Rolnummer: 22-001761-20 Parketnummer: 96-190246-19 Datum uitspraak: 9 september 2021 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 juli 2020 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [plaats] op [datum] 1975, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, bij niet verrichten te vervangen door 20 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij, op of omstreeks 31 mei 2019 te Nieuwkoop een voertuig, te weten personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten Amfetamine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 1200 microgram Amfetamine per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde; 2.hij, op of omstreeks 31 mei 2019 te Nieuwkoop als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Provincialeweg N231 ter hoogte van hectometerpaal 7.0, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 850,00, subsidiair 17 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden en met een proeftijd van 2 jaren en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde een taakstraf voor de duur van 40 uren, bij niet verrichten te vervangen door 20 dagen hechtenis. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Beoordeling van de tenlastelegging Juridisch kader artikel 13 Besluit Om tot een bewezenverklaring te komen van een feit waarin de tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid 5 Wegenverkeerswet moet onder meer kunnen worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een ‘onderzoek’ als bedoeld in dat artikel. Van een dergelijk onderzoek is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AD6952) Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit), dat ertoe strekt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14 lid 2 Besluit wordt of worden gezonden, en de voorschriften die betrekking hebben op het bewaren en het vervoeren van het afgenomen bloedmonster in verband met het uitvoeren van het bloedonderzoek (zie HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684). De achterliggende strekking van het vereiste dat het bloedmonster door de opsporingsambtenaar “zo spoedig mogelijk” (artikel 13 lid 1 en onder aanhef Besluit) moet worden bezorgd bij het onderzoekslaboratorium als bedoeld in art. 14, tweede lid, Besluit, is gelegen in het voorkomen van bederf en/of verwisseling van de bloedmonsters (zie ook de Conclusie van de Advocaat-generaal Harteveld over de wetsgeschiedenis van art. 13 van het Besluit, ECLI:NLPHR:2020:745, Parket bij de Hoge Raad 19/044315). De wetgever heeft toentertijd volstaan met het vereiste zo spoedig mogelijk en in de bedoelde bepaling is wat betreft deze fase van het bloedonderzoek geen harde termijn gesteld. De beoordeling of aan het voorschrift van de zo spoedig mogelijke bezorging is voldaan, is aan de feitenrechter, die daarbij acht kan slaan op de omstandigheden van het geval. De advocaat-generaal heeft in de onderhavige zaken naar voren gebracht, dat de bewaar- en vervoercondities van bloedmonsters zijn gewijzigd sedert het door de Hoge Raad gewezen arrest, hierboven aangehaald. Dat is onderbouwd met een schrijven d.d. 26 maart 2021 van Dr. C.M. Boone, forensisch onderzoeker toxicologie werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut. Daarin staat onder meer het volgende: “Rijgevaarlijke stoffen hebben een beperkte stabiliteit in het bloed. Dit betekent dat rijgevaarlijke stoffen in de bloedbuis (gedeeltelijk) afgebroken kunnen worden. De ene stof breekt sneller af dan de andere, en sommige stoffen breken niet of nauwelijks af. Afbraak van stoffen vindt bij hogere temperaturen sneller plaats dan bij lagere temperaturen. In de vriezer (circa -20°C) zijn de stoffen het meest stabiel: eventueel aanwezige alcohol, drugs en medicijnen in bloed blijven minimaal 6 maanden stabiel bij opslag in de vriezer. Onder die condities hebben een eventueel vertraagde aflevering bij het laboratorium of een vertraagde start van het onderzoek na aflevering geen invloed op de resultaten van het onderzoek” (…) “Om afbraak van stoffen te voorkomen, wordt het bloed in de vriezer opgeslagen conform de bijlage bij de Regeling alcohol, druks en geneesmiddelen in het verkeer (…) Sinds 1 januari 2019 wordt het bloed door de politie in vriezers opgeslagen tot het moment van transport naar de laboratoria. Tevens wordt het bloed sinds 1 maart 2019 in de vriezer getransporteerd van de politie naar de laboratoria. Indien een vervolgtransport nodig is naar een tweede laboratorium vindt het transport eveneens plaats in de vriezer. (…) De term ‘zo spoedig mogelijk’ (hof: als neergelegd in het in het Besluit artikel 13 lid 1) is opgenomen omdat opslag bij de politie vóór 1 januari 2019 plaatsvond bij kamertemperatuur en het transport vóór 1 maart 2019 eveneens plaatsvond bij kamertemperatuur, en men de kans op afbraak van rijgevaarlijke stoffen in het bloed onder deze condities (…) wilde voorkomen. (…) Tegenwoordig vinden deze opslag en transport (zoals eerder beschreven) plaats in de vriezer en zijn er geen gevolgen voor het bloed indien het langer duurt voordat het bezorgd wordt bij het laboratorium, tot 6 maanden. Indien de bezorging langer duurt dan 6 maanden, is het niet uit te sluiten dat afbraak plaats heeft gevonden van rijgevaarlijke stoffen in het bloed, hetgeen altijd in het voordeel van de verdachte is. Een toename van stoffen in het bloed is niet mogelijk”. Het hof ziet in deze nieuwe ontwikkeling, waarbij de bewaarcondities van ‘bloedblokken’ op de politiebureaus per 1 januari 2019 en voor wat betreft het transport van ’bloedblokken’ naar het laboratorium (waar onderzoek wordt gedaan) zijn veranderd, reden om in zaken waarin bloedblokken niet zo spoedig mogelijk zijn bezorgd anders te benaderen dan voorheen (toen het bloed bij kamertemperatuur werd bewaard en vervoerd) het geval was. De betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek is door deze nieuwe ontwikkelingen in de bewaar- en vervoercondities sterk toegenomen; als het bloed dus niet ‘zo spoedig mogelijk’ bij het onderzoekslaboratorium is bezorgd, raakt dat op zichzelf dan ook niet aan de betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek aan die monsters verricht, zolang die nieuwe werkwijze wordt gehanteerd. Voor zover de betrouwbaarheid van de resultaten van het bloedonderzoek niet meer in het geding is, heeft artikel 13 van het Besluit ten aanzien van dat aspect zijn strikte waarborgkarakter grotendeels verloren. Mogelijk zijn er nog situaties waarin dit speelt (bijvoorbeeld als het uitoefenen van het recht op contra-expertise in het gedrang zou komen, dat raakt immers aan de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten). In de onderhavige zaak is dat niet aan de orde. Wel blijft staan dat de achterliggende strekking van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, van het Besluit óók is om door middel van enige voortvarendheid in de procedure te voorkomen dat er monsters worden verwisseld. In de onderhavige zaak is van enig vermoeden van verwisseling geen sprake. Gelet op de bewoordingen van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, van het Besluit, dient nog steeds voortvarendheid te worden betracht, gelet op de verwachtingen van justitiabelen opgewekt door die bewoordingen, zal het hof de waarborg van artikel 13 lid 1 van het besluit in die zin opvatten als een vormvoorschrift. Als verzuim van dat vormvoorschrift plaatsvindt, dan zal de toets plaatsvinden op de wijze voorzien in artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Beoordeling artikel 13 Besluit Het hof gaat ervan uit dat de nieuwe werkwijze van de politie voor het bewaren en vervoeren van de bloedblokken in dit geval is gehanteerd, zoals bevestigd in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant Lindhout d.d. 22 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.