GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.256.755/01 Zaaknummer rechtbank : 6635188 CV EXPL 18-531 arrest van 30 maart 2021 (bij vervroeging) inzake [appellant] , wonende te [woonplaats 1], gemeente [gemeente], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. F. Folkers te Gorinchem, tegen [geïntimeerde], handelend onder de naam Sungo zonwering & montage, wonende te [woonplaats 2], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. R. van Veen te Utrecht. 1Verloop van het geding Voor het verloop van het geding wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent is overwogen in het arrest van dit hof in deze zaak van 3 november 2020 (hierna: het tussenarrest). Op 8 december 2020 heeft [appellant] een akte uitlaten, met producties, genomen (hierna: de akte). Daarop heeft [geïntimeerde] gereageerd in zijn op 5 januari 2021 genomen akte uitlaten, met producties (hierna: de antwoord-akte). Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. 2Feiten en de vordering van [geïntimeerde] Voor de feiten en de vordering van [geïntimeerde] wordt verwezen naar de uiteenzetting daarvan in het tussenarrest. 3Beoordeling 3.1 Het hof stelt voorop dat op [geïntimeerde] de bewijslast rust van zijn stelling dat [appellant] geld van hem heeft ontvreemd en uit hoofde van onrechtmatige daad verplicht is tot terugbetaling van een bedrag van € 9.750,-. Anders dan waar [geïntimeerde] vanuit gaat, komt naar het oordeel van het hof aan de ‘terugbetalingsregeling’ (zie r.o. 2.3 van het tussenarrest) geen dwingende bewijskracht toe. Het betreft immers een onderhandse akte waarin verbintenissen van slechts één partij (namelijk van [appellant]) zijn vastgelegd die strekken tot voldoening van een geldsom. Vaststaat dat de terugbetalingsregeling niet door [appellant] is geschreven, maar door [naam], een kennis van [geïntimeerde]. Ook is deze niet voorzien van een goedschrift, een goedkeuring door [appellant] die de geldsom voluit in letters vermeldt. Op grond van artikel 158 lid 1 Rv is artikel 157 lid 2 Rv, dat (kort gezegd) aan onderhandse aktes dwingende bewijskracht toekent, dan niet van toepassing. 3.2 Naar het oordeel van het hof is hetgeen [geïntimeerde] als bewijs heeft aangedragen voor de door hem gestelde diefstal ontoereikend, gelet op het navolgende. 3.3 [appellant] betwist dat hij geld uit het geldkistje van [geïntimeerde] heeft weggenomen. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn in de terugbetalingsregeling opgenomen verklaring onder bedreiging en misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Daartoe voert hij het volgende aan. Hij is in het verleden behandeld voor een angststoornis en nog altijd snel angstig. De bijeenkomst op 2 november 2016, waarmee hij werd overvallen omdat [geïntimeerde] een eetafspraak met hem had gemaakt, heeft hij ervaren als een zeer bedreigende situatie. Hij werd vastgehouden in de woning van [geïntimeerde], doordat de deuren van de keuken, waar hij naar toe was gebracht, op slot waren gedaan. Hij mocht niet bellen met zijn moeder. Hij voelde zich bedreigd door de aanwezigen. Er werd onder meer gezegd dat ze zijn werkgever zouden inlichten over de diefstal en dat hij niet weg zou mogen als hij de opgestelde verklaring niet zou tekenen. Omdat het niet de waarheid was en hij niet kon instemmen met wat er in de terugbetalingsregeling stond heeft hij niet zijn handtekening eronder gezet, maar een niet op zijn handtekening lijkende paraaf, aldus nog steeds [appellant]. 3.4 Het relaas van [appellant] vindt steun in de stukken. Op de dag dat [appellant] volgens de betalingsregeling zou langskomen (4 november 2016) heef de moeder van [appellant] een sms naar [geïntimeerde] gestuurd, waarin zij aangeeft dat de bekentenis van [appellant] onder invloed van bedreigingen en intimidatie tot stand is gekomen, onder meer door [appellant] in de keuken op te sluiten. [geïntimeerde] heeft niet bestreden dat hij deze sms heeft ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat hij daarop heeft geantwoord, bijvoorbeeld door de daarin gemaakte verwijten tegen te spreken. 3.5 In het voorafgaand aan de procedure op verzoek van [geïntimeerde] gehouden voorlopig getuigenverhoor zijn de vader, moeder en broer van [geïntimeerde] gehoord, alsmede [naam], een kennis van [geïntimeerde]. Zijn vader heeft verklaard dat de deur naar de bijkeuken / buitendeur op slot was gedraaid en dat hij aan [appellant] heeft medegedeeld dat hij zijn baas zou kunnen inlichten. Dat [appellant] de terugbetalingsregeling niet met zijn handtekening heeft ondertekend is door [geïntimeerde] niet bestreden. 3.6 In aanmerking genomen dat [geïntimeerde] tijdens de bijeenkomst op 2 november 2016 vergezeld was van drie andere volwassen mannen, die allemaal een nauwe relatie hadden met [geïntimeerde] en aanzienlijk ouder waren dan [appellant] – die toen 18 jaar oud was, terwijl [geïntimeerde] tegen de 30 was, zijn broer en [naam] rond de 40 jaar en zijn vader ongeveer 65 jaar oud – terwijl ze zich in een kleine, afgesloten ruimte bij [geïntimeerde] thuis bevonden en er intimiderende opmerkingen werden gemaakt, zoals dat zijn werkgever op de hoogte gesteld kon worden, acht het hof aannemelijk dat dit voor [appellant] een beangstigende situatie was. De verklaringen van de vriendin en moeder van [appellant] over de gemoedstoestand van [appellant], waar hij direct na de bijeenkomst op 2 november 2016 naar toe gegaan is, ondersteunen dat. 3.7 Gelet daarop en op het feit dat de getuigenverklaringen uitsluitend zien op het tot stand komen van de terugbetalingsregeling en geen van de getuigen iets heeft kunnen verklaren over de door [geïntimeerde] gestelde diefstal door [appellant] dan wel over de op verschillende momenten in het geldkistje aanwezige bedragen, is het hof van oordeel dat de terugbetalingsregeling en de getuigenverklaringen op zichzelf onvoldoende zijn voor het door [geïntimeerde] te leveren bewijs, en al helemaal niet voor het volledige bedrag van € 9.750,-. 3.8 Daar komt bij dat er geen bewijs is geleverd en evenmin is aangeboden dat het door [geïntimeerde] gestelde bedrag daadwerkelijk in zijn geldkistje aanwezig was op de momenten dat [appellant] gelegenheid zou hebben gehad daaruit geld weg te nemen. Het door [geïntimeerde] bijgehouden kasboek en de verklaring van zijn accountant over de juistheid daarvan, is daarvoor onvoldoende. Dat is hooguit een indicatie van het bedrag dat in het geldkistje aanwezig had moeten zijn, maar is geen bewijs dat het er daadwerkelijk in zat. Daarbij merkt het hof op dat blijkens het kasboek [geïntimeerde] geld voor privédoeleinden aan zijn kas onttrok, zonder dat enige daarop betrekking hebbende documenten of administratie (zoals facturen of de bestemming ervan) zijn overgelegd. Zekerheid dat [geïntimeerde] alle privé-onttrekkingen nauwkeurig heeft bijgehouden is er niet. In dat verband merkt het hof verder op dat [geïntimeerde] ervoor heeft gekozen niet zichzelf als te horen getuige voor te dragen in het door hem verzochte voorlopig getuigenverhoor, terwijl hij bij uitstek daarover had kunnen verklaren. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] geen nader bewijs aangeboden. 3.9 Verder is weliswaar onbestreden dat [appellant] eind 2016 op de kamer van [geïntimeerde] is geweest op momenten dat [geïntimeerde] er zelf niet was, maar hij heeft daarvoor ook een verklaring gegeven, namelijk dat hij een kaartje heeft neergelegd (op 20 augustus en 16 oktober) of een zakje snoep (de dinsdag voor 16 oktober). [geïntimeerde] heeft niet bestreden dat [appellant] die dingen ook inderdaad heeft achtergelaten. De enkele omstandigheid dat [appellant] de gelegenheid zou hebben gehad op die momenten geld uit het geldkistje weg te nemen (dat zich overigens wel in een andere kamer bevond) bewijst nog niet dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Naar [appellant] terecht heeft aangevoerd zijn er ook andere scenario’s denkbaar voor de gestelde verdwijning van geld uit het geldkistje. Niet uitgesloten kan bijvoorbeeld worden dat [geïntimeerde] contant betaald geld is kwijtgeraakt, dat hij een door hem contant gedane betaling niet heeft geadministreerd of dat hij heeft verzuimd privé onttrekkingen in het kasboek te noteren. Daarnaast waren het kantoor van [geïntimeerde] en het geldkistje niet afgesloten, zodat ook anderen binnen de familie- of vriendenkring van [geïntimeerde] de gelegenheid kunnen hebben gehad geld uit het geldkistje weg te nemen. Dat de moeder van [geïntimeerde] verklaard heeft dat normaal gesproken niemand anders boven komt dan degenen die er wonen, maakt niet dat dit niet gebeurd kan zijn. 3.10 Het hof acht de door [geïntimeerde] gestelde gang van zaken bovendien niet geloofwaardig. Volgens de aangifte van diefstal die [geïntimeerde] bij de politie heeft gedaan, verdacht hij [appellant] al van diefstal van een biljet van € 500,- uit zijn portemonnee op 3 juli 2016 tijdens een avond stappen dan wel een logeerpartij bij [appellant] daarna. Hij zou toen volgens die aangifte ‘een naar gevoel richting [appellant]’ hebben gekregen en hem verzocht hebben niet meer langs te komen zonder zijn aanwezigheid. [geïntimeerde] wist dat [appellant] dat op 20 augustus 2016 niettemin had gedaan. Op 10 september 2016 was het [geïntimeerde] duidelijk geworden dat er na storting van het geld uit zijn geldkistje € 6.455,- minder op zijn bankrekening was gestort dan volgens zijn kasboek het geval had moeten zijn. Daarop is hij met vakantie gegaan met achterlating van een fors geldbedrag in het niet afgesloten geldkistje. Pas ten minste een week na zijn terugkomst heeft hij in zijn geldkistje gekeken en kreeg hij de indruk dat er meer geld in hoorde te zitten. Na controle met het kasoverzicht kwam hij tot de conclusie dat er een bedrag van € 3.250,- ontbrak, aldus nog steeds volgens de aangifte van [geïntimeerde]. 3.11 Gelet op deze door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken is niet goed voorstelbaar dat hij na de eerste verdenkingen van diefstal door [appellant] op 3 juli 2016, hem wel had verzocht niet meer langs te komen zonder zijn aanwezigheid (hoewel die vermoede diefstal niet in de woning van [geïntimeerde] had plaatsgevonden), maar geen – eenvoudig te treffen – maatregelen zou hebben genomen om diefstal te voorkomen, door bijvoorbeeld het geldkistje en/of zijn kantoor op slot te doen, dan wel het geldkistje en/of het geld elders te bewaren. Evenmin goed te begrijpen is waarom hij na het (gesteld ongewenste) bezoek van [appellant] op 20 augustus – zeker gezien zijn verdenkingen – niet meteen daarna de inhoud van zijn geldkistje heeft gecontroleerd. Ook had verwacht mogen worden dat [geïntimeerde] – na de eerdere verdenkingen begin juli, het ongewenste bezoek op 20 augustus, het na de storting in september ontbrekende geldbedrag en zijn aankomende langdurige afwezigheid wegens vakantie – zijn moeder voor vertrek zou hebben geïnstrueerd gedurende zijn vakantie [appellant] de toegang tot zijn kamer te ontzeggen. Verder is onder de gegeven omstandigheden merkwaardig dat [geïntimeerde] pas ten minste een week na terugkomst van vakantie de inhoud van zijn geldkistje heeft gecontroleerd, zeker gelet op het feit dat de moeder van [geïntimeerde] heeft verklaard geen lekker gevoel te hebben gehad na het tweede bezoek van [appellant] tijdens de vakantie van [geïntimeerde]. 3.12 De door [appellant] na het tussenarrest overgelegde afschriften van zijn bankrekening bij de ING Bank over de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 oktober 2016 leiden evenmin tot het door [geïntimeerde] te leveren bewijs. Uit die bankafschriften blijkt dat [appellant] een bedrag van € 350,- aan contant geld heeft gestort op 12 augustus 2016, een bedrag van € 750,- op 25 augustus 2016 en een bedrag van € 1.150,- op 12 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.