GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.275.184/01 Zaaknummer rechtbank : C/10/586989 / KG ZA 19-1241 arrest van 21 september 2021 inzake 1. Pirs & Co Sp. z o.o. Sp. J., 2. Nava Pr
Article 6.6. of the Contract no. 609-921, at the berth in Rotterdam clear from any liens and mortgages by the Respondent, all within six
(6)weeks after the Final Award of the Sole Arbitrator has been rendered. 2. If the Respondent fails to (
- i)to perform the finalization of building the new hull for a Chemical Tanker Type C Yard Number 609/921-08/13 in accordance with the Contract No. 609-921, the Technical Specification and General Arrangement Plan and (
- ii)to delivery of the hull, and (iii) to transfer of ownership of the hull including transfer of possession and hand-over of the hull,
Article 6.6.
of the Contract no. 609-921, at the berth in Rotterdam clear from any liens and mortgages by the Respondent, within the time stated in the Final Award the Respondent is ordered to a) transfer of ownership of the hull for a Chemical Tanker Type C Yard Number 609/921-08/13, including transfer of possession and hand-over of the hull,
Article 6.6 of the Contract No.
609-921, at the Respondent's shipyard in the condition as it is at the time of the Award clear from any liens and mortgages; (…)” 4.8 Op 21 april 2017 is naar aanleiding van een uitspraak van de Regionale Rechtbank te Warschau van diezelfde datum in het daartoe bestemde pandregister te Polen onder nummer 2529150 ingeschreven het pandrecht van PIRS Prosperous Investments [Y] Sp.J. respectievelijk Pirs & Co Sp. z o.o. Sp.J. op een roerende zaak die (in de Engelse vertaling van) het pandregister als volgt is omschreven: (…) 1. Name of pledged item (…) Inland waterway vessel (…) 2. Feature A – Type of vessel (…) Hull of a vessel of Building number NB 1296 3. Feature B – name or ID designation (…) CHEMICAL TANKER 11OML TYPE C –NB 1296 (…) (…) (…) 7. Feature E- DWT of measurements (…) Total length 109.85 (…) maximum width = 11.45 M (…)”. Als pandgever is C.T.C. sp. z o.o. te Warschau (hierna: CTC) opgenomen. Bij uitspraak van de Regionale Rechtbank te Warschau van 21 oktober 2017 is de inschrijving gewijzigd, waarbij CTC als pandgever is vervangen door Nava. 4.9 Op 25 oktober 2017 is door deurwaarder […] (hierna: [deurwaarder 1] ) in opdracht van Trico op het casco een aanduiding aangebracht dat Trico eigenaar is van het casco. Op 26 oktober 2017 heeft Nava bij de Regionale Rechtbank te Gdansk een klacht over die handeling ingediend met verzoek tot opheffing van beslag. 4.10 Bij beslissing van het Hof van Beroep te Gdansk van 28 november 2017 (No. I ACo 24/17) is het arbitraal vonnis uitvoerbaar verklaard. 4.11 Trico heeft de aan haar gelieerde vennootschap Georgia opdracht gegeven tot het (laten) uitvoeren van werkzaamheden aan het casco. Georgia heeft bij overeenkomst van 24 april 2018 aan Machinefabriek [A] B.V. (hierna: [de machinefabriek] ) opdracht gegeven om diverse afbouwwerkzaamheden aan het casco te verrichten. 4.12 Trico heeft opdracht gegeven om het casco vanuit de haven te Gdansk naar Nederland te verslepen. Hiervoor is de Deense sleepboot Ronja (verder: de sleepboot) ingezet. Bij e‑mail van 18 mei 2018 heeft de kapitein van de sleepboot gemeld dat de sleepboot met sleep op 17 mei 2018 om 22.20 uur de haven van Gdansk heeft verlaten. 4.13 Bij beslissing van de Regionale Rechtbank te Gdansk van 18 mei 2018 (No. XIII 1 Co 572/18) is aan Pirs verlof verleend tot tenuitvoerlegging van een notariële akte d.d. 17 april 2018 (No. 1368/2018) houdende de erkenning door Nava van het in het pandregister ingeschreven pandrecht en haar (Nava’
- s)verklaring dat zij zich voor een schuld van PLN 1.000.000 jegens Pirs verplicht tot onderwerping aan tenuitvoerlegging. 4.14 Door slecht weer bevond de sleepboot met het casco zich op 19 mei 2018 in de ochtend nog in de Poolse territoriale wateren. Die ochtend heeft deurwaarder […] (hierna: [deurwaarder 2] ) in opdracht van Pirs handelingen verricht die tot doel hadden executoriaal beslag op het casco te leggen. In het door deurwaarder [deurwaarder 2] opgemaakte rapport van 19 mei 2018 (No. 706/18) is [betrokkene] onder meer aangeduid als bewaarder van het casco. 4.15 De sleepboot heeft de versleping van het casco naar Nederland voortgezet. Op 24 mei 2018 is het casco in Dordrecht aangekomen en aan de kade van [de machinefabriek] afgemeerd. 4.16 Met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam hebben Pirs c.s. op 25 mei 2018 ten laste van Trico conservatoir beslag tot afgifte op het casco doen leggen. 4.17 Bij beslissing van 3 oktober 2018 (No. VI GCo 401/18) heeft de Regionale Rechtbank te Gdansk op verzoek van Pirs een Europese Executoriale Titel met betrekking tot de in 4.13 bedoelde notariële akte van 17 april 2018 afgegeven. 4.18 Op 4 oktober 2018 heeft [deurwaarder 2] in opdracht van Pirs een openbare veiling van het casco gehouden. De veiling was onsuccesvol. Hierop heeft [deurwaarder 2] op 5 oktober 2018 een bevel tot overdracht van het casco aan Pirs afgegeven. 4.19 Op 29 januari 2019 heeft Trico bij de Regionale Rechtbank te Gdansk klachten ingediend tegen het handelen van [deurwaarder 2] op 19 mei 2018 (zie 4.14 hiervoor) en 5 oktober 2018 (zie 4.18 hiervoor). Bij beslissing van de griffier van de Regionale Rechtbank te Gdansk van 2 juli 2019 is Trico niet-ontvankelijk verklaard. Bij beslissing van de Regionale Rechtbank te Gdansk van 23 januari 2020 is de beslissing van de griffier van die rechtbank van 2 juli 2019 bevestigd. 4.20 Bij overeenkomst van 28 augustus 2019 heeft Trico het casco voor een koopsom van € 1.200.000,- exclusief btw aan WPI verkocht. De levering van het casco heeft dezelfde dag plaatsgevonden. Op 30 augustus 2019 is het casco op aanvraag van WPI als schip te boek gesteld door middel van inschrijving in de openbare registers van het kadaster als motortankschip in aanbouw, met brandmerk 38466 B 2019, genaamd ‘Audacia’. 4.21 Na een daartoe op 8 oktober 2019 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam is op verzoek van Pirs c.s. op 9 oktober 2019 beslag tot afgifte op het casco gelegd ten laste van WPI. 4.22 Nava is op 15 november 2019 uitgeschreven uit het Poolse handelsregister. Het daartoe strekkende besluit is op 23 november 2019 onherroepelijk geworden. Het geschil In eerste aanleg 5.1 WPI heeft gevorderd, voor zover thans nog van belang en zakelijk weergegeven, primair, opheffing van het op 9 oktober 2019 gelegde beslag (zie 4.21 hiervoor) en, subsidiair, het stellen van een bankgarantie door Pirs c.s., op straffe van een dwangsom. 5.2 Pirs c.s. hebben in voorwaardelijke reconventie gevorderd, samengevat, het WPI te verbieden beschikkingsbevoegde handelingen ten aanzien van het casco te verrichten, zolang geen uitspraak is gedaan in de hoofdzaak tegen WPI en in de bodemprocedure tussen Pirs c.s. en Trico, alles op straffe van een dwangsom. 5.3 Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vordering van WPI op de primaire grondslag toegewezen, het op 9 oktober 2019 gelegde beslag opgeheven en de reconventionele vorderingen van Pirs c.s. afgewezen. In hoger beroep 5.4 Pirs c.s. vorderen, zakelijk weergegeven, dat het bestreden vonnis wordt vernietigd, dat het door hen in eerste aanleg gevorderde alsnog wordt toegewezen en dat de vorderingen van WPI alsnog worden afgewezen. 5.5 WPI concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Pirs c.s. in hun vorderingen althans tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Overige procedures in Nederland 6.1 Behalve tot de onderhavige procedure hebben de hierboven onder 4.1-4.22 omschreven feiten in Nederland ook geleid tot een bodemprocedure tussen Pirs c.s. en [betrokkene] enerzijds en Trico en [de machinefabriek] anderzijds in de zaak C/10/554421 / HA ZA 18-666 en Pirs enerzijds en Georgia anderzijds in de zaak C/10/564587 / HA ZA 18-1218 (hierna: de eerste bodemprocedure) en een bodemprocedure tussen Pirs en Nava enerzijds en WPI en Trico anderzijds (hierna: de tweede bodemprocedure). 6.2 In de eerste bodemprocedure zijn bij vonnis van 28 augustus 2019 van de rechtbank Rotterdam (
- i)in de zaak C/10/554421 / HA ZA 18-666 de vorderingen van Pirs c.s. en [betrokkene] , houdende, kort gezegd, afgifte van het casco, afgewezen en de vorderingen in reconventie van Trico tot opheffing van het conservatoir beslag op het casco en vergoeding van schade toegewezen en (
- ii)in de zaak C/10/564587 / HA ZA 18-1218 de vorderingen van Pirs c.s. houdende, kort gezegd, afgifte van het casco, afgewezen. Pirs c.s. en [betrokkene] hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is bij het hof bekend onder nr. 200.268.996/01; ook in die zaak wordt heden einduitspraak gedaan (vgl. 1.2 hiervoor). 6.3 In de tweede bodemprocedure is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3416, de vordering van Pirs strekkende tot, kort gezegd, afgifte van het casco en nevenvorderingen, vernietiging van de koopovereenkomst tussen WPI en Trico en doorhaling van de inschrijving in het kadaster (zie 4.20 hiervoor) ten aanzien van WPI afgewezen en is Pirs niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen Trico. De ontvankelijkheid van Nava 7. Nu het appelexploot is uitgebracht op 10 maart 2020, de zaak dus vanaf dat moment aanhangig is en Nava als gemeld in 4.22 hiervoor op 15 november 2019 is uitgeschreven uit het Poolse handelsregister is Nava nog voor het aanhangig zijn van deze procedure opgehouden te bestaan. Een partij die niet bestaat, kan in beginsel geen hoger beroep instellen (HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7324). Dit leidt ertoe dat de dagvaarding in hoger beroep is uitgebracht door dan wel namens een niet bestaande rechtspersoon en dus dat Nava niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar hoger beroep. Opheffing van het beslag Het oordeel van de voorzieningenrechter 8.1 Onbestreden is het oordeel van de voorzieningenrechter dat bij de beoordeling van de vordering tot opheffing van het beslag de afstemmingsregel niet geldt en dat het beslag moet worden opgeheven indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht en/of blijkt van het onnodige van het beslag, onder afweging van de wederzijdse belangen (r.o. 5.4 en 5.5 van het bestreden vonnis). Ook het hof gaat van die toetsingsmaatstaf uit. 8.2 De voorzieningenrechter heeft vervolgens, samengevat, als volgt geoordeeld. Uitgaande van het vonnis van 28 augustus 2019 in de eerste bodemprocedure, waarin is geoordeeld dat het pandrecht van Pirs en de daarop gebaseerde handelingen van [deurwaarder 2] niet rechtsgeldig zijn, was Trico eigenaar van het casco ten tijde van de overdracht van het casco aan WPI, zodat WPI door verkoop en levering van het casco op 29 augustus 2019 (gelet op 4.20 en de vaststelling in 2.12 van het bestreden vonnis zal zijn bedoeld 28 augustus 2019, hof) eigenaar is geworden van het casco (r.o. 5.7 van het bestreden vonnis). Dat in het vonnis van 28 augustus 2019 bepaalde (nieuwe omstandigheden) niet zijn meegewogen of dat het vonnis berust op kennelijke (juridische) misslagen is niet komen vast te staan (r.o. 5.9-5.11 van het bestreden vonnis). Mocht in het hoger beroep tegen het vonnis van 28 augustus 2019 worden geoordeeld dat Trico niet beschikkingsbevoegd was ten tijde van de overdracht van het casco aan WPI, dan kan niet worden geoordeeld dat WPI niet te goeder trouw was bij de verkrijging van het casco van Trico (r.o. 5.8 van het bestreden vonnis). Dat Pirs in de bodemzaak vernietiging van de koopovereenkomst tussen Trico en WPI heeft gevorderd, maakt nog niet dat handhaving van het beslag ten laste van WPI gerechtvaardigd is (r.o. 5.12 van het bestreden vonnis). Dit alles betekent dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door Pirs ingeroepen recht. Nu ook een belangenafweging in het nadeel van Pirs c.s. uitvalt, moet het beslag worden opgeheven (r.o. 5.13 van het bestreden vonnis). Geldigheid pandrecht (grief IV) 8.3 Grief IV komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in 5.7 van het bestreden vonnis dat niet is gebleken dat het pandrecht en de daarop gebaseerde handelingen van [deurwaarder 2] rechtsgeldig zijn. De voorzieningenrechter verwijst daarbij naar wat over de geldigheid van het pandrecht is overwogen in het vonnis van de eerste bodemprocedure. Ter toelichting van haar stelling dat het pandrecht geldig is, verwijst Pirs naar de grieven III-V in het hoger beroep in de eerste bodemprocedure. 8.4 Grief IV is tevergeefs voorgesteld. Uit het arrest dat heden in zaak 200.268.996/01 wordt uitgesproken, volgt dat de in die zaak opgeworpen grieven III-V niet slagen en dat, omdat Pirs en [betrokkene] niet hebben voldaan aan hun plicht omstandigheden en feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid dat eerst CTC en vervolgens Nava de beschikking over het casco hebben verkregen, (
- i)het pandrecht waarop een beroep wordt gedaan, niet rechtsgeldig is gevestigd, (
- ii)de rechtsgrond voor executie van het pandrecht ontbreekt, (iii) Pirs niet de eigenaar van het casco is (geworden) en (
- iv)Trico eigenaar van het casco is (geworden). Verkoop van het casco op 28 augustus 2019 (grieven V en VI) 8.5 Grieven V en VI richten zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in r.o. 5.8 van het bestreden vonnis. De voorzieningenrechter heeft – voor het geval geoordeeld moet worden dat WPI op 28 augustus 2019 het casco niet van een beschikkingsbevoegde geleverd heeft gekregen en dus geen eigenaar is geworden van het casco – overwogen dat niet kan worden gezegd dat WPI niet te goeder trouw was bij de verkrijging van het casco van Trico. Pirs, die het hier niet mee eens is, stelt dat Trico het casco door diefstal in de zin van artikel 3:86 lid 3 BW heeft verkregen. De diefstal bestaat erin dat Trico het casco, in weerwil van het door Pirs gelegde executoriaal beslag ten laste van Trico, van Polen naar Nederland heeft laten verslepen. Voor het geval van diefstal geen sprake is, voert Pirs aan dat geen sprake kan zijn van goede trouw bij, naar het hof begrijpt, WPI bij de koop van het casco op 28 augustus 2019, waardoor die overdracht niet geldig is. Ter toelichting van dat betoog voert Pirs aan dat op WPI een onderzoeksplicht rust, dat WPI op de hoogte had moeten zijn van het door Pirs gelegde beslag ten laste van Trico en de gerechtelijke procedures die over het casco werden gevoerd, dat (originele) documenten ontbraken, dat WPI een professionele partij is die zich bij de transactie heeft laten bijstaan door adviseurs, dat het casco voor een te lage prijs aan WPI is verkocht en dat bewijs ontbreekt dat WPI enige betaling aan Trico heeft gedaan. Grief VIII klaagt er in het verlengde daarvan over dat in r.o. 5.8 van het bestreden vonnis is overwogen dat niet is betwist dat WPI de koopprijs aan Trico heeft voldaan en dat niet kan worden aangenomen dat dat niet de reële waarde van het casco was. 8.6 De grieven slagen niet. Op grond van dat wat hiervoor in 8.4 over de uitkomst van (het hoger beroep
- in)de eerste bodemprocedure (zaak 200.268.996/01) is overwogen, moet worden aangenomen dat Trico, als (vermoed) eigenaar van het casco, bevoegd was het casco te doen verslepen van Polen naar Nederland. Het casco is dan ook op rechtmatige wijze naar Nederland gebracht, zodat van diefstal geen sprake is. Het voorgaande brengt verder mee dat Trico ook bevoegd was om op 28 augustus 2019 het casco over te dragen aan WPI. Dat aan de overige vereisten voor een geldige overdracht (artikel 3:84 BW) is voldaan, wordt door Pirs niet betwist. De transactie tussen Trico en WPI van 28 augustus 2019 is dan ook naar voorlopig oordeel van het hof rechtsgeldig. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat WPI eigenaar van het casco is (geworden). De vraag of WPI te goeder trouw was op 28 augustus 2019 behoeft bij deze stand van zaken geen nadere beoordeling. Hetzelfde geldt voor de vraag of de overeengekomen prijs de reële waarde van het casco vertegenwoordigde en of WPI dat bedrag aan Trico heeft voldaan. Overige grieven 8.7 Grief III richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat uitgegaan kan worden van de juistheid van het vonnis van 28 augustus 2019 in de eerste bodemprocedure en brengt de tegen dat vonnis ingestelde grieven in. Uit wat hiervoor is overwogen (8.4) volgt dat bedoeld vonnis juist is, zodat deze grief zelfstandige betekenis mist. 8.8 De grieven (VII-IX) komen op tegen de oordelen van de voorzieningenrechter in r.o. 5.9-5.11 van het bestreden vonnis over (de juistheid van) het vonnis van 28 augustus 2019. Nu het hof in het arrest dat heden in zaak 200.268.996/01 wordt uitgesproken het vonnis van 28 augustus 2019 bekrachtigt, behoeven deze grieven geen behandeling. 8.9 Grief X is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in r.o. 5.13 van het bestreden vonnis dat het belang van WPI bij opheffing van het beslag zwaarder weegt dan het belang van Pirs bij handhaving van het beslag. Deze grief gaat ervan uit dat Pirs de eigenaar van het casco is. Hiervoor is echter overwogen dat ervoor moet worden gehouden dat WPI eigenaar van het casco is (geworden). Dit betekent dat grief X feitelijke grondslag mist en al daarom faalt. Voor het overige verwijst het hof naar het oordeel van de voorzieningenrechter in 5.13 van het bestreden vonnis en de daaraan ten grondslag gelegde motivering; dat oordeel en die motivering zijn juist en dienen als hier herhaald te worden beschouwd. Afgifte van het casco 9. Geen grieven zijn gericht tegen de afwijzing van de voorwaardelijke reconventionele vordering tot afgifte van het casco in r.o. 6.1 van het bestreden vonnis. Op grond van wat hiervoor over de vordering tot opheffing van het beslag is overwogen, volgt dat de vordering tot afgifte van het casco terecht is afgewezen. Slotsom en proceskosten 10. Het hoger beroep slaagt niet. De slotsom is dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Pirs zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van WPI worden veroordeeld. Dit betreft de kosten in de hoofdzaak nu het hof in het incident geen veroordeling in de proceskosten heeft uitgesproken. De beslissing Het hof: - verklaart Nava niet-ontvankelijk in het hoger beroep; - bekrachtigt het bestreden vonnis; - veroordeelt Pirs in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van WPI tot op heden begroot op € 760,-, aan griffierecht en € 3.899,- aan salaris advocaat (3,5 punt × € 1.114,- (tarief II)); - verklaart het arrest ten aan zien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. M.D. Ruizeveld, J.M. van der Klooster en B.R. ter Haar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2021 in aanwezigheid van de griffier.