GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-21/00160 tot en met BK-21/00165 Uitspraak van 11 november 2021 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: F.J.H.M. Berndsen) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 februari 2021, nummers SGR 18/7861 tot en met SGR 18/7864, SGR 19/6018 en SGR 19/6019. Procesverloop BK-21/00160
(2016). Vergrijpboetes 5.22. In artikel 67e, lid 1, AWR is bepaald dat indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, dit een vergrijp vormt ter zake waarvan de Inspecteur een boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete (te weten: het bedrag van de navordering). Ingevolge paragraaf 25, lid 3, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst kan de Inspecteur, indien sprake is van opzet, een vergrijpboete opleggen van 50%. Van deze mogelijkheid heeft de Inspecteur voor de jaren 2012 tot en met 2016 gebruikgemaakt. 5.23. Gelet op hetgeen in 5.5 tot en met 5.17 is overwogen, is aannemelijk dat belanghebbende aanzienlijke inkomsten heeft genoten en dat hij, door deze inkomsten niet in zijn aangiften voor de jaren 2012 tot en met 2016 op te nemen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat van hem in die jaren te weinig belasting zou worden geheven. 5.24. Het hiervoor overwogene neemt niet weg dat bij de beoordeling of een boete in de omstandigheden van het geval telkens passend en geboden is, acht dient te worden geslagen op de proportionaliteit van die boete in verband met de ernst van het gepleegde feit. Het Hof ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding de boetes te matigen, in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de verschuldigde belasting is komen vast te staan aan de hand van een schatting, en mede gezien het feit dat in het eerder tussen partijen tot stand gekomen compromis (zie 5.2) de boetes zijn betrokken in het totaalbedrag dat belanghebbende verschuldigd was. Gelet op het voorgaande acht het Hof een boete van € 10.000 voor elk van de jaren 2012 tot en met 2016, dus in totaal € 50.000, passend en geboden. Slotsom 5.25. Het hoger beroep is gegrond. Proceskosten 6.1. Het Hof ziet aanleiding om bij de onderhavige uitspraak een richtsnoer op te nemen dat het Hof vanaf heden, evenals de andere gerechtshoven, hanteert voor beslissingen over de (proces)kostenvergoeding. Het richtsnoer is omwille van leesbaarheid als bijlage bij deze uitspraak gevoegd en maakt daarvan onderdeel uit. 6.2. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers zijn de zaken BK-21/00160 tot en met BK-21/00165 met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb). Het Hof stelt de proceskosten in hoger beroep, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 2.805 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting in hoger beroep, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting in hoger beroep, met een waarde per punt van € 748, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1 en een factor van 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht; vernietigt de uitspraken op bezwaar; vermindert de aanslag 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 541.946; vermindert de aanslag 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 487.894; vermindert de aanslag 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 459.521; vermindert de in rekening gebrachte belastingrente overeenkomstig; vermindert de vergrijpboeten voor elk van de jaren 2012 tot en met 2016 tot € 10.000; en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.805. Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier N. Veenstra. De beslissing is op 11 november 2021 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Het hof hanteert vanaf heden, evenals de andere gerechtshoven, het onderstaande richtsnoer voor beslissingen over de (proces)kostenvergoeding. Algemene uitgangspunten De vergoeding van (proces)kosten wordt toegekend op basis van het op het moment van de uitspraak geldende tarief. De vergoeding van (proces)kosten wordt per fase (bezwaar, beroep en hoger beroep) apart berekend; zowel het toe te kennen aantal punten voor de proceshandelingen als de zwaarte van de zaak kunnen per fase verschillend zijn. De zwaarte van de zaak geldt voor de gehele fase. Binnen één fase wordt dus niet gedifferentieerd, omdat een dergelijke differentiatie in de zwaarte van de zaak zich niet verdraagt met de door de besluitgever beoogde eenvoud. Er wordt dus in dezelfde fase geen verschillende wegingsfactor gehanteerd voor, bijvoorbeeld, het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. Indien daar in hoger beroep over wordt geklaagd, toetst het hof de in eerdere fasen toegekende vergoeding van (proces)kosten volledig en niet marginaal. Deze toets betreft ook de beoordeling van de zwaarte van de zaak. Daarbij geldt dat de vaststelling van de factor zaakzwaarte sterk met waarderingen van feitelijke aard is verweven. 1Kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand 1.1. Proceshandelingen 1.1.1. Hoorzitting bezwaarfase Vooropgesteld zij dat ingevolge artikel 7:15, lid 2 en lid 3, Awb (
- a)de belanghebbende moet hebben verzocht om een vergoeding, (
- b)het verzoek moet zijn gedaan vóórdat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist en (
- c)dat de kosten uitsluitend worden vergoed voor zover het besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Voor het verschijnen op de hoorzitting in de bezwaarfase wordt een punt toegekend, ook als daar uitsluitend nog wordt gesproken over de kostenvergoeding voor de bezwaarfase. 1.1.2. Conclusie van repliek Artikel 8:43 Awb brengt mee dat de rechter kan besluiten de indiener van een beroepschrift in de gelegenheid te stellen schriftelijk te repliceren. De rechter is niet verplicht een door een partij op eigen initiatief ingediend stuk aan te merken als een conclusie van repliek, ook niet als daarop staat vermeld ‘conclusie van repliek’. Een na het verweerschrift ingediend stuk zal als conclusie van repliek worden aangemerkt, indien de indiener desgevraagd of ambtshalve in de gelegenheid is gesteld tot het indienen van een conclusie van repliek. In dat geval zal bij het toekennen van een proceskostenvergoeding een half punt voor dit stuk worden toegekend. 1.2. Wegingsfactoren Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid. De uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De beoordeling van het gewicht van de zaak is in beginsel niet afhankelijk van de mate waarin grieven gegrond worden bevonden. Dit laat overigens onverlet dat inhoudelijke merites van grieven relevant kunnen zijn bij de beoordeling van het gewicht van een zaak. Indien een geschil in essentie om een kwestie van ondergeschikt belang gaat, maar daarnaast kennelijk ongegronde grieven worden aangevoerd, kan een lagere wegingsfactor aangewezen zijn, zo nodig op de grondslag van artikel 2, lid 2, Bpb. 1.2.1. Gewicht gemiddeld (wegingsfactor 1) Als gewicht van de zaak wordt als uitgangspunt wegingsfactor 1 gehanteerd. Dit geldt ook voor geschillen over de waardering van onroerende zaken in het kader van de Wet waardering onroerende zaken, zelfs als het financiële belang van de zaak gering is. Een lagere factor dan 1 wordt gehanteerd als het geschil uitsluitend gaat over een of meer van de hierna in 1.2.2 en 1.2.3 vermelde geschilpunten. Hierbij wordt opgemerkt dat een hogere dan de daar vermelde factor aangewezen kan zijn, afhankelijk van de aard en complexiteit van de door de rechtsbijstandverlener verrichte werkzaamheden. Ook in andere zaken dan daar vermeld, kan een lagere factor worden gehanteerd als het gewicht van de zaak daartoe aanleiding geeft. 1.2.2. Gewicht zeer licht (wegingsfactor 0,25) In de volgende gevallen kan als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak in beginsel 0,25 worden aangehouden: a.
- a)Bij evidente tel- en rekenfouten en daarmee gelijk te stellen misslagen. Te denken valt aan evidente tel- en rekenfouten in de heffingsgrondslag of in de berekening van de (proces)kostenvergoeding (bijvoorbeeld toepassing van een onjuist tarief per punt, het abusievelijk niet meetellen van een toegekende vergoeding van een deskundigenrapport of het ten onrechte niet vermeerderen van de vergoeding voor een deskundigenrapport met BTW).
- b)Indien het hoger beroep enkel slaagt omdat de belanghebbende recht heeft op vergoeding van wettelijke rente over de door de rechtbank toegekende vergoeding wegens immateriële schade, proceskosten en/of griffierecht en/of een dwangsom. 1.2.3. Gewicht licht (wegingsfactor 0,5) In de volgende gevallen kan als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak in beginsel 0,5 worden aangehouden. a.
- a)Indien het geschil beperkt is tot het antwoord op de vraag of de hoorplicht is geschonden en de zaak op die grond voor een nieuwe behandeling in bezwaar wordt teruggewezen naar het bestuursorgaan.
- b)Indien het geschil beperkt is tot het antwoord op de vraag of het verzoek om een dwangsom moet worden toegewezen.
- c)Indien het geschil beperkt is tot de hoogte van de in een eerdere fase toegekende vergoeding voor de (proces)kosten (behoudens gevallen als bedoeld onder 1.2.2, letter a, hiervóór).
- d)Parkeerbelastingzaken.
- e)Zaken waarbij de inzet van het geschil een zeer gering financieel belang betreft. Hierbij wordt aangeknoopt bij een bedrag van € 15. Te denken valt aan zaken over leges voor verstrekte kopieën. Zoals hiervoor is overwogen, vallen waarderingsgeschillen ingevolge de Wet WOZ hier niet onder, ook al kan het daarmee gemoeide financiële belang gering zijn.
- f)Indien het (hoger) beroep uitsluitend slaagt omdat het bezwaar of het beroep evident ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Te denken valt aan een geval waarin het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding, maar tijdens de beroeps- respectievelijk hogerberoepsfase blijkt van een wel tijdig ingediend bezwaar- respectievelijk beroepschrift dat eerder over het hoofd is gezien of is zoekgeraakt.
- g)Bij kwesties die voor de rechtsbijstandsverlener slechts eenvoudige en beperkte werkzaamheden van beperkte duur meebrengen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gevallen waarin het (hoger) beroep een gebruikersheffing betreft en de aanslag wordt vernietigd omdat de belanghebbende niet de gebruiker is.
- h)Indien het (hoger) beroep uitsluitend gaat over het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. i.
- i)Indien uitsluitend recht op een proceskostenvergoeding bestaat wegens een aan de belanghebbende toe te kennen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 1.2.4. Gewicht zwaar (wegingsfactor 1,5) In de volgende gevallen kan als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak in beginsel 1,5 worden aangehouden: a.
- a)Bij zaken die zich duidelijk onderscheiden qua belang en complexiteit en aard van de door de rechtsbijstandsverlener verrichte werkzaamheden.
- b)Indien meerdere WOZ-beschikkingen in één biljet zijn opgenomen en de aan die waarderingen ten grondslag liggende feiten en omstandigheden zodanig verschillen dat ze een afzonderlijke behandeling vergen en daarmee de werkzaamheden van de gemachtigde meer dan gemiddeld complex maken. 1.2.5. Gewicht zeer zwaar (wegingsfactor 2) In uitzonderlijke gevallen kan als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 2 worden aangehouden. Te denken valt aan in één biljet verenigde beschikkingen, waarbij zeer grote aantallen onroerende zaken een afzonderlijke behandeling vergen en de daarmee verband houdende werkzaamheden van de gemachtigde buitengewoon complex zijn. Vanzelfsprekend kan ook buiten de context van WOZ-geschillen het gewicht van een zaak zodanig zijn dat wegingsfactor 2 wordt gehanteerd. 1.2.6. Samenhangende zaken Bij 4 of meer samenhangende zaken geldt een factor, wegens samenhang, van 1,5. Of de werkzaamheden van een gemachtigde nagenoeg identiek kunnen zijn, wordt beoordeeld aan de hand van de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden en niet aan de hand van de vraag of de werkzaamheden nagenoeg identiek hadden kunnen zijn. 2Kosten van een deskundige Indien een deskundige een rapport aan een belanghebbende heeft uitgebracht dat het standpunt van die belanghebbende over een geschilpunt in een procedure voor de bestuursrechter ondersteunt, mag aan toekenning van een vergoeding voor de kosten van dat rapport niet de eis worden gesteld dat het een bijdrage heeft geleverd aan de beslissing van de rechter over dat geschilpunt. Indien het bezwaar, beroep of hoger beroep echter uitsluitend slaagt op een grond die losstaat van het geschilpunt omtrent de waarde van een goed waarover de deskundige heeft gerapporteerd, is er geen grond voor vergoeding van de kosten van de werkzaamheden van de deskundige (vgl. artikel 2, lid 2, Bpb). Voor een deskundigenrapport in WOZ-zaken gelden de uitgangspunten voor de vergoeding volgens de Richtlijn per 1 juli 2018 (Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Raad voor de Rechtspraak, Staatscourant 2018, 28796). In die Richtlijn is tevens vermeld dat de aanwezigheid van de taxateur ter zitting of bij het hoorgesprek wordt vergoed volgens dezelfde tarieven als die voor de taxatiewerkzaamheden. Daarbij geldt dat indien uitsluitend de taxateur namens de belanghebbende op het hoorgesprek of ter zitting verschijnt, moet worden aangenomen dat deze dan als rechtsbijstandsverlener optreedt, in welk geval, wegens dat verschijnen, enkel een vergoeding wordt toegekend wegens het verlenen van beroepsmatige rechtsbijstand als gemachtigde, indien het verlenen van rechtsbijstand tot zijn beroepsmatige taak behoort. Voor een taxatiekaart in aanvulling op een eerder taxatierapport wordt geen afzonderlijke vergoeding toegekend. Of een ingebracht (taxatie)rapport als een deskundigenrapport kan worden aangemerkt, is niet aan de hand van algemene richtsnoeren te beoordelen. Als ondergrens heeft te gelden dat het is opgesteld door een terzake deskundige, dan wel onder diens verantwoordelijkheid, waarvan uit de medeondertekening van het rapport moet blijken. Er wordt niet de eis gesteld dat sprake moet zijn van een geregistreerd taxateur. Eisen aan vormgeving en omvang van het rapport zijn echter niet te stellen. 3Verletkosten Indien de gevraagde vergoeding voor verletkosten door de wederpartij niet wordt betwist, dient deze te worden toegekend, met inachtneming van het maximum uurtarief (in 2021: € 88) als bedoeld artikel 2, lid 1, aanhef en letter d, Bpb. 4Bijzondere omstandigheden Op grond van artikel 2, lid 3, Bpb, kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de forfaitaire bedragen van het Bpb. De uitzondering wegens bijzondere omstandigheden wordt terughoudend toegepast. Artikel 2, lid 3, Bpb leent zich daarom niet voor het geven van richtsnoeren. Vgl. gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315, en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10307. Zie Toelichting onder ‘Artikel VI (overgangsrecht indexering bestuursrecht)’ bij de Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 november 2020, nr. 3094038, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, Staatscourant 2020, nr. 62581 en de Nota van Toelichting onder ‘5. Overgangsrecht’ bij het Besluit van 8 december 2020 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verhoging van het tarief voor de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822. Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293. Hoge Raad 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3370. Hoge Raad 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3226. Hoge Raad 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:866. Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293. Vgl. Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:293. Vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660. Vgl. Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822. Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:420. Hoge Raad 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770. Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:420. Vgl. Hoge Raad 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2082, en Hoge Raad 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2083. Hoge Raad 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415.