ECLI:NL:GHDHA:2021:2464
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.270.633/02 Zaaknummer rechtbank : C/09/562014 / HA ZA 18-1075 arrest van 14 december 2021 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal appel, geïnitmeerde in voorwaardelijk incidenteel appel, advocaat: mr. A. Ramsaroep te Wassenaar, tegen 1. [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal appel, advocaat: mr. S.A.P. van den Berg te Den Haag, 2. [geïntimeerde 2] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal appel, advocaat: mr. S.A.P. van den Berg te Den Haag, 3. [geïntimeerde 3] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal appel, appellante in voorwaardelijk incidenteel appel, advocaat: mr. J. van Berk te Den Haag, 4. [geïntimeerde 4] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal appel, advocaat: mr S.A.P. van den Berg te Den Haag, 5. [geïntimeerde 5] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal appel, advocaat: mr T.F.W. Bijloo te Den Haag, 6. [geïntimeerde 6] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal appel, niet verschenen.
Partijen zullen hierna afzonderlijk bij hun voornaam worden genoemd.
Het verloop van het geding in eerste aanleg en hoger beroep Bij exploot van 22 november 2019 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2019 (hierna: het bestreden vonnis). Dit vonnis is gewezen tussen [appellant] als eiser en als gedaagden de geïntimeerden en [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ), voor wie mr. Van den Berg eveneens als advocaat optrad.
Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven geformuleerd. [betrokkene] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] hebben bij memorie van antwoord de grieven bestreden. [geïntimeerde 3] heeft bij memorie van antwoord eveneens de grieven bestreden en tevens voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. [appellant] heeft een memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel ingediend.
Op verzoek van [appellant] is een mondelinge behandeling bepaald op 28 januari 2021.
Mr. van den Berg heeft een akte tot schorsing van de procedure ingediend, in verband met het overlijden van [betrokkene] op [datum 1] 2020. Bij exploot van 3 mei 2021 heeft [appellant] verklaard aan geïntimeerden dat het geding wordt hervat in de stand waarin het zich bevindt. Daarbij zijn [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tevens als erfgenaam in de nalatenschap van [betrokkene] opgeroepen, en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] als mede-executeur in de nalatenschap van [betrokkene] .
Op 29 juni 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld na de zitting hun procesdossier te fourneren. Vervolgens is arrest bepaald.
De feiten 1. De volgende feiten zijn in hoger beroep van belang.
Op [datum 2] 2001 is te [woonplaats] overleden de heer [erflater] (hierna: erflater). Erflater is gehuwd geweest met [betrokkene] , welk huwelijk door echtscheiding is ontbonden. [appellant] en de geïntimeerden zijn de kinderen uit dit huwelijk en de enige erfgenamen van erflater. De erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. In het navolgende wordt met erfgenaam steeds erfgenaam in de nalatenschap van erflater bedoeld (dus niet die van [betrokkene] ).
Ik bepaal dat voormeld vruchtgebruik eindigt bij overlijden van mijn ex-echtgenote mevrouw [betrokkene] , voornoemd, haar hertrouwen of indien zij anders dan voor eigen rekening wordt opgenomen in een bejaarden- of verzorgingstehuis. In het laatste geval eindigt het vruchtgebruik één dag voor zij aanspraak kan maken op betalingen krachtens de bijstandswet of de Wet bejaardenoorden”.
Dit vruchtgebruik is nooit bij notariële akte gevestigd.
De advocaat van [appellant] heeft deze volmacht bij brief van 24 augustus 2018 namens hem ingetrokken.
Ter zitting van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2011 is tussen de erfgenamen [naam] en [geïntimeerde 5] een vaststellingovereenkomst tot stand gekomen, die onder meer betrekking heeft op dit pand. Zij zijn daarin overeengekomen dat het pand zal worden verkocht. In de overeenkomst is opgenomen: “De opbrengst van de onroerende zaak [adres] (...) zal worden gestort op een depotrekening bij de transporterende notaris, (...) totdat duidelijk is hoe de erfenis tussen de erfgenamen dient te worden afgewikkeld (eventueel dient hierbij te worden betrokken de positie van [betrokkene] , voorzover juridisch relevant).”
De vordering in hoger beroep 7. [appellant] vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt voor zover zijn vorderingen zijn afgewezen en vorderingen van geïntimeerden zijn toegewezen, en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
In voorwaardelijk incidenteel appel verzoekt zij, voor het geval het hof oordeelt dat het vruchtgebruik van [betrokkene] op de nalatenschap van erflater is geëindigd, voor recht te verklaren dat [appellant] zijn recht op de huurpenningen van het pand over de periode februari 2016 tot en met augustus 2017 heeft verbeurd, dit ten gunste van de gemeenschap en [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 65.800,- aan de gemeenschap van de nalatenschap van erflater.
Met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in zowel principaal appel als in voorwaardelijk incidenteel appel, aan de zijde van [geïntimeerde 3] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Recht van vruchtgebruik?
Na de overeenkomst van 2011 is [geïntimeerde 5] op 8 februari 2014 een huurovereenkomst met betrekking tot het pand aangegaan. De andere erfgenamen hebben zich vervolgens beroepen op de overeenkomst van februari 2011, waarin is afgesproken dat [geïntimeerde 5] niet gerechtigd is om een huurovereenkomst te sluiten. Uit deze gang van zaken blijkt dat de erfgenamen niet zijn uitgegaan van een vruchtgebruik van [betrokkene] op het pand, maar dat het alleen de erfgenamen waren die onderling twistten omtrent het gebruik, de verhuur en de verkoop van het pand.
De huurovereenkomst die [appellant] op 20 oktober 2015 namens [betrokkene] heeft gesloten met [huurder] , heeft kunnen plaatsvinden op grond van de boedelvolmacht waarover [betrokkene] toen beschikte. Door de intrekking van die boedelvolmacht was [betrokkene] niet (meer) gemachtigd de huurpenningen te innen, althans niet namens [appellant] . [appellant] concludeert dat [betrokkene] geen vruchtgebruik heeft gehad op het pand en zij dus ook niet gerechtigd was tot de huuropbrengsten. Door de intrekking van de boedelvolmacht kon zij ook niet meer op grond daarvan de huuropbrengsten in ontvangst nemen. Zij moet de door haar ontvangen opbrengsten afdragen aan de gezamenlijke erfgenamen.
De nalatenschap van erflater is, nu hij op [datum 2] 2001 is overleden, vóór 1 januari 2003 opengevallen. Op de vraag met ingang van welke datum [betrokkene] aanspraak kan maken op de vruchten van het legaat is art. 4:1006 lid 2 BW (oud) van toepassing: hij (de gelegateerde, hof) heeft regt op de vruchten of rente, van den dag af van het overlijden van den erflater, indien de eisch tot afgifte binnen het jaar is gedaan, of indien die afgifte binnen hetzelfde tijdvak vrijwillig heeft plaats gehad. Indien die eisch later geschiedt, heeft hij slechts regt op de vruchten en de rente, te rekenen van den dag dat de eisch gedaan is.
In art. 4:124 BW – dat mede van toepassing is op een nalatenschap die vóór 1 januari 2003 is opengevallen, voor zover het vruchten betreft die na dat tijdstip zijn geïnd (zie art. 130 lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek) – wordt onder meer expliciet bepaald dat, tenzij de erflater anders heeft beschikt, een legataris aan wie het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap is vermaakt, recht heeft op uitkering van de vruchten van het hem vermaakte die de erfgenamen hebben geïnd nadat zijn vordering opeisbaar is geworden. De vordering van de legataris is opeisbaar op het tijdstip van het overlijden van de erflater, tenzij de erflater anders heeft bepaald (zie art. 6:38 BW en Asser/Perrick 4 2021/573).
Ook de stelling van [appellant] dat hij namens [betrokkene] de huurovereenkomst met [huurder] heeft kunnen sluiten omdat [betrokkene] bevoegdheden uit de boedelvolmacht toekwamen en niet uit het vruchtgebruik is naar het oordeel van het hof onnavolgbaar. In deze situatie zou de huur immers aan de erfgenamen toekomen en niet aan [betrokkene] , terwijl in de huurovereenkomst juist is opgenomen dat de huur aan [betrokkene] als verhuurder toekwam. [appellant] heeft dit nadien eigenmachtig gewijzigd. De eerste grief faalt.
Gevolg van opname in het verpleeghuis 16. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het vruchtgebruik van [betrokkene] niet is geëindigd door haar opname in het verpleeghuis per 1 april 2015. [appellant] wijst ter onderbouwing naar informatie op de website van het verpleeghuis […] , waaruit blijkt dat het bij dit verpleeghuis niet gaat om tijdelijke opnames maar in principe om opnames met een definitief karakter. Een verpleeghuis is een species van het genus verzorgingshuis; een verzorgingshuis is als woonruimte bedoeld voor personen die vanwege ouderdom dan wel hun ziekte niet voor zichzelf kunnen zorgen. [betrokkene] was inmiddels vijf jaar in het verpleeghuis opgenomen en er kan van uitgegaan worden dat zij niet meer zou terugkeren naar haar huurwoning. Ook al had zij inmiddels de financiële middelen om aanpassingen in de woning aan te brengen ontvangen, er is geen enkele indicatie dat die aanpassingen zijn gedaan. Als [betrokkene] huuropbrengsten ontvangt, betekent dat dat zij een hogere eigen bijdrage moet betalen en dat zij zal interen op vermogen, aldus [appellant] .
Het hof overweegt ten overvloede nog dat niet vaststaat dat het verblijf van [betrokkene] in het verpleeghuis een definitief karakter heeft gekregen. Zowel van de kant van de notaris als van de huisarts is bevestigd dat de bedoeling was dat [betrokkene] , nadat aanpassingen in haar woning zouden zijn aangebracht, naar haar woning zou terugkeren. Doordat zij niet over de financiële middelen beschikte, die haar wel toekwamen, was zij niet in staat deze aanpassingen aan te laten brengen. Dat deze aanpassingen ook niet meer zijn aangebracht nadat [betrokkene] na het bestreden vonnis de huurinkomsten had ontvangen, doet hier niet aan af. Zoals geïntimeerden onder 1, 2 en 4 hebben aangevoerd heeft in deze periode nog een ziekenhuisopname van [betrokkene] plaats gevonden, en is [betrokkene] daarna in haar mogelijkheden beperkt door de verspreiding van het coronavirus.
Ook de tweede grief faalt.
Verdeling van de nalatenschap 20. De vierde grief van [appellant] is gericht tegen de afwijzing van zijn vordering om de erfgenamen te veroordelen tot verdeling over te gaan van de nalatenschap van erflater, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon, op straffe van een dwangsom.
Mr. van den Berg heeft op zitting aangegeven dat wat de geïntimeerden onder 1, 2, en 4 betreft een notaris kan worden benoemd en het kantoor Caminada Notarissen te Rijswijk zich al in de zaak heeft verdiept. Van de kant van de andere partijen is tegen deze benoeming geen bezwaar naar voren gebracht. Het hof zal partijen overeenkomstig het verzoek bevelen over te gaan tot verdeling van de nalatenschap, maar acht het niet nodig daaraan een dwangsom te verbinden. Voor een mogelijke onwillige partij wordt een onzijdig persoon benoemd.
Het hof wijst in zoverre de vorderingen van [appellant] onder 1.e. en 1.f. toe.
Incidenteel appel 23. [geïntimeerde 3] heeft voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, voor het geval het hof oordeelt dat het vruchtgebruik is geëindigd. Het hof begrijpt dat haar incidentele grief ziet op de situatie dat het vruchtgebruik eerder dan door het overlijden van [betrokkene] zou zijn geëindigd. Dit is niet het geval, zodat het hof niet toekomt aan de beoordeling van het incidenteel appel.
Proceskosten 24. Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten in hoger beroep – zoals ook de kosten in eerste aanleg – worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Beslissing Het hof: vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij de vorderingen onder 1.a. 1.e. en 1.f. zijn afgewezen; verklaart voor recht dat het vruchtgebruik van [betrokkene] is geëindigd per [datum 1] 2020; beveelt partijen over te gaan tot verdeling van de nalatenschap van erflater ten overstaan van een notaris. Indien partijen niet binnen 14 dagen na betekening van dit arrest een ander kiezen, benoemt het hof mr. drs. A.M.C. van Steenderen, notaris te Rijswijk, of haar waarnemer of opvolger, voor wie de werkzaamheden van de verdeling zullen plaats hebben; wanneer een partij niet meewerkt aan de verdeling zal mr. A. van Eijck, advocaat te Den Haag, of haar plaatsvervanger als vertegenwoordiger van die partij optreden; bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, A.A.F. Donders en G.G.B. Boelens, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.