GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.271.812/01 Zaaknummer rechtbank : C/10/560981 / HA ZA 18-1007 arrest van 3 augustus 2021 inzake 1 [appellant 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [appellant 2], wonende te [woonplaats] , 3. [appellant 3] Beheer B.V., gevestigd te Den Haag, appellanten sub 1 tot en met 3 hierna: [appellanten 1-3] , 4. Tandartsenpraktijk Waddinxveen B.V., gevestigd te Waddinxveen, hierna: de Tandartsenpraktijk, alle appelanten hierna tezamen: [appellant c.s.] ., appellanten in het principaal hoger beroep, geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. L.T.M. Keet te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. N. Poggenklaas te Alkmaar. 1Waar de zaak over gaat Dit geschil komt voort uit de overname van een tandartsenpraktijk. Het gaat onder meer om de vragen of de verkoper recht heeft op een aanvullende betaling en of de verkoper op zijn beurt gehouden is tot betaling van voor de overname van de praktijk ontstane schulden. 2Het procesverloop in hoger beroep Het hof verwijst naar het tussenarrest van 28 januari 2020. De in dat tussenarrest gelaste comparitie heeft geen doorgang gevonden. Vervolgens heeft [appellant c.s.] . bij memorie van grieven, met producties, vijf grieven tegen het vonnis van 25 september 2019 aangevoerd en zijn eis vermeerderd. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord, eveneens met producties, de grieven bestreden en op zijn beurt in incidenteel hoger beroep een voorwaardelijke en een onvoorwaardelijke grief tegen het vonnis van 25 september 2019 aangevoerd en daarbij (voorwaardelijk) zijn eis vermeerderd. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [appellant c.s.] . verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de incidentele grieven en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten. Op 9 juli 2021 hebben partijen ter (via een video-verbinding plaatsgevonden) zitting hun standpunten door hun advocaten laten toelichten. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald. 3De feiten 3.1 Het hof gaat op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds niet is betwist, in hoger beroep uit van het volgende. 3.2 Op 27 september 2017 zijn [geïntimeerde] en [appellanten 1-3] een koopovereenkomst aangegaan, waarbij [geïntimeerde] zijn aandelen in de Tandartsenpraktijk aan [appellanten 1-3] heeft verkocht. De levering vond plaats op 2 oktober 2017. De koopovereenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen: “(…) Artikel 2 – Koopprijs en betaling daarvan (…) 2. Verkoper zal een aanvullende vergoeding van € 10.000,- van koper ontvangen als blijkt dat er van de reeds ingeschreven patiënten vanaf 01 januari 2017 tot en met 31 december 2017 1300 patiënten of meer zijn verschenen voor een afspraak. (…) Artikel 5 – Garanties (…) 1. Verkoper erkent dat Koper de beslissing de Koopovereenkomst aan te gaan mede heeft gebaseerd op grond van de Garanties zoals in dit artikel zullen worden beschreven. 2. Verkoper garandeert aan Koper dat de Garanties die in dit artikel vermeld zijn juist, volledig en niet misleidend zijn. (…) 5. Verkoper vrijwaart Koper en de Vennootschap voor: a. alle aanspraken die Verkoper en de met Verkoper direct of indirect gelieerde rechtspersonen, uit welke hoofde dan ook, hebben of in de toekomst zouden kunnen hebben jegens de Vennootschap. b. alle aanspraken van derden uit hoofde van door de Vennootschap afgegeven garanties, borgtochten of verklaringen ter zake van of door hen aanvaarde of uit de wet voortvloeiende (al dan niet hoofdelijke) aansprakelijkheden en voor verrekening van, verplichtingen (waaronder fiscale verplichtingen). (…) e. Verkoper blijft aansprakelijk voor alle claims van patienten die betrekking hebben op tandheelkundige verrichtingen of declaraties die zijn geschied voor de leveringsdatum. Koper zal verkoper de gelegenheid geven om dit naar eigen inzicht te beoordelen en op te lossen. Due Diligence onderzoek 6. In het kader van de informatieverplichting van Verkoper en de onderzoeksverplichting van Koper heeft een due diligence onderzoek plaatsgevonden, waarvan de uitkomsten door Verkoper en Koper zijn betrokken bij het vaststellen van de Koopsom, één en ander echter onverminderd de rechten en aanspraken van Koper (…). 7. Verkoper erkent en verklaart uitdrukkelijk dat hij zich jegens Koper op generlei wijze zal beroepen op het feit dat Koper in de gelegenheid is gesteld om een due diligence onderzoek te doen 9. Koper heeft voor de koop inzicht gekregen in (…) het aantal actieve patienten van de praktijk. (…) Artikel 8 – Afwikkeling rekening-courant 1. Uit de balans per 31 juli 2017 blijkt dat vorderingen, vooruitbetaalde posten en de liquide middelen nagenoeg gelijk zijn gebleven aan de kortlopende schulden van de vennootschap. 2. bij een verschil tussen de baten en de lasten van minstens 1.000 euro zullen partijen binnen een minnelijk traject elkaar aansprakelijk houden en zal het bedrag binnen 30 dagen worden betaald. (…).” 4De beoordeling van het hoger beroep 4.1 Bij inleidende dagvaarding van 20 juli 2018 heeft [geïntimeerde] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam en daarbij (in conventie) gevorderd de veroordeling van [appellant c.s.] . tot betaling van de in art. 2 lid 2 van de koopovereenkomst bedoelde aanvullende vergoeding van € 10.000,- en van € 13.312,17 uit hoofde van de rekening-courantverhouding tussen hem en de Tandartsenpraktijk, met rente en kosten. [appellant c.s.] . heeft de vorderingen betwist en in reconventie gevorderd de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 11.635,11 en € 14.687,83 met rente en kosten. 4.2 De rechtbank heeft in conventie de vordering tot betaling van € 10.000,- afgewezen. Volgens de rechtbank mocht [appellant c.s.] . art. 2 lid 2 van de koopovereenkomst aldus begrijpen dat daarin het aantal actieve patiënten is bedoeld. Niet is komen vast te staan dat aan deze voorwaarde voor een aanvullende betaling is voldaan, aldus de rechtbank. Wel is de Tandartsenpraktijk op grond van art. 6:140 BW het saldo per 31 juli 2017 van € 13.312,17 verschuldigd. De Tandartsenpraktijk was geen partij bij de koopovereenkomst en kan geen rechten aan art. 8 lid 2 van de koopovereenkomst ontlenen (rov. 4.6 - 4.9). Het besluit BIK is niet van toepassing en ook overigens is niet gebleken van voor vergoeding vatbare buiten-gerechtelijke kosten, zodat die vordering niet toewijsbaar is (rov. 4.11). In reconventie is de vordering van € 11.635,11 niet toewijsbaar. Facturen van na de overnamebalans van 31 juli 2017 kunnen niet tot toewijzing van enig bedrag leiden. Van de eerder gedateerde facturen heeft [appellant c.s.] . niet uitgelegd waarom deze niet zijn verwerkt in de post ‘nog te betalen posten’ van de overnamebalans. Ook de vordering tot betaling van € 28.000,- wordt afgewezen, nu niet is gesteld op grond waarvan [geïntimeerde] dit bedrag aan de Tandartsenpraktijk moet betalen (rov. 4.14), aldus de rechtbank. In het principaal hoger beroep 4.3 Met grief I komt [appellant c.s.] . op tegen de toewijzing van het bedrag van € 13.312,17. Volgens [appellant c.s.] . is de afwikkeling van de post rekening-courantverhouding door partijen verdisconteerd in de koopprijs en volgt uit art. 5 sub a van de koopovereenkomst dat [geïntimeerde] na betaling van de koopprijs niets meer van de Tandartsenpraktijk te vorderen heeft. Art. 5 vormt een onherroepelijk derdenbeding ten behoeve van de Tandartsenpraktijk dat op grond van art. 6:253 lid 4 BW als aanvaard geldt. Art. 8 lid 2 van de koopovereenkomst is niet van toepassing omdat die bepaling geen betrekking heeft op in de overnamebalans opgenomen posten, aldus de grief. 4.4 [geïntimeerde] heeft betwist dat de schuld uit hoofde van de rekening-courantverhouding is verdisconteerd in de koopprijs. Hij heeft zich beroepen op een verklaring van de bij de onderhandelingen betrokken [getuige] (prod. 1 bij memorie van antwoord), volgens welke verklaring de koopprijs is bepaald op grond van de componenten inventaris, voorraad materialen, goodwill en bemiddelingskosten. Daarin speelde de rekening-courantverhouding geen rol. De vordering stuit ook niet af op de vrijwaringsbepaling, nu de rekening-courantverhouding evenals de achterliggende informatie bij partijen bekend was en partijen met artikel 8 van de koopovereenkomst, getiteld “afwikkeling rekening-courant” hebben bedoeld dat de rekening-courantverhouding aangezuiverd zou moeten worden. Partijen zijn niet overeengekomen dat de rekening-courantverhouding zou worden kwijtgescholden, aldus [geïntimeerde] . 4.5 Het hof overweegt als volgt. Zoals ook de rechtbank (onbestreden) heeft overwogen, is de Tandartsenpraktijk op grond van artikel 6:140 lid 1 BW in beginsel het saldo van de rekening-courantverhouding – dat deel uitmaakt van de in artikel 8 lid 1 van de koopovereenkomst bedoelde kortlopende schulden – aan [geïntimeerde] verschuldigd. Het (bevrijdende) verweer van [appellant c.s.] ., dat partijen in afwijking hiervan zijn overeengekomen dat deze vordering van [geïntimeerde] in de koopprijs is verdisconteerd, is door [geïntimeerde] gemotiveerd en met de genoemde verklaring onderbouwd betwist. Nu [appellant c.s.] . geen bewijs heeft aangeboden van concrete feiten of omstandigheden waaruit de gestelde (afwijkende) afspraak volgt en het hof geen aanleiding ziet om op dit punt ambtshalve bewijs op te dragen, is de juistheid van deze grondslag van de vorderingen van [appellant c.s.] . niet komen vast te staan. Het hof gaat daarom aan dit verweer voorbij. 4.6 Ook het beroep van [appellant c.s.] . op art. 5 lid 5a van de overeenkomst faalt. In die bepaling vrijwaart [geïntimeerde] [appellant c.s.] . voor ‘alle aanspraken die Verkoper en de met Verkoper direct of indirect gelieerde rechtspersonen, uit welke hoofde dan ook, hebben of in de toekomst zouden kunnen hebben jegens de Vennootschap’. Dat deze algemeen geformuleerde bepaling ook de strekking heeft [appellant c.s.] . te vrijwaren voor vorderingen van [geïntimeerde] die als zodanig in artikel 8 lid 1 van de koopovereenkomst en in de overnamebalans zijn opgenomen valt niet zonder meer in te zien. Ook indien deze bepaling door [appellant c.s.] . zo was bedoeld, blijkt uit niets dat deze bepaling ook als zodanig door [geïntimeerde] is begrepen. [appellant c.s.] . heeft ook niets gesteld op basis waarvan moet worden geoordeeld dat [geïntimeerde] deze bepaling in redelijkheid als zodanig had moeten opvatten. Ook voor het beroep op deze vrijwaringsbepaling ontbreken concrete stellingen van [appellant c.s.] . en een daarop toegesneden (gespecificeerd) bewijsaanbod, zodat het hof ook aan dit gemotiveerd betwiste verweer voorbijgaat. 4.7 Grief II keert zich tegen de afwijzing van de vordering van [appellant c.s.] . tot terugbetaling van € 28.500,- dan wel (€ 28.500 – € 13.312,17 =) € 15.187,83. Volgens [appellant c.s.] . heeft [geïntimeerde] Tandtechniek B.V. op 25 oktober 2016 een schuld van € 28.000,- aan de Tandartsenpraktijk ingelost en heeft de praktijk vervolgens € 28.500,- (indirect) aan [geïntimeerde] in privé betaald door een storting op een derdengeldrekening. [geïntimeerde] dient dit bedrag terug te storten, aldus [appellant c.s.] . 4.8 [geïntimeerde] heeft hiertegenover aangevoerd dat deze ruim voor de koopovereenkomst gedane betaling verband houdt met een door de curator van [geïntimeerde] Tandtechniek B.V. vernietigde aflossing op een schuld van [geïntimeerde] Tandtechniek B.V. aan de Tandartsenpraktijk. De Tandartsenpraktijk was dit bedrag dus aan de curator verschuldigd. [geïntimeerde] heeft betwist dat hij jegens [appellant c.s.] . tot (terug)betaling verplicht is. 4.9 De grief faalt reeds omdat [appellant c.s.] . in het geheel niet heeft toegelicht en onderbouwd op welke grondslag [geïntimeerde] jegens de Tandartsenpraktijk en/of [appellanten 1-3] tot betaling van dit bedrag gehouden is. Zo is gesteld noch gebleken dat [appellant c.s.] . als kopers erop hebben vertrouwd en mochten vertrouwen dat dit bedrag zich nog in het vermogen van de Tandartsenpraktijk bevond. Ook overigens heeft [appellant c.s.] . geen rechtsgrond voor de (terug)betaling van dit bedrag aangevoerd. 4.10 Volgens grief III is de vordering van [appellant c.s.] . voor de facturen voor pensioenkosten en tandherstel ten onrechte afgewezen. Een totaalbedrag van € 8.358,11 aan facturen was niet opgenomen in de boekhouding. Het betreft kosten uit de periode dat [geïntimeerde] nog eigenaar was van de Tandartsenpraktijk die niet op de overnamebalans waren vermeld en die op grond van art. 5 lid 5e dan wel 8 lid 2 van de koopovereenkomst door [geïntimeerde] moeten worden gedragen, aldus de grief. 4.11 [geïntimeerde] heeft allereerst betwist dat art. 5 lid 5e van de koopovereenkomst betrekking heeft op vorderingen als hier bedoeld. Volgens hem heeft die bepaling enkel de strekking om tegen de Tandartsenpraktijk gerichte claims van patiënten (wegens bijvoorbeeld een foute behandeling) bij [geïntimeerde] neer te leggen. Verder heeft [geïntimeerde] betwist dat met deze facturen geen rekening is gehouden, waartoe hij heeft verwezen naar de als productie 3 bij memorie van antwoord overgelegde financiële stukken. Tegenover de na 31 juli 2017 ontstane schulden staan inkomsten, zodat ook daardoor geen grondslag voor aansprakelijkheid is gegeven, aldus [geïntimeerde] . 4.12 Naar het oordeel van het hof kan de vordering niet worden toegewezen op grond van art. 5 lid 5e van de koopovereenkomst. Dat die bepaling de strekking had dat [geïntimeerde] ook andere dan de onder 4.11 genoemde vorderingen zou dragen, vindt allereerst onvoldoende steun in de bewoordingen van de bepaling, die veeleer in de richting van de door [geïntimeerde] verdedigde uitleg wijzen. [appellant c.s.] . heeft in dit verband ook geen (voldoende concrete) feiten en omstandigheden gesteld en te bewijzen aangeboden waaruit volgt dat [geïntimeerde] (desondanks) redelijkerwijs moest begrijpen dat deze bepaling de door [appellant c.s.] . bepleite ruimere strekking heeft. Ook deze grondslag van de vorderingen is daarmee niet komen vast te staan. 4.13 Daarnaast heeft [appellant c.s.] . deze vordering gebaseerd op art. 8 lid 2 van de koopovereenkomst. De rechtbank heeft in dit verband in hoger beroep onbestreden geoordeeld dat: - art. 8 lid 2 zo moet worden uitgelegd dat [appellant c.s.] . daarop een beroep kunnen doen als het saldo van het werkkapitaal minstens € 1.000,- lager blijkt dan volgt uit de overnamebalans, - [appellant c.s.] . dient te stellen en zo nodig te bewijzen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.