GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.280.465/01 Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/555095/ HA ZA 18-698 arrest van 22 juni 2021 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , appellante tevens incidenteel geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M.B. Visser te Dordrecht, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde tevens incidenteel appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. L.M. Vos te Dordrecht. Het verloop van het geding Bij exploot van 3 juli 2020 is de vrouw in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 26 november 2018 en 8 april 2020 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen. Bij memorie van grieven heeft de vrouw 7 grieven geformuleerd. Bij memorie van antwoord tevens incidenteel appel heeft de man de grieven weersproken en heeft hij 3 incidentele grieven geformuleerd. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft de vrouw de grieven weersproken. Op 21 mei 2021 is de zaak door de advocaten van partijen bepleit. Er was sprake van een hybride zitting en wel in die zin dat de vrouw en haar advocaat ter zitting aanwezig waren en de advocaat van de man en de man vanuit het kantoor van de advocaat aan de zitting deel namen. De advocaat van de vrouw heeft het woord gevoerd aan de hand van door hem overgelegde pleitnotities. De beoordeling van het hoger beroep Bestreden vonnis 8 april 2020 1. Het dictum van het vonnis van 8 april 2020 van de rechtbank Rotterdam luidt als volgt: 5.1. veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 3.750 als schadevergoeding ter zake van de woonwagen, 5.2 gelast partijen, als wijze van verdeling, het opstalrecht op de berging op naam van de vrouw te laten zetten, waarbij de kosten van de levering voor rekening van de vrouw komen, en bepaalt dat onderhavig vonnis in de plaats treedt van de rechtshandelingen die de vrouw of de man in dit verband moet verrichten, indien hij/zij niet goed meewerkt aan deze veroordeling, 5.3. veroordeelt de vouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 3.750 uit hoofde van haar overbedeling bij de verdeling van het opstalrecht op de berging, 5.4. bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt en dat ieder van partijen een helft dient te dragen van de kosten van de deskundige, 5.5. gelast de vrouw tot betaling aan de griffier van een bedrag van € 484, als haar aandeel in de kosten van de deskundige (ad € 968) 5.6 verklaart het vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, 5.7 wijst het meer of anders gevorderde af. Vordering vrouw 2. De vrouw vordert dat het het hof moge behagen te vernietigen de vonnissen van 26 november 2018 en 8 april 2020 door de rechtbank Rotterdam tussen respectievelijk de vrouw als eiseres in conventie tevens gedaagde in voorwaardelijke reconventie en de man als gedaagde in conventie tevens eiser in voorwaardelijke reconventie gewezen en opnieuw rechtdoende, desnodig onder verbetering/aanvulling van gronden, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat: De man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de helft van de waarde van de woonwagen welke in redelijkheid door uw hof vast te stellen is op een bedrag van € 157.000,-, derhalve € 78.500,-, binnen 14 dagen na betekening van het te dezen te geven arrest; De man te veroordelen in de kosten van beide instanties. Vordering man 3. De man vordert dat het het hof behage bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: In het principaal appel de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar grieven, althans deze haar te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen, met veroordeling van appellante in de kosten van de procedures in beide instanties in hoger beroep zowel principaal als in incidenteel appel alsmede in de nakosten; In het incidenteel appel het gewraakte vonnis van de rechtbank Rotterdam, met inachtneming van de grieven van geïntimeerde te vernietigen en alsnog al de vorderingen van de vrouw in eerste aanleg af te wijzen en de voorwaardelijke vordering van de man in eerste aanleg toe te wijzen, met instandhouding van de beslissing van de rechtbank onder 5.2 en 5.3 van het vonnis ter zake de verdeling van de berging. Zowel in het principale als incidentele appel de vrouw te veroordelen in de proceskosten. 4. In eerste aanleg heeft de man in reconventie onder meer gevorderd: Partijen te veroordelen over te gaan tot verdeling van de berging van partijen en te bepalen dat de berging wordt toebedeeld aan de vrouw en; De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van de helft van de waarde van de berging van € 23.000, - derhalve € 11.500, - althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis. Enige feiten 5. Voor de leesbaarheid van het arrest vermeldt het hof eerst enige feiten. De man en de vrouw hebben een langdurige affectieve relatie met elkaar gehad. Partijen hebben geen (schriftelijke) samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten. De verhouding tussen de man en de vrouw wordt beheerst door het algemene vermogensrecht. In de inleidende dagvaarding in eerste aanleg stelt de vrouw zich op het standpunt dat de woonwagen die zich bevond op het perceel grond aan de [volgt adres] aan de man en de vrouw in mede-eigendom toebehoorde. De man is van mening dat de woonwagen uitsluitend zijn eigendom is aangezien hij de woonwagen heeft gekocht en deze door de verkoper ervan uitsluitend aan hem is geleverd zodat uitsluitend hij de eigendom ervan heeft verkregen. Voorts is de man van mening dat de woonwagen door hem is betaald met uitsluitend aan hem toekomende gelden. De woonwagen waarover partijen een geschil hebben is door de man na verbreking van de affectieve relatie aan de dochter van partijen geschonken en geleverd. Wie was eigenaar van de woonwagen aan de [volgt adres] ? 6. Gelet op de gevolgen van het eventueel slagen van de door de man in incidenteel appel aangevoerde grieven voor de beoordeling van de grieven van de vrouw in het principaal appel, zal het hof eerst die incidentele grieven bespreken. In zijn eerste incidentele grief stelt de man dat alleen hij eigenaar was van de woonwagen die is geplaatst op de [volgt adres] . In de randnummers 73 tot en met 76 stelt de man onder meer dat door de samenleving van partijen geen goederenrechtelijke gemeenschap ontstaat. De vermogens van partijen blijven gescheiden. Als partners uiteengaan, vindt verdeling van vermogens in goederenrechtelijke zin alleen plaats als tussen partijen een eenvoudige gemeenschap is ontstaan. De situatie doet zich in de visie van de man niet voor. De man heeft de eigendom van de woonwagen verkregen door overdracht. De firma [NAAM] Caravanbouw heeft in opdracht van de man de woonwagen vervaardigd en aan de man geleverd. De koopovereenkomst ter zake de woonwagen is tot stand gekomen tussen de man en [NAAM] Caravanbouw. De facturen zijn aan de man geadresseerd. De woonwagen is door de man betaald, deels via de uitsluitend op zijn naam staande rekening courant bij de ABN AMRO en deels contant. De woonwagen is niet met gemeenschappelijk geld betaald. 7. Door de vrouw wordt in de randnummers 3.1 tot en met 3.17 verweer gevoerd. In randnummer 3.5 stelt de vrouw dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.