Rolnummer: 22-000900-21 Parketnummer: 10-741066-20 Datum uitspraak: 23 september 2021 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2021 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachtes], geboren te [plaats] op [datum] 2002, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde, met toepassing van het jeugdstrafrecht, veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 17 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals nader in het vonnis omschreven. Het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis is daarbij ook opgeheven. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader in het vonnis omschreven. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 14 juli 2020 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, te weten de [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit - het vastpakken van die [slachtoffer] en/of - het omsingelen van die [slachtoffer] en/of (agressief) tegen hem aan gaan staan en/of duwen en/of trekken van die [slachtoffer] en/of - ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal, schoppen en/of trappen en/of slaan op het hoofd en/of in het gezicht van die [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer] op de grond lag. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 17 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, en voorts de oplegging van een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewijsoverweging Door de verdediging is betoogd dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, aangezien de verdachte geen significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld en daarop ook geen opzet heeft gehad, maar slechts in die groep aanwezig is geweest en zich niet aan de gepleegde geweldshandelingen heeft kunnen onttrekken. Het hof gaat op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de navolgende feiten en omstandigheden. De aangever heeft verklaard (p.10 e.v. van het dossier) dat hij filmbeelden had gemaakt van jongens, van wie de verdachte er later een bleek te zijn, die volgens hem in drugs aan het dealen waren. Daarna werd hem gezegd door die jongens dat hij klappen zou krijgen als hij de beelden niet zou verwijderen. De jongens sloten hem in, gingen dicht tegen hem aan staan en eisten dat hij de filmbeelden zou verwijderen. Dat deden zij op een agressieve wijze, waarbij de jongens ook probeerden de telefoon van aangever uit zijn broekzak te pakken. De verklaring van getuige [getuige] (p. 29 e.v. van het dossier) bevestigt dit. Die [getuige] ziet de jongens dicht om aangever staan; de jongen met de baseball pet, zijnde de verdachte, ging op 5 centimeter afstand van het gezicht van de aangever staan, had een agressieve houding en gezichtsuitdrukking en zei tegen aangever dat hij niet zo agressief moet doen. Daarna wordt er onderling geduwd en getrokken volgens [getuige]. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij degene was met de baseballpet en werd vastgepakt door aangever en zelf ook aangever heeft vastgepakt, waarna zij samen op de grond terechtkwamen. Direct hierna wordt de aangever geschopt en geslagen. Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de aangever heeft geschopt en geslagen. Op grond van het vorenstaande staat voor het hof echter vast dat de verdachte niet enkel de groep getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij door te handelen als hiervoor vermeld, de agressor was en daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er ook door de mededaders geweld gebruikt zou gaan worden; daardoor heeft hij tenminste voorwaardelijk opzet gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd. Dat het schoppen en slaan pas plaatsvond na de bijdrage die de verdachte heeft geleverd doet aan het voorgaande niet af, omdat het in feite één aaneengesloten gebeurtenis betrof. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen de getuige [getuige] heeft verklaard dat hij de jongen met de pet heeft vastgepakt en zich, toen de aangever op de grond lag, met deze jongen heeft bezig gehouden. Het verweer wordt dan ook verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 14 juli 2020 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, te weten de [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit - het vastpakken van die [slachtoffer] en/of - het omsingelen van die [slachtoffer] en/of (agressief) tegen hem aan gaan staan en/of duwen en/of trekken van die [slachtoffer] en/of - ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal, schoppen en/of trappen en/of slaan op het hoofd en/of in het gezicht van die [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer]op de grond lag. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een feit als het onderhavige versterkt in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid op straat. De ernst van het geweld rechtvaardigt de oplegging van een vrijheidsbenemende straf. Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 19 augustus 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een geweldsdelict. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen. Toepassing adolescentenstrafrecht Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Ten aanzien van een jongvolwassene die de leeftijd van 18 jaar maar nog niet die van 23 jaar heeft bereikt, kan het hof besluiten het jeugdstrafrecht toe te passen indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 18 jaar oud. Gelet op de persoon van de verdachte en op het rapport van de reclassering van 17 maart 2021, acht het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, gronden aanwezig om recht te doen overeenkomstig de bepalingen van het jeugdstrafrecht. De reclassering heeft een advies d.d. 17 maart 2021 opgesteld. Daaruit blijkt onder meer dat er vermoedens zijn dat de verdachte licht verstandelijk beperkt is. Daarnaast is sprake van gebrekkige plannings- en organisatievaardigheden en enige mate van impulsiviteit. Hij kan de gevolgen van zijn handelen niet goed overzien. Wel liet hij een positieve houding zien bij het eerdere toezicht van de jeugdreclassering en Urban Skillsz. Er wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie geadviseerd met onder meer als voorwaarde, dat hij zich moet houden aan de aanwijzingen die jeugdreclassering hem geeft. Die voorwaarde zal het hof, ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten, verbinden aan de voorwaardelijke straf. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 15.784,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.