GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.267.321/01 Zaaknummer rechtbank : 7705498 \ RP VERZ 19-50240 beschikking van 9 november 2021 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. J. Kaldenberg te Den Haag, tegen Rumi B.V., gevestigd te Den Haag, verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: Rumi, advocaat: mr. J.P.W. van Bohemen te Alpen aan den Rijn. 1Het verdere verloop van het geding 1.1 Op 30 juni 2020 heeft het hof in deze zaak een tussenbeschikking gegeven, waarbij een bewijsopdracht aan [verzoeker] is gegeven. Op 18 januari 2021 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. S.R. Mellema. Bij die gelegenheid zijn twee getuigen gehoord. 1.2 Vervolgens heeft [verzoeker] een conclusie na enquête genomen, waarop Rumi heeft gereageerd bij (antwoord)conclusie na enquête. 1.3 Ten slotte is uitspraak bepaald. 1.4 Mr. S.R. Mellema heeft als raadsheer-commissaris de getuigen gehoord. Als gevolg van zijn pensionering is hij niet meer in staat is deze beschikking mede te wijzen. 2De verdere beoordeling Is [verzoeker] op 2 februari 2019 op staande voet ontslagen? 2.1 Zoals in de tussenbeschikking overwogen, heeft [verzoeker] vanaf 2 januari 2019 als horecamanager gewerkt in een door Rumi geëxploiteerd restaurant. Op 2 februari 2019 heeft zich in het restaurant een woordenwisseling tussen [eigenaar] (de eigenaar van Rumi) en [verzoeker] voorgedaan. [verzoeker] heeft daarna niet meer in het restaurant gewerkt. Partijen twisten over het antwoord op de vraag of [verzoeker] op 2 februari 2019 op staande voet is ontslagen. Het hof heeft in de tussenbeschikking geoordeeld dat Rumi voorshands in het bewijs is geslaagd dat [eigenaar] [verzoeker] op 2 februari 2019 op staande voet heeft ontslagen. [verzoeker] is in de gelegenheid gesteld het door Rumi overgelegde bewijs te ontzenuwen. 2.2 In de tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat [verzoeker] heeft erkend dat er in de avond van 2 februari 2019 een heftige woordenwisseling heeft plaatsgevonden tussen hemzelf en [eigenaar] , waarbij [eigenaar] [verzoeker] heeft gezegd dat hij het restaurant moest verlaten. Verder heeft het hof overwogen dat de kok op de ruzie is afgekomen en dat de kok probeerde [verzoeker] tegen te houden. Tot zover zijn partijen het eens over wat er op die avond is gebeurd. 2.3 Bij het oordeel dat Rumi voorshands heeft bewezen dat [verzoeker] op 2 februari 2019 op staande voet is ontslagen, heeft het hof in de tussenbeschikking belang gehecht aan de door Rumi in eerste aanleg overgelegde schriftelijke verklaring van de kok, [kok] . In die verklaring staat onder meer het volgende: “Op 2 februari omstreeks 19:30 was ik aan het koken en er waren klanten aanwezig. Ik heb gehoord dat de heer [verzoeker] aan het schreeuwen was en er waren klanten aanwezig. Nadat de klanten waren vertrokken, mede door het incident kwam ik erbij staan en zag met mijn eigen ogen dat hij zich misdroeg en heel agressief was. Hij liep op de eigenaar af met de houding om een vechtpartij uit te lokken. Ik heb hem fysiek moeten tegenhouden om dit te voorkomen. Ook hoorde ik de eigenaar tegen de heer [verzoeker] roepen, verlaat mijn zaak, ik wil jou hier niet meer aan het werk zien.” 2.4 [kok] is als getuige gehoord en heeft daarbij het volgende verklaard: “Ik was die 2e februari als kok bezig en ik hoorde in het restaurant gegil. Ik kon niet goed horen wat daar precies gebeurde, de afzuigkap stond ook aan. Ik ben bij die gelegenheid in de keuken gebleven en niet naar buiten gelopen om te vragen wat er aan de hand was. Ongeveer twee uur later, ik was klaar met mijn werk als kok, ben ik de keuken uitgelopen en ik zag dat [verzoeker] achter de bar stond en [eigenaar] ergens in een hoek. Ik begreep dat de beide heren ruzie hadden gehad. Ik begreep ook dat bij die ruzie [eigenaar] tegen [verzoeker] gezegd had dat hij niet meer voor het restaurant hoefde te werken. [eigenaar] zei tegen mij dat hij dat gezegd had. [verzoeker] is toen, toen ik daarbij stond boos op [eigenaar] afgelopen en ik ben toen tussen beide gekomen om [verzoeker] tegen te houden. Dat heb ik gedaan door met mijn beide vlakke handen tegen zijn borst te duwen. Er was daarna nog een woordenwisseling tussen [verzoeker] en [eigenaar] . Ik heb [eigenaar] daarbij woorden horen zeggen in de trant van “je hoeft niet meer voor mij te werken, ik wil dat je weggaat”. Precies weet ik het niet meer. Daarna zijn we alle drie tegelijk weggegaan, heeft [eigenaar] [verzoeker] de sleutel van het pand gevraagd en het pand afgesloten. U vraagt mij of [verzoeker] is weggegaan nadat [eigenaar] tegen hem gezegd had dat hij kon verdwijnen. Laat ik het zo zeggen, we zijn allemaal tegelijkertijd weggegaan. Bij die gelegenheid vroeg [eigenaar] om de sleutel. [eigenaar] heeft het pand afgesloten en dat was het einde van mijn werkzaamheden. Ik begreep wel dat het restaurant dicht zou gaan omdat [eigenaar] de sleutel vroeg en [verzoeker] en ik maar één sleutel hadden. Overigens heb ik nog wel de volgende dag met [eigenaar] gebeld met de vraag of de zaak nog openging. Dat was niet het geval want hij had niemand met diploma’s voor sociale hygiëne. Ik kan nog zeggen dat ik in december 2018 voor het Rumi restaurant ben begonnen maar toen was het nog niet open. Het is opengegaan toen [verzoeker] bij het Rumi restaurant begon voorzien van zijn diploma sociale hygiëne.” 2.5 Naar het oordeel van het hof bevestigt [kok] in zijn getuigenverklaring wat hij eerder in zijn schriftelijke verklaring had vermeld. Meer in het bijzonder bevestigt [kok] dat [eigenaar] heeft gezegd dat [verzoeker] niet meer voor hem hoefde te werken en dat [verzoeker] het restaurant moest verlaten. Het hof is van oordeel dat met deze getuigenverklaring het voorlopig oordeel wordt bevestigd dat het [verzoeker] duidelijk moet zijn geweest dat [eigenaar] op dat moment het oogmerk had hem te ontslaan. 2.6 [verzoeker] heeft de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [kok] betwist. Hij voert aan dat er enkele discrepanties zijn met de eerdere schriftelijke verklaring van [kok] . Het hof verwerpt dit betoog. De discrepanties waar [verzoeker] op wijst zijn van ondergeschikt belang en zijn niet van dien aard dat de getuigenverklaring van [kok] daarmee onbetrouwbaar is geworden. 2.7 [verzoeker] heeft als getuige over de gang van zaken op 2 februari 2019 het volgende verklaard: “Ik was die dag aan het werk en op een gegeven moment komt [eigenaar] de zaak binnen, hij had duidelijk een glaasje teveel op, zoals wel vaker gebeurde. Wij zijn de gang van zaken gaan bespreken, het reilen en zeilen van het restaurant naast wat privé dingetjes, en ik heb [eigenaar] in dat gesprek te verstaan gegeven dat ik er problemen mee had dat er in de keuken een niet gekwalificeerde kok stond. Op een gegeven moment is [eigenaar] boos geworden, waarschijnlijk ook omdat ik tegen hem gezegd heb dat hij illegaal bezig was. Dat gesprek, wat ik niet meer in woorden weet te vertalen, heeft [eigenaar] wel tegen mij gezegd dat als ik niet op deze manier wilde werken, daar het gat van de deur was. Dat was ik van [eigenaar] wel wat gewend, hij sprak wel vaker op een bozige toon en op een gegeven moment heb ook ik mijn stem verheven maar het geheel was niet zodanig dat de buren het zouden kunnen horen. Overigens dat terzijde, toen ons ruzieachtig gesprek begon, waren de laatste klanten de zaak al uit. Op een gegeven moment stonden [eigenaar] en ik zo dicht bij elkaar, elk aan een kant van de bar, dat bij het hard praten door [eigenaar] speekseldruppels in mijn gezicht kwamen. Ik wilde daarop mijn gezicht wassen en toen kwam de kok (…) tussen beide, in die zin dat hij mij bij mijn linkerarm vastpakte. Hij heeft mij niet tegengehouden op de wijze als door [kok] verklaard is. Ik heb toen tegen [kok] gezegd dat ik daar niet van gediend was. Vervolgens zijn [eigenaar] en ik aan tafel gaan zitten om verder te praten maar dat was een apart gesprek, het ging van hak op de tak, er was geen touw aan vast te knopen. Wel heeft de kok eten gemaakt en nadat we koffie gedronken hadden vroeg ik aan [eigenaar] hoe het nu verder ging. [eigenaar] zei toen tegen mij “u hoort nog van mij”. Het klopt niet dat [eigenaar] , de kok en ikzelf op hetzelfde moment zijn weggegaan. Ik ging als eerste weg. [eigenaar] en de kok bleven toen nog achter. Ik heb bij mijn vertrek geen sleutel afgegeven, die had ik ook helemaal niet. [kok] had de sleutel, hij begon altijd eerder met werken dan ik. Om die reden had ik ook geen sleutel nodig. U zegt mij dat u gelezen hebt dat [eigenaar] tot drie keer toe tegen mij gezegd zou hebben dat ik de zaak moest verlaten. Dat klopt niet. [eigenaar] heeft één keer tegen mij gezegd “daar is het gat van de deur”. Daarover heb ik hiervoor al verklaard. U zegt mij dat u gelezen hebt dat ik dacht [dat] ik op non-actief gesteld was. Dat heb ik me pas achteraf bedacht en niet op het moment dat ik de zaak verliet. U houdt mij voor uit mijn verklaring ter zitting van 5 juni 2020 de passage “ik heb de heer [eigenaar] na onze woordenwisseling nog gevraagd wat er nu verder ging gebeuren. De reden dat ik dat vroeg was omdat de heer [eigenaar] mij drie keer de deur had gewezen en ik niet wist waar ik precies aan toe was”. Dat is een incorrecte weergave van wat ik gezegd heb, ik heb alleen de woorden willen herhalen van datgeen [eigenaar] zegt dat hij tegen mij gezegd had. (…) Ik had van de kok [kok] begrepen dat het restaurant dicht zou gaan maar [eigenaar] heeft mij dat niet gezegd. Waarom de kok dacht dat het restaurant dicht zou gaan heb ik niet begrepen. Ik heb niet direct weer mijn arbeid aangeboden omdat ik nog van [eigenaar] zou horen en ook omdat ik m’n salaris nog niet gehad had, hoewel ik daar duidelijk naar gevraagd had. Ik dacht laat ze eerst maar betalen, dan zien we wel weer.” 2.8 Samengevat komt het erop neer dat [verzoeker] als getuige heeft verklaard dat [eigenaar] (slechts) één keer heeft gezegd “daar is het gat van de deur”. Verder heeft hij als getuige verklaard dat hij, voor hij het restaurant verliet, [eigenaar] heeft gevraagd hoe het nu verder ging. [eigenaar] zou toen gezegd hebben: “u hoort nog van mij”. Hij heeft tijdens het getuigenverhoor betwist dat [eigenaar] tot drie keer toe tegen hem gezegd zou hebben dat hij de zaak moest verlaten. Daar staat tegenover dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 juni 2020 vermeldt dat [verzoeker] het volgende heeft gezegd: “Ik heb dhr. [eigenaar] na onze woordenwisseling nog gevraagd wat er nu verder ging gebeuren. De reden dat ik dat vroeg was omdat dhr. [eigenaar] mij drie keer de deur had gewezen en ik niet wist waar ik precies aan toe was. [eigenaar] zei toen dat ik nog van hem zou horen.” [verzoeker] heeft als getuige over deze passage in het proces-verbaal het volgende gezegd: “Dat is een incorrecte weergave van wat ik gezegd heb, ik heb alleen de woorden willen herhalen van datgeen [eigenaar] zegt dat hij tegen mij gezegd had.” Het hof acht deze toelichting weinig overtuigend. Mede gelet op de verklaring van de kok, acht het hof het onwaarschijnlijk dat [eigenaar] op 2 februari 2019 enkel éénmaal tegen [verzoeker] heeft gezegd “daar is het gat van de deur”. Het hof ziet ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling. 2.9 Het komt erop neer dat [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat het voor hem niet duidelijk was wat [eigenaar] op 2 februari 2019 precies van hem verlangde en dat hij dacht dat hij slechts op non-actief was gesteld. Het hof acht dit standpunt weinig geloofwaardig omdat zijn handelwijze na 2 februari 2019 daarmee niet strookt. Zoals in de tussenbeschikking al is overwogen, heeft [verzoeker] in zijn aangetekende brief van 8 februari 2019 uitsluitend verzocht om betaling van zijn salaris over de maand januari 2019, terwijl elke referentie aan het voorval van 2 februari 2019 en het hervatten van zijn werkzaamheden ontbreekt. [verzoeker] voert aan dat het niet zo vreemd is dat hij eerst betaling van het achterstallige salaris wilde voordat hij het werk weer zou hervatten, maar het hof acht die toelichting niet overtuigend. Het had in dat geval voor de hand gelegen dat [verzoeker] dit met zoveel woorden had vermeld in de brief van 8 februari 2019, te meer omdat [verzoeker] moet hebben begrepen dat het restaurant moest sluiten zolang hij daar niet werkte, omdat hij de enige was met een diploma sociale hygiëne. Ook overigens is niet komen vast te staan dat [verzoeker] concrete pogingen heeft gedaan om het werk te hervatten of om [eigenaar] te vragen wanneer hij zijn werk weer kon of mocht hervatten. Dit een en ander bevestigt het oordeel dat [verzoeker] moet hebben begrepen dat hij op 2 februari 2019 op staande voet was ontslagen. 2.10 De conclusie is dat [verzoeker] er niet in is geslaagd om het bewijs te ontzenuwen dat [eigenaar] hem op 2 februari 2019 op staande voet heeft ontslagen. Dat [eigenaar] niet uitdrukkelijk tegen [verzoeker] heeft gezegd dat hij op staande voet was ontslagen leidt niet tot een andere beslissing. Het hof is van oordeel dat Rumi geslaagd is in het bewijs dat [verzoeker] op 2 februari 2019 heeft begrepen dat [eigenaar] hem per direct ontsloeg. Dit betekent dat de kantonrechter [verzoeker] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in de door hem ingestelde verzoeken A, D en E omdat deze niet binnen de termijn van art. 7:686a lid 4 BW zijn ingediend. Grief 1 heeft dus geen succes. Welk uurloon zijn partijen overeengekomen? 2.11 De kantonrechter heeft de vordering van [verzoeker] tot terugbetaling van het achterstallig salaris over de periode 1 januari 2019 tot en met 2 februari 2019 toegewezen op basis van een 40-urige werkweek tegen een uurloon van € 11,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.