeconclusieregel. Behoudens uitzonderingen – hiervan is thans, mede gelet op de bezwaren van de VvE, geen sprake – moeten alle stellingen worden aangevoerd in de eerste twee conclusies (in dit geval de memorie van grieven en de memorie van antwoord). Latere processtukken, zoals de pleitnota’s bij (schriftelijk) pleidooi, kunnen dienen tot het verder uitdiepen van de bij memories aangevoerde stellingen. Echter nieuwe stellingen en vorderingen in die fase verdragen zich niet met de tweeconclusieregel, die als achtergrond heeft de goede procesorde. Het hof krijgt het geschil voorgelegd binnen de grenzen van het door de grieven ontsloten gebied, zoals dit zich heeft ontwikkeld in eerste aanleg en in hoger beroep. [naam B.V.] is partij 14. In deze zaak heeft appellante, gedaagde in eerste aanleg (de rechtspersoon [naam B.V.] ) op 31 mei 2011 de eigendom van de twee appartementen (appartementsrechten) verworven. Dit is dus de peildatum voor het hof; niet de eerdere datum waarop de natuurlijke personen [naam 1] en [naam 2] de eigendom verkregen.
Het toepasselijke appartementsrecht 15. Het betreffende flatgebouw is in 1963 gesplitst in appartementen (onder het oud BW). Sindsdien zijn er diverse wetswijzigingen geweest, onder meer in 1972 en bij de invoering van het huidige BW. Voor zover thans van belang zijn er bij het huidige BW slechts geringe wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het tot dan toe geldende appartementsrecht. Dit heeft tot gevolg gehad dat het huidige BW vrijwel geheel onmiddellijke werking kreeg.
De oprichting van de VvE 16. Het hof stelt voorop dat de kantonrechter blijkens zijn vonnis is uitgegaan van het bestaan van de VvE met bevoegdheid om deel te nemen aan het rechtsverkeer. [naam B.V.] heeft hierover niet geklaagd bij memorie van grieven. Sterker nog, [naam B.V.] noemt in haar memorie van grieven zélf de oorspronkelijk eiseres ‘De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [naam vereniging], gevestigd te Delft’. Dit betekent dat reeds hierom voor het hof uitgangspunt is dat de VvE rechtspersoonlijkheid heeft en aldus gerechtigd is haar vordering in te stellen.
Het splitsingsreglement 19. Voor zover [naam B.V.] heeft willen stellen dat het splitsingsreglement van de VvE niet is opgenomen in de splitsingsakte, miskent zij dat verwijzing naar het toepasselijke modelreglement 1962 (met aanpassingen zoals in dit geval) toereikend is. Met de in de splitsingsakte genoemde aanpassingen luidt artikel 13 van het splitsingsreglement van de VvE als volgt [onderstreping door het hof]:1. Ieder der eigenaren is in de gemeenschap gerechtigd voor het in de akte van splitsing vastgestelde aandeel. (…) Ieder van de – in totaal drie – eigenaren van de appartementen (winkels) indexnummers 2, 3 en 4, ieder vijfentachtig/vijfentwintighonderdste, (…) en de eigenaar van het appartement (service-station) indexnummer 1, tweehonderdvijfenzestig/vijfentwintighonderdste;2. De gemeenschappelijke baten moeten in eenzelfde verhouding tussen de eigenaren worden verdeeld.3. In gelijke verhouding zijn de eigenaren verplicht bij te dragen in en zijn zij tegenover derden aansprakelijk voor de gemeenschappelijke schulden, kosten en lasten, behoudens het bepaalde in artikel 19.
Beoordeling van de grieven Grief 1 20. Het hete hangijzer in deze zaak betreft de verhouding waarmee [naam B.V.] moet bijdragen aan de gemeenschappelijke kosten (de verdeelsleutel van artikel 13 splitsingsreglement).
Grief 3 26. Het hof zal eerst de vermeerdering van eis van [naam B.V.] in hoger beroep behandelen.
Slotsom 31. Het vonnis zal worden bekrachtigd. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Er zijn geen ter zake dienende feiten op de in hoger beroep te vergen wijze te bewijzen aangeboden. De in hoger beroep vermeerderde eis zal worden afgewezen. Er is dus geen reden om de VvE te veroordelen om onverschuldigde bedragen aan [naam B.V.] terug te betalen. [naam B.V.] geldt ook in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij en zal de proceskosten moeten dragen. Beslist zal worden als volgt.
Beslissing Het hof: bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 februari 2019; veroordeelt [naam B.V.] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de VvE tot op heden begroot op € 741,-- aan griffierecht, € 3.342,-- aan salaris advocaat en op€ 163,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden; wijst af het door [naam B.V.] in hoger beroep meer of anders gevorderde; verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, J.E.H.M. Pinckaers en J.N. de Blécourt en getekend en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2021 door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.
Het oorspronkelijk samenhangende geschil tussen de VvE en Stichting F.N.V.-gebouw is in hoger beroep niet aan de orde.
Zie citaat in overweging 5.2 onder c. van dit arrest Zie citaat in overweging 5.2 onder b. van dit arrest