GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel Zaaknummer : 200.268.559/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/557675 / HA ZA 18-827 arrest van 8 juni 2021 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A.J. Beghtel te Houten tegen [de man] , wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. J. Ran te Utrecht Het geding In bovengenoemde zaak heeft het hof op 16 maart 2021 arrest gewezen (ECLI:NL:GHDHA: 2021:861). De vrouw heeft bij brief van 25 maart 2021 het hof op de voet van artikel 31 Rv verzocht om het arrest te verbeteren. De man heeft bij brief van 12 mei 2021 daarop gereageerd; hij concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. Beoordeling van het verzoek
- De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat er sprake is van een kennelijke rekenfout in r.o. 32 van het arrest van 16 maart
- Deze rechtsoverweging luidt als volgt: ‘Uit het bovenstaande volgt dat de vrouw weliswaar een vergoedingsrecht jegens de man heeft uit hoofde van haar aflossing op de hypothecaire geldlening (€ 212.000,-) en van haar bijdrage in de verbouwingskosten (€ 162.308,-), voor een totaalbedrag van (€ 212.000,- + € 162.308,- = € 374.308,- maal 50% =) € 187.154,-, maar dat dit vergoedingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan worden weggestreept tegen het vergoedingsrecht van de man jegens de vrouw uit hoofde van zijn bijdrage in de verbouwingskosten voor (de helft van € 458.291,- =) een totaalbedrag van € 229.145,50 althans voor een zodanig bedrag dat tenminste overeenkomt met de hoogte van het vergoedingsrecht van de vrouw. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre dan ook bekrachtigen.’
- Volgens de vrouw heeft de verbouwing van de woning een totaalbedrag van € 458.291,- gekost. De vrouw heeft aan de verbouwing bijgedragen voor een totaalbedrag van (€ 93.306,- + € 69.002,- =) € 162.308,-, welk bedrag voor de berekening van de vergoedingsrechten afgetrokken dient te worden van het totaalbedrag van € 458.291,-. Daarmee bedraagt het aandeel van de man in de totale verbouwingskosten een bedrag van € 295.983,-. Dit betekent volgens de vrouw dat de man nog een bedrag van € 39.162,50 aan haar verschuldigd is.
- Naar het oordeel van het hof berust het betoog van de vrouw op een onjuiste lezing van het arrest van 16 maart
- Het hof legt dat als volgt uit. Op basis van de gedingstukken en een afweging van de door partijen ingenomen stellingen heeft het hof in het arrest vastgesteld dat de man voor een totaalbedrag van € 458.291,- (r.o. 18) en de vrouw voor een totaalbedrag van € 162.308,- (r.o. 26) aan de verbouwing van de woning heeft uitgegeven. Anders dan de vrouw betoogt zijn de totale verbouwingskosten volgens het arrest dus meer dan € 458.291,- geweest.
- Dit betekent dat er geen sprake is van een kennelijke rekenfout in het arrest en dat het hof het verzoek van de vrouw dan ook zal afwijzen. Beslissing Het hof: wijst af het verzoek van de vrouw tot verbetering van het tussen partijen gewezen arrest van 16 maart
- Dit arrest is gewezen door mrs. F. Ibili, A.N. Labohm en K.M. Braun, en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 8 juni 2021 in aanwezigheid van de griffier.