GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-20/00498 en BK-20/00499 Uitspraak van 9 juni 2021 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: M.J. van Dam) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 april 2020, nummers SGR 19/5719 en SGR 19/
(2011)en de rechtbank heeft uitspraak gedaan op 6 april 2020. Dat is (afgerond) zeven jaar en één maand en zes jaar na ontvangst van de bezwaarschriften. Dat betekent dat de redelijke termijn, rekening houdend met de termijnverlenging, voor de gezamenlijke behandeling van bezwaar en beroep niet is overschreden.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of: - belanghebbende in het jaar 2010 en het jaar 2011 in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen; - belanghebbende recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting; - belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de andere vragen bevestigend en de Inspecteur in tegenovergestelde zin. 4.2. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de aanslagen premieheffing volksverzekeringen alsmede tot toekenning van een immateriële schadevergoeding en tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaar-, de beroeps- en de hoger beroepsfase. 4.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Verzekerings- en premieplicht 5.1. Vast staat dat belanghebbende in de jaren 2010 en 2011 in Nederland woonachtig is en nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in de artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (AOW) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, is belanghebbende in dat jaar Nederlands ingezetene en derhalve van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. 5.2. In afwijking van artikel 6 AOW wordt op grond van artikel 6a AOW als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. 5.3. Belanghebbende stelt dat hij van 1 januari 2010 tot en met 31 juli 2011 premies sociale verzekeringen in Luxemburg en van 1 augustus 2011 tot en met 31 december 2011 die premies in Zwitserland heeft betaald, waardoor hij – in afwijking van de in 5.1 genoemde hoofdregel – niet in Nederland, maar in Luxemburg respectievelijk Zwitserland verzekerd en premieplichtig is voor de sociale verzekeringen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer HR 24 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3016, BNB 2014/264) is het in dat geval aan belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen en, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende in de in geding zijnde periode niet in Nederland verzekerd en premieplichtig is. Hierin is belanghebbende niet geslaagd. 5.4.1. Niet in geschil is dat belanghebbende in de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 een werknemer is die, behorend tot het varend personeel, zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt. De schepen waarop belanghebbende zijn werkzaamheden verrichtte, waren voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte (zie 2.7). Belanghebbende moet daarom worden aangemerkt als Rijnvarende in de zin van artikel 1, lid 1, onderdeel m, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (het Rijnvaren-denverdrag), alsmede artikel 1, onderdeel a, van de Overeenkomst krachtens artikel 16, lid 1, van de Verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 (de Rijnvarendenovereenkomst). 5.4.2. In het Rijnvarendenverdrag hebben de verdragsluitende partijen, waaronder Nederland en Zwitserland, exclusieve aanwijsregels opgenomen voor Rijnvarenden, in afwijking van de algemene regels inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving van titel II van Verordening (EEG) 1408/71; het Rijnvarendenverdrag had voorrang op grond van artikel 7 van Verordening (EEG) 1408/71. 5.4.3. De Rijnvarendenovereenkomst betreft een overeenkomst als bedoeld in artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) 883/2004 (de Basisverordening) en bevat voor de ondertekenende staten, waaronder Nederland en Luxemburg, exclusieve aanwijsregels voor Rijnvarenden in afwijking van de artikelen 11 tot en met 15 van de Basisverordening. De Rijnvarendenovereenkomst is met terugwerkende kracht per 1 mei 2010 in werking getreden. 5.4.4. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de Rijnvarendenovereenkomst alleen mag worden toegepast op verzekeringstijdvakken die zich voordoen na de publicatie van de Rijnvarendenovereenkomst in de Staatscourant van 25 februari 2011, 3397. De tekst (artikel 6) noch de considerans van de Rijnvarendenovereenkomst biedt een grondslag voor dit standpunt. De staten die betrokken zijn bij deze overeenkomst, waaronder Nederland en Luxemburg, zijn expliciet overeengekomen deze overeenkomst te laten gelden vanaf de datum van inwerkingtreding van de Basisverordening waarbij zij hebben opgenomen dat verklaringen die zijn afgegeven op grond van het Rijnvarendenverdrag hun in die verklaring genoemde geldigheidsduur behouden. Met betrekking tot Zwitserland is dat laatste niet van belang aangezien de Basisverordening pas met ingang van 1 april 2012 van toepassing is. 5.4.5. De sociale verzekeringsplicht van belanghebbende dient derhalve voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010 bepaald te worden op grond van het Rijnvarendenverdrag. Voor de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 juli 2011 dient de sociale verzekeringsplicht van belanghebbende bepaald te worden op grond van de Rijnvarendenovereenkomst. Voor de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 december 2011 dient belanghebbendes sociale verzekeringsplicht vastgesteld te worden op grond van het Rijnvarendenverdrag. 5.5. Belanghebbende valt als Rijnvarende in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010 en in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 december 2011 onder de personele en de materiële werkingssfeer van de artikelen 2 en 3 van het Rijnvarendenverdrag. Artikel 11, lid 2, van het Rijnvarendenverdrag bepaalt dat op belanghebbende van toepassing is de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het schip, aan boord waarvan belanghebbende zijn werkzaamheden verricht, behoort. Als onderneming waartoe het schip behoort, heeft te gelden de onderneming voor wier rekening en risico het schip wordt geëxploiteerd. Dat is ook de ondernemer die de winst geniet die met het gebruik van het schip in de Rijnvaart wordt beoogd, en derhalve het winstoogmerk heeft dat vereist is in artikel 1, lid 1, onderdeel m, van het Rijnvarendenverdrag (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2938, BNB 2012/56). Vast staat dat de BV de eigenaar van de schepen is. Belanghebbende heeft onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat de schepen werden geëxploiteerd door een andere onderneming dan de BV, in het bijzonder de Noorse moedermaatschappij [G Ltd.] . De enkele omstandigheden dat alle aandelen in de BV middellijk worden gehouden door [G Ltd.] en dat de directe aandeelhouder van de BV, [C B.V.] , in de jaarrekening van het concern staat vermeld, hetgeen volgens belanghebbende zou meebrengen dat [G Ltd.] de winst geniet die de BV met het gebruik van de schepen beoogt, zijn daarvoor onvoldoende. Het Hof is daarom met de Rechtbank van oordeel dat de schepen moeten worden geacht te behoren tot de onderneming van de BV. Volgens de aanwijsregels van artikel 11, lid 2, van het Rijnvarendenverdrag is derhalve de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010 en in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 december 2011. 5.6. Belanghebbende valt als Rijnvarende in de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 juli 2011 onder de personele en de materiële werkingssfeer als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Rijnvarendenovereenkomst. Volgens artikel 4, lid 2, in verbinding met artikel 1, onderdeel c, van de Rijnvarendenovereenkomst is op de Rijnvarende de wetgeving van toepassing van de ondertekenende staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het schip behoort aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht. Dit betreft de onderneming die het schip exploiteert, ongeacht of deze de eigenaar van het schip is. Wanneer het schip door meerdere ondernemingen wordt geëxploiteerd, geldt als exploitant van het schip de onderneming die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip, waarbij de op de Rijnvaartverklaring (indien aanwezig) vermelde gegevens maatgevend zijn. Vast staat dat de BV de eigenaar van het schip [schip 2] is. Een Rijnvaartverklaring die een andere onderneming dan de BV aanwijst als exploitant van het schip is voor de onderhavige periode niet voorhanden. Belanghebbende heeft onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat een andere onderneming, in het bijzonder de Noorse moedermaatschappij [G Ltd.] , de exploitant van het schip [schip 2] was, dan wel dat het schip [schip 2] door meerdere ondernemingen werd geëxploiteerd. De enkele omstandigheden dat alle aandelen in de BV middellijk worden gehouden door [G Ltd.] en dat de directe aandeelhouder van de BV, [C B.V.] , in de jaarrekening van het concern staat vermeld, hetgeen volgens belanghebbende zou meebrengen dat [G Ltd.] de winst geniet die de BV met het gebruik van het schip [schip 2] beoogt, zijn daarvoor onvoldoende. Het Hof is daarom met de Rechtbank van oordeel dat de BV moet worden aangemerkt als exploitant van het schip. Volgens de aanwijsregels van artikel 4, lid 2, van de Rijnvarendenovereenkomst is derhalve de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing in de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 juli 2011. De procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening 5.7. Voor zover belanghebbende aanvoert dat de Inspecteur de verzekeringsplicht niet volgens de procedure van artikel 16 van de Verordening (EG) 987/2009 (de Toepassingsverordening) tot voorlopige vaststelling en melding aan de andere lidstaat heeft vastgesteld, zodat de opgelegde aanslag premieheffing volksverzekeringen niet in stand kan blijven, geldt het volgende. 5.8. Deze stelling faalt. Artikel 16 van de Toepassingsverordening bevat een procedure om bij de uitvoering van artikel 13 van de Basisverordening te waarborgen dat slechts de wetgeving van één lidstaat van toepassing zal zijn, in een geval waarin de wetgeving van meer dan één lidstaat van toepassing zou kunnen zijn. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150 en 1151, ECLI:NL:HR:2020:1235 tot en met 1238 en ECLI:NL: HR:2020:1242 en 1244 (hierna: de 10 juli-arresten) geoordeeld dat het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst, anders dan het stelsel van artikel 13 van de Basisverordening, geen ruimte biedt voor het standpunt dat op een Rijnvarende de wetgeving van meer dan één Rijnoeverstaat van toepassing zou kunnen zijn. Op een Rijnvarende kan reeds op grond van de Rijnvarendenovereenkomst de wetgeving van slechts één Rijnoeverstaat van toepassing zijn, zodat artikel 16 van de Toepassingsverordening toepassing mist. Artikel 16 van de Toepassingsverordening staat derhalve niet in de weg aan vaststelling van de verzekeringsplicht door de Inspecteur (zie HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150, r.o. 4.3.2. tot en met 4.3.6). Het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4, lid 3, van het VEU) 5.9. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat het niet volgen van de procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening in strijd is met het beginsel van loyale samenwerking, zoals dat is neergelegd in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende Europese Unie (VEU). 5.10. Ook dit standpunt faalt. In de verhouding tussen Nederland en Luxemburg zijn het Rijnvarendenverdrag respectievelijk de Rijnvarendenovereenkomst en de daarin opgenomen aanwijsregels bindend (zie onder 5.4.3). In de verhouding tussen Nederland en Zwitserland zijn het Rijnvarendenverdrag en de daarin opgenomen aanwijsregels bindend (zie onder 5.4.2), zodat van handelen in strijd met het beginsel van loyale samenwerking wegens het niet volgen van de procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening geen sprake kan zijn. E101-verklaring, E106-verklaring en A1-verklaring 5.11. Belanghebbende heeft onder verwijzing naar de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E101-verklaring en E106-verklaring en de door de Zwitserse autoriteiten afgegeven A1-verklaring betoogd dat hij voor de sociale verzekeringen exclusief verzekerd is gebleven in Luxemburg respectievelijk Zwitserland. 5.12. Aan de door de Luxemburgse autoriteiten respectievelijk door de Zwitserse autoriteiten afgegeven E101-verklaring, E106-verklaring en A1-verklaring kan geen betekenis worden toegekend. 5.13. Aan de E101-verklaring en de E106-verklaring kwam onder de (oude) Verordening (EEG) 1408/71 geen betekenis toe in gevallen waarin het Rijnvarendenverdrag van toepassing was (vgl. HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0827, BNB 2013/257, en HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2904, BNB 2015/231). De reden daarvoor is dat deze verklaringen op grond van Titel II respectievelijk Titel III van de Verordening (EEG) 1408/71 zijn gegeven en het Rijnvarendenverdrag aan deze titels derogeert. Nu aan de E101-verklaring en de E106-verklaring onder Verordening (EEG) 1408/71 geen rechtskracht toekwam, komt daaraan onder de Rijnvarendenovereenkomst evenmin rechtskracht toe. De door belanghebbende bepleite verbindendheid van de E101-verklaring en de E106-verklaring vloeit evenmin voort uit artikel 6, lid 2, van de Rijnvarendenovereenkomst (zie HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1238, r.o. 3.1.2). De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur aan de E101-verklaring en E106-verklaing gebonden is, kan daarom niet worden gevolgd. 5.14. Voor wat betreft de door Zwitserland op 27 januari 2014 afgegeven A1-verklaring (voor de periode vanaf 1 augustus 2011) geldt dat de Basisverordening en de Toepassingsverordening, evenals de Rijnvarendenovereenkomst, met ingang van 1 april 2012 van toepassing zijn geworden in relatie tot Zwitserland. In 2011 waren op belanghebbende, in afwijking van Verordening (EEG) 1408/71, dus slechts de bepalingen van het Rijnvarendenverdrag van toepassing. Een A1-verklaring wordt afgegeven op basis van artikel 19, lid 2, van de Toepassingsverordening. Het Rijnvarendenverdrag biedt geen grondslag voor het verstrekken van een A1-verklaring. Aan de Zwitserse A1-verklaring komt onder het Rijnvarendenverdrag dus geen rechtskracht toe, zodat Nederland hieraan niet gebonden is geraakt. Afwijking op individueel niveau op grond van artikel 16 van de Basisverordening en artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag 5.15. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat in het onderhavige geval, waarin, naar hij stelt, sprake is van dubbele heffing van sociale verzekeringspremies, artikel 16 van de Basisverordening en artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag dienen te worden toegepast in het belang van een bepaald persoon (belanghebbende) en dat daarom de lidstaten in onderlinge overeenstemming dienen te komen tot een uitzondering op de Basisverordening en het Rijnvarendenverdrag. 5.16. Deze stelling faalt reeds gelet op het onder 5.8 weergegeven oordeel van de Hoge Raad in de 10 juli-arresten. Het Hof merkt nog op dat belanghebbende, indien hij een uitzondering op de aanwijsregels van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst wenst, daartoe overeenkomstig de in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag en de in artikel 18 van de Toepassingsverordening beschreven procedure een verzoek zal moeten indienen bij de bevoegde autoriteit of het orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van de lidstaat waarvan hij toepassing van de wetgeving wenst. Een dergelijk verzoek kan, anders dan belanghebbende betoogt, geen inzet zijn van de onderhavige procedure, aangezien de inspecteur geen partij is bij een dergelijk verzoek. Anders dan belanghebbende voorstaat, ziet het Hof gelet op het voorgaande geen aanleiding om hierover op grond van artikel 267 van het VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ). Artikel 73, lid 2, van de Toepassingsverordening 5.17. Gelet op het hiervoor overwogene is belanghebbende het gehele jaar 2010 en het gehele jaar 2011 voor de volksverzekeringen verzekerd in Nederland en zijn terecht premies volksverzekeringen van hem geheven. Met betrekking tot de in artikel 73, lid 2, van de Toepassingsverordening genoemde terugbetaling van reeds in een andere lidstaat betaalde sociale zekerheids-premies heeft de Hoge Raad in zijn 10 juli-arresten geoordeeld dat de artikelen 16 en 73 van de Toepassingsverordening daarvoor geen rechtsgrond bieden in een geval zoals dit, waarin de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is. Schending algemene beginselen behoorlijk bestuur 5.18. Volgens belanghebbende brengen de in acht te nemen zorgvuldigheid en de in dat kader te maken belangenafweging mee dat – teneinde dubbele premieheffing te voorkomen – (
- i)artikel 16, lid 1, van de Basisverordening bij de vaststelling van de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving moet worden toegepast, met als gevolg dat de Luxemburgse wetgeving op belanghebbende van toepassing moet worden verklaard en (
- ii)de kwestie op de voet van artikel 72 van de Basisverordening moet worden voorgelegd aan een Administratieve Commissie. 5.19. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt. Geen rechtsregel verplicht de Inspecteur vóór het opleggen van de aanslag contact op te nemen met de Luxemburgse autoriteiten dan wel de Zwitserse autoriteiten. De Inspecteur is niet bevoegd om in overleg te treden met de Luxemburgse autoriteiten (zie onder 5.16) en geen rechtsregel verplicht de Inspecteur om in gevallen waarin (mogelijk) sprake is van dubbele heffing met de voor Nederland bevoegde autoriteit contact op te nemen teneinde een dergelijke regularisatieprocedure te doen starten. Hetzelfde geldt ten aanzien van belanghebbendes grief dat de kwestie niet is voorgelegd aan de Administratieve Commissie. Deze grief stuit reeds af op het door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150, gegeven oordeel onder 4.3.10. De stelling van belanghebbende dat door de Inspecteur onvoldoende rekening is gehouden met zijn belang, stuit voorts af op hetgeen is overwogen onder 5.5, 5.6. en 5.16. 5.20. Evenmin biedt de omstandigheid dat tussen het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Luxemburg overleg gaande is over (mogelijke) dubbele premieheffing van een aantal Rijnvarenden die in Nederland verzekerd en premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen maar die onterecht premies hebben betaald in Luxemburg en deze laatstgenoemde premies niet kunnen terugvorderen, een rechtsgrond om geen aanslag premieheffing Nederlandse volksverzekeringen voor de in geding zijnde periode op te leggen. Een eventueel bereikte oplossing voor dubbele premieheffing in de vorm van een tegemoetkoming voor in Luxemburg betaalde premies staat los van de onderhavige aanslagoplegging omdat belanghebbende in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Ook het beroep op het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel stuit op het voorgaande af. Doelmatigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel in het Unierecht 5.21. Voor zover belanghebbende stelt dat premieheffing van een Rijnvarende als belanghebbende in strijd komt met het Europeesrechtelijke doelmatigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel, is die stelling ongegrond. In gevallen van grensoverschrijdende arbeid is een aanwijzingsprocedure onvermijdelijk, aangezien het EU-recht de aanwijzing van slechts één lidstaat eist, terwijl dat aanwijsprobleem zich in een puur binnenlandse situatie uit haar aard niet voordoet. De omstandigheid dat twee procedures nodig zijn, betekent niet dat sprake is van procedurele discriminatie, maar is het onvermijdelijke gevolg van een objectief verschil in situaties. Geen (EU-)rechtsregel verplicht een lidstaat om stelselaanwijzingsverklaringen en premieheffing bij dezelfde autoriteit onder te brengen, mits het halen van EU-recht niet moeilijker is dan het halen van nationaal recht. Nu de gewone nationaalrechtelijke procedures ook voor Rijnvarenden gelden, is van ongelijkwaardigheid geen sprake. Uiterst bezwaarlijk of nagenoeg onmogelijk om EU-recht te halen is het evenmin. De jurisprudentie van de Hoge Raad voorziet in het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken (HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44) in die zin dat de belastingrechter ofwel zijn uitspraak moet uitstellen totdat de stelselaanwijzing definitief is, ofwel – als hij niet heeft gewacht en een andersluidende uitspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt – zijn uitspraak moet herzien. In dit geval heeft – het zij herhaald – geen aanwijzing plaatsgevonden door de SVB of de Luxemburgse zusterorganisatie. Voor zover een dubbele premieplicht zou zijn ontstaan, houdt deze geen verband met enige ongelijkheid in procedurele mogelijkheden of terugvorderingstermijnen ten laste van Rijnvarenden in Nederland. Verder zij opgemerkt dat zo van onjuiste premieheffing in Luxemburg sprake zou zijn in dit geval, dit wordt veroorzaakt door onjuist handelen van belanghebbende(
- s)werkgever en de Luxemburgse autoriteiten doordat zij ten onrechte ervan uit (blijven) gaan dat [A S.A.R.L.] een scheepsexploitant zou zijn. Hiervoor kan Nederland, anders dan de Italiaanse overheid in de zaak Hof van Justitie EU van 19 juni 2003, C-34/02, Sante Pasquini, ECLI:NL:XX:2003:AL1617, niet verantwoordelijk worden gehouden (vgl. de conclusie van A-G Wattel van 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:244 voor het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2020, ECLI:NLHR:2020:1242). Anders dan belanghebbende voorstaat, ziet het Hof gelet op het voorgaande geen aanleiding om hierover op grond van artikel 267 van het VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ. Vaststelling belastbaar loon 5.22. Belanghebbende stelt voorts dat het belastbare loon te hoog is vastgesteld omdat de Inspecteur voorbijgaat aan artikel 3.16, lid 9, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Volgens belanghebbende dienen de in Luxemburg en Zwitserland betaalde sociale premies in aftrek te komen op het belastbare loon. Deze bepaling heeft geen betrekking op de vaststelling van het belastbare loon waar hier sprake van is. In afdeling 3.3 Wet IB 2001 is voorts geen bepaling te vinden op grond waarvan buitenlandse sociale verzekeringspremies in mindering komen op het belastbare loon. Overigens onderbouwt belanghebbende niet voor welke bedragen deze premies in aftrek moeten komen op het belastbare loon van belanghebbende. De door belanghebbende betaalde ‘pensioen’-premie is overeenkomstig de aangifte reeds in aftrek geaccepteerd bij het vaststellen van de aanslag. Het Hof verwerpt daarom de stelling van belanghebbende dat het belastbare loon van belanghebbende te hoog is vastgesteld. Inhouding Nederlandse premie volksverzekeringen door [A S.A.R.L.] 5.23. Voor zover belanghebbende stelt dat [A S.A.R.L.] in Luxemburg ter zake van belanghebbende premies volksverzekeringen zou hebben ingehouden ten behoeve van de afdracht daarvan en hij daarom in Nederland recht heeft op verrekening daarvan in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, heeft hij die stelling – wat daar verder ook van zij – niet met bewijsstukken onderbouwd en derhalve niet aannemelijk gemaakt. Voorkoming van dubbele belasting 5.24. Belanghebbende betoogt dat voor de periode 1 augustus 2011 tot en met 31 december 2011 voor het loon genoten van [B GmbH] aftrek ter voorkoming van dubbele belasting moet worden verleend op grond van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland van 1951 (het Verdrag). 5.25. Op grond van artikel 6, lid 1, van het Verdrag “zijn de inkomsten voortvloeiende uit op voordeel gerichte niet-zelfstandige werkzaamheid slechts belastbaar in de Staat op welks grondgebied de persoonlijke werkzaamheid wordt uitgeoefend waaruit deze inkomsten voortvloeien”. Ingevolge artikel 6, lid 2, van het Verdrag echter “zal een persoon die zijn betrekking gewoonlijk uitoefent in één van de beide Staten en uit dien hoofde slechts voorbijgaand verblijft op het grondgebied van de andere Staat, daar te lande zijn vrijgesteld van de belasting op de inkomsten uit zijn arbeid, zelfs van inhouding bij de bron, indien hij zijn op voordeel gerichte werkzaamheid uitoefent voor rekening van een werkgever die zijn woonplaats niet in deze (laatstbedoelde) Staat heeft. In dat geval behoort het recht tot belastingheffing toe aan de Staat waar die persoon zijn betrekking gewoonlijk uitoefent.” 5.26. Met betrekking tot dienstbetrekkingen die worden uitgeoefend op Rijnschepen heeft de Staatssecretaris van Financiën het standpunt ingenomen dat personeel, dat werkzaam is aan boord van rijnschepen, die varen onder Zwitserse vlag en die in Zwitserland hun thuishaven hebben, op grond van artikel 6, lid 1, van het Verdrag voor de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting ter zake van het van een Zwitserse scheepvaartonderneming ontvangen salaris aanspraak kan maken op een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting (besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 14 juni 1985, nr. 085/332, Infobulletin 85/636). 5.27. Op belanghebbende, die zich beroept op een vermindering van de volgens de nationale wet toegestane heffing, rust in beginsel de last om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat Nederland op grond van artikel 6 van het Verdrag geen heffingsrecht toekomt. Belanghebbende heeft echter niets aangevoerd waaruit blijkt dat hij zijn werkzaamheden – al dan niet gewoonlijk – fysiek in Zwitserland heeft verricht. Bovendien heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een vermindering op grond van het beleid zoals weergegeven in 5.26. De Inspecteur heeft, naar belanghebbende niet heeft weersproken, aannemelijk gemaakt dat het schip vaart onder Nederlandse vlag en een thuishaven heeft in Nederland. Het feit dat belanghebbende vanaf 1 augustus 2011 in dienstbetrekking was bij een in Zwitserland gevestigde werkgever doet hieraan niet af. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat Nederland op grond van artikel 6 van het Verdrag niet gehouden is belanghebbende een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen voor het loon genoten van [B GmbH] . Heffingsrente 5.28. Belanghebbende heeft tegen het in rekening brengen van heffingsrente geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Evenmin is gebleken dat deze niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen is berekend. Immateriële schadevergoeding 5.29. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure in bezwaar en beroep. Uit het dossier komt de volgende gang van zaken naar voren. De bezwaarfase heeft een aanvang genomen met de ontvangst van het pro-forma bezwaarschrift voor het jaar 2010, gedagtekend 25 maart 2013 en bij de Inspecteur binnengekomen op 26 maart 2013. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 2 april 2013 in de gelegenheid gesteld om het bezwaarschrift te motiveren. Verder heeft hij op 2 april 2013 bij afzonderlijke brief de gemachtigde laten weten dat hij nog niet op het bezwaar kan beslissen en heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht ermee in te stemmen dat de beslistermijn op het bezwaar wordt verlengd met de periode die ligt tussen de beslisdatum van artikel 7:10, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het doen van uitspraak op bezwaar. De gemachtigde heeft daarmee op 10 april 2013 ingestemd. De Inspecteur heeft uitstel verleend voor het motiveren van het bezwaar tot 7 september 2013. Bij brief van 27 augustus 2013 heeft de gemachtigde het bezwaar gemotiveerd. Het pro-formabezwaarschrift voor het jaar 2011 is binnengekomen op 23 april 2014. De Inspecteur heeft de gemachtigde bij brief van 24 juni 2014 laten weten dat hij nog niet op het bezwaar kan beslissen en heeft de Inspecteur verzocht ermee in te stemmen dat de beslistermijn op het bezwaar wordt verlengd met de periode die ligt tussen de beslisdatum van artikel 7:10, lid 3, van Awb en het doen van uitspraak op bezwaar (de instemmingsbrief. De gemachtigde heeft daarmee op 26 juni 2014 ingestemd. Daarna heeft de Inspecteur op 30 november 2018 voor beide jaren aan de gemachtigde een vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar gezonden. De gemachtigde heeft daarop gereageerd. De Inspecteur heeft op 8 februari 2019 voor beide jaren uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroep daartegen is door de Rechtbank op 6 april 2020 verworpen. 5.30. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen bedraagt twee jaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (zie onder meer HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140). In beginsel is de redelijke termijn van twee jaar in bezwaar en beroep tezamen in dit geval overschreden. Niet in geschil is dat de termijnoverschrijding zich heeft voorgedaan in de bezwaarfase en niet in de beroepsfase. In dit geval zijn de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen voor het jaar 2010 en het jaar 2011 die beide op dezelfde onderwerpen betrekking hebben, door de Inspecteur gezamenlijk behandeld. Indien de rechtsmiddelen waarmee in de betrokken zaken die fase van de procedure is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, zoals hier met het bezwaarschrift het geval is, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel (zie HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117). 5.31. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn moet worden verlengd met de duur van de verlenging van de beslistermijn voor de uitspraak op bezwaar waarmee belanghebbende heeft ingestemd. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de instemming met het voorstel van de Inspecteur om de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10 Awb te verlengen niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan geven voor het verlengen van de redelijke termijn als bedoeld in r.o. 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337 en r.o. 3.5.1 en 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140. De Hoge Raad heeft inmiddels geoordeeld dat een dergelijke instemming op zich niet een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin is (vgl. HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1574, BNB 2020/163). 5.32. De Inspecteur heeft erop gewezen dat bij de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen nog andere omstandigheden aanwezig kunnen zijn. Hij heeft daarbij gewezen op onder meer de invloed van de belanghebbende of diens gemachtigde op het proces. Uit hetgeen hiervoor onder 5.29 is vastgesteld komt naar voren dat belanghebbende vijf maanden heeft gebruikt om het bezwaar te motiveren. Het Hof acht het redelijk dat belanghebbende hiervoor een maand wordt gegund. Daarvan uitgaande dient de behandelduur van twee jaar met vier maanden te worden verlengd. 5.33. De Inspecteur stelt verder dat de onderhavige zaak is aangehouden in afwachting van de beslissing van het HvJ op prejudiciële vragen die zijn gesteld door het Hof ’s-Hertogenbosch op 7 februari 2014 (de zaak X) en de Hoge Raad op 28 maart 2014 (de zaak T.A. van Dijk) over het respecteren van E101- en E106-verklaringen. Het arrest is door het HvJ gewezen op 9 september 2015 (HvJ 9 september 2015, zaken C-72/14 en C-197/14, ECLI:EU:C:2015:564, BNB 2015/230). Daarvoor is evenwel van belang dat uit het bezwaardossier kan worden opgemaakt dat de bezwaarbehandelaar de uitspraak op bezwaar heeft aangehouden in afwachting van de uitkomst van deze procedure. Zulks kan echter niet uit het dossier worden afgeleid. Het Hof ziet daarom geen aanleiding het afwachten van vermelde beslissing in dit geval als bijzondere omstandigheid die de redelijke termijn verlengt in aanmerking te nemen. 5.34. Voor zover de Inspecteur heeft gesteld dat als bijzondere omstandigheid in aanmerking moet worden genomen dat na het arrest van het HvJ van 9 september 2015 verder is geprocedeerd tot aan de Hoge Raad over de vraag of de E101-verklaringen dienen te worden gerespecteerd op grond van een aantal besluiten van de Administratieve Commissie voor de Rijnvaart, welke vraag door de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juni 2018 in negatieve zin beslist (ECLI:NL:HR 2018:803), geldt het volgende. Ook deze omstandigheid kan niet als bijzondere omstandigheid in aanmerking worden genomen reeds omdat de Inspecteur er, gelet op het feit dat de hiervoor in 5.29 genoemde instemming met uitstel op zich niet als een bijzondere omstandigheid kan gelden en deze instemming is gegeven met het oog op de motivering van het bezwaarschrift, niet zonder meer vanuit kon gaan dat belanghebbende instemde met nader uitstel. 5.35. De Inspecteur heeft er ook nog op gewezen dat in de loop van de jaren minstens 500 procedures van Rijnvarenden, door onder andere de gemachtigde van belanghebbende, zijn gevoerd en dat de onderhavige zaak verknocht is aan andere zaken van Rijnvarenden alsmede zaken van belanghebbende zelf. Van verknochtheid van zaken die een langere termijn van berechting rechtvaardigen is echter geen sprake in een geval als dit waarin er vele andere zaken zijn waarin dezelfde geschilpunten in wisselende samenstelling aan de orde worden gesteld. Verknochtheid ziet op gevallen waarin de Inspecteur en de rechter voor de beslissing van de zaak kennis moeten nemen van gedingstukken van een of meer andere zaken en zich daarbij een oordeel moet vormen over hetgeen in die andere zaak of die andere zaken aan de orde is. De enkele omstandigheid dat een gemachtigde in (zeer) vele zaken standaard, al dan niet in dezelfde volgorde, dezelfde stellingen aanvoert, is onvoldoende om een dergelijke verknochtheid aan te nemen (vgl. HR 19 april 2019, r.o. 2.3, ECLI:NL:HR:2019:623, BNB 2019/171 en 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140. 5.36. De slotsom is dat de redelijke termijn van twee jaar dient te worden verlengd met de extra periode van vier maanden voor uitstel van motivering van het bezwaarschrift. De redelijke termijn in bezwaar en beroep van twee jaar is dan in het geval deze omstandigheden in ogenschouw worden genomen overschreden met (duur procedure van zeven jaar en een maand minus redelijke termijn van twee jaar en vier maanden,
- is)vier jaar en negen maanden. Nu de redelijke termijn voor het doen van uitspraak in beroep door de Rechtbank niet is overschreden zal het Hof de termijnoverschrijding toerekenen aan de Inspecteur en deze veroordelen tot betaling van tien maal € 500, is € 5.000. Voor de zaken gezamenlijk dient eenmaal het tarief van € 500 per half jaar te worden gehanteerd. De zaken hebben in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking en zijn gezamenlijk behandeld in bezwaar en beroep (zie HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117). 5.37. De redelijke termijn in hoger beroep is niet overschreden omdat sinds het instellen daarvan tot de uitspraak van het Hof nog geen twee jaar is verstreken. Slotsom 5.38. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep gegrond. Proceskosten en griffierecht 6.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de zaken BK-20/00498 en BK-20/00499 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze samenhang geldt voor de beroeps- en de hoger beroepsfase. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 934,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank en het Hof (1 punt beroepschrift, 1 punt zitting Rechtbank, 1 punt hoger beroep en 0,5 punt conclusie van repliek hoger beroep à € 534 (waarde per punt) x 0,5 (gewicht van de zaak). Voor de bezwaarfase bedraagt de vergoeding (1 punt à € 265 (waarde per punt) x 0,5 (gewicht van de zaak) is € 132,50. In de omstandigheid dat deze veroordeling slechts wordt uitgesproken omdat aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, heeft het Hof aanleiding gevonden een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak – als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht – te hanteren van 0,5 (licht). 6.2. Voorts dient aan belanghebbende de voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierechten van € 47 en € 131 te worden vergoed. Beslissing Het Gerechtshof: - vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, - bevestigt de uitspraken op bezwaar, - veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende geleden schade tot een bedrag van € 5.000, - veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.067, - gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 178 aan griffierecht te vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, P.J.J. Vonk en R.A. Bosman, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 9 juni2021 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.