GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.269.105/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/553764 / HA ZA 18-607 Vindplaats vonnis : ECLI:NL:RBDHA:2019:8340 arrest van 19 oktober 2021 in de zaak van [de moeder] in haar hoedanigheid van curator van haar zoon [de zoon] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. S. van der Giesen te Gouda, tegen Stichting Rivierduinen, gevestigd te Leiden, hierna te noemen: Rivierduinen, geïntimeerde, advocaat: mr. F. Westenberg te Hoorn. 1Korte schets van de zaak In deze zaak gaat het om een aansprakelijkstelling van een GGZ-instelling door een curator, tevens de moeder, van een meerderjarige patiënt op grond van tekortschieten in de nakoming van verplichtingen uit de behandelovereenkomst dan wel onrechtmatig handelen (nalaten). De curator verwijt de instelling dat zij de moeder van de patiënt geen spoedonderbewindstelling heeft geadviseerd en niet voortvarend heeft gereageerd op hulpverzoeken van de moeder. 2Het geding in hoger beroep Bij exploot van 26 november 2019 is de curator in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank te Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 17 juli 2019. Bij memorie van grieven heeft zij zes grieven aangevoerd en gevorderd dat het hof haar vorderingen – een verklaring voor recht dat Rivierduinen jegens de [de zoon] is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst althans onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade alsmede een voorschot op de schadevergoeding – alsnog zal toewijzen. Bij memorie van antwoord heeft Rivierduinen de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de curator in de kosten van het hoger beroep. Daarop heeft [de moeder] een nadere memorie, met producties, genomen en heeft de Stichting een antwoordakte genomen, eveneens met producties. Vervolgens is arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald op het door de Stichting gefourneerde dossier. 3De feiten 3.1 De rechtbank heeft in het vonnis van 17 juli 2019 feiten vastgesteld. Daarnaast heeft [de moeder] onder grief 1 aanvullende feiten gesteld, die deels (gemotiveerd) zijn betwist. Voor zover tussen partijen niet in geschil en voor de beoordeling van belang, gaat het hof in hoger beroep uit van het volgende. 3.2 De [de zoon] , geboren in 1970, staat al circa twintig jaar onder behandeling en begeleiding wegens een schizofrene stoornis met paranoïde wanen. Vanuit zijn waandenkbeelden is de [de zoon] ervan overtuigd dat hij zeer rijk is en dat vrouwen hem vanuit het buitenland komen opzoeken. Hij is alleenstaand en woont zelfstandig in [woonplaats] . 3.3 De [de zoon] staat al lange tijd onder psychiatrische behandeling bij Rivierduinen. Hij is daar een aantal keer vrijwillig opgenomen geweest. Eerder is hij gedwongen opgenomen geweest. De laatste jaren is hij bij Rivierduinen behandeld door onder meer de heer [psychiater 1] (hierna: [psychiater 1] ), psychiater (tevens de zogenoemde regiebehandelaar). Maatschappelijk werkster van de [de zoon] was, vanaf maart 2015, mevrouw [maatschappelijk werkster] (hierna: [maatschappelijk werkster] ). Casemanager van de [de zoon] is mevrouw [de casemanager] (hierna: [de casemanager] ), psychiatrisch verpleegkundige. [maatschappelijk werkster] en [de casemanager] zijn in dienst van Rivierduinen. 3.4 Eind mei 2016 bleek dat de [de zoon] een bedrag van € 900,-- wilde overmaken naar een vrouw in Siberië met wie hij via internet (een datingsite) contact had. [de casemanager] heeft dit aan zijn moeder, [de moeder] (hierna: [de moeder] ), laten weten, waarna [de moeder] geld van de rekening van de [de zoon] – waar zij (mede) de beschikking over had – heeft doen afschrijven om te voorkomen dat de [de zoon] het geld naar deze vrouw kon overmaken. 3.5 Op 26 september 2016 heeft [de moeder] telefonisch contact opgenomen met [de casemanager] en [maatschappelijk werkster] omdat zij daags ervoor had ontdekt dat de [de zoon] circa € 8.000,-- had overgemaakt naar (een) buitenlandse vrouw(en), als gevolg waarvan hij rood stond bij de bank. Diezelfde dag heeft [de casemanager] samen met een collega een huisbezoek aan de [de zoon] gebracht. [de casemanager] heeft na dit bezoek telefonisch contact met [de moeder] opgenomen en aangegeven hoe het huisbezoek is verlopen. In het medisch dossier van de [de zoon] (pagina 77, prod. 1 bij conclusie van antwoord) is over dit telefonisch contact onder meer het volgende opgenomen: “Moeder vraagt of dhr niet opgenomen kan worden, aangegeven dat dit niet mogelijk is (dhr is (nog) geen gevaar voor zichzelf en/of anderen), daarnaast staat dhr contact toe, woning ziet er netjes uit etc.” 3.6 Op 27 september 2016 heeft [de moeder] een bezoek aan [maatschappelijk werkster] gebracht. 3.7 Op 3 oktober 2016 heeft [de moeder] bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Gouda) een verzoekschrift ingediend op grond waarvan zij bij beschikking van 15 november 2016 tot curator van de [de zoon] is benoemd. De kantonrechter heeft [de moeder] na binnenkomst van het verzoekschrift verzocht om een medische verklaring over te leggen. 3.8 Op 5 oktober 2016 heeft [de moeder] Rivierduinen laten weten dat de [de zoon] naar [plaats] is vertrokken. [de moeder] heeft Rivierduinen toen om medewerking gevraagd ten aanzien van de door de kantonrechter gevraagde medische verklaring. Een dag later is de [de zoon] teruggekeerd uit [plaats] , waarna [de casemanager] hem thuis heeft bezocht. [de casemanager] heeft [de moeder] telefonisch over dit bezoek geïnformeerd. Hierover is in het medisch dossier van De [de zoon] (pagina 74), voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “Moeder vraagt wat de GGZ nu voor stappen gaat ondernemen. Aangegeven dat we niet veel kunnen doen; dhr is geen gevaar voor zichzelf of anderen, ook is er (nog) geen maatschappelijke teloorgang. Moeder wil graag dat er actie wordt ondernomen, (…). Momenteel kan er geen medische verklaring worden gegeven aan moeder, dhr gaat niet akkoord met bewindvoering.” 3.9 [de moeder] heeft vervolgens diverse e-mails naar [maatschappelijk werkster] gestuurd, waarin zij haar zorgen met betrekking tot de [de zoon] heeft geuit. 3.10 Op vrijdag 7 oktober 2016 (1:07) stuurde [de moeder] de volgende e-mails (prod. 3 bij inleidende dagvaarding) aan [maatschappelijk werkster] : “(…) ik begrijp onderbewindstelling gaat met de GGZ niet lukken. daarom dit voorstel’ kan er iemand van de GGZ en dan het liefste jij! (…). Ik wil voorstellen die € 1000 in het rood staan aan te vullen, zodat dit weg is (…). dan moet hij met mij naar de ING. 1. Voor mij een machtiging afgeven. 2. zijn pas weer inleveren. 3. elke maand € 100,- sparen op spaarrekening (…) 4. dat rood staan ongedaan maken, zodat dit nooit meer aan de orde is (…) dit is wat ik jou wil voorstellen en dit samen aan [de zoon] voor te leggen? (…) ik ben morgen dagje uit met de Rotary club (…) maar ik hoor het wel? (…)” alsmede (17:39): “dag [maatschappelijk werkster] , misschien werkte jij vandaag niet, omdat ik geen respons krijg op mijn bericht? ik hoor het mandag wel? intussen zie ik nu op [de zoon] bankafschriften, dat hij om 11,56 uur vandaag € 51,60 heeft betaald bij de NS. dat hij om 15,29 uur € 12,80 betaalde gemeentehuis Heerlen. (…) dus hij ging naar de gemeente (stadhuis) ik wil jou alleen maar laten weten? Heerlen, waar hij is geboren?(…) vraag wat doet hij daar?(…)”. (…)”. 3.11 Op maandag 10 oktober 2016 heeft [maatschappelijk werkster] na overleg met case manager [de casemanager] aan [de moeder] laten weten dat vanuit Rivierduinen niet aan haar verzoeken met betrekking tot de bankrekening van [de zoon] kan worden voldaan. 3.12 Op dezelfde dag heeft [maatschappelijk werkster] aan (o.a.) [waarnemer psychiater] , waarnemer van [psychiater 1] en voormalig behandelaar van de [de zoon] , onder meer het volgende gemaild (prod. 3 bij inleidende dagvaarding): “Zojuist met [naam 1] overleg gehad over [de zoon] . Ik heb haar de situatie uitgelegd, en volgens haar pakken we het goed aan. De kernvraag is of wij [de zoon] nu ook onder bewind zouden zetten. Antwoord is eigenlijk nee. Hij heeft dan wel geld opgenomen van zijn rekening, maar dat kon, was niet onverantwoord. Niet handig, maar niet onverantwoord. Er is op dit moment geen sprake van maatschappelijke teloorgang, geen acuut gevaar dat hij bv zijn huis zal verliezen. Ingrid heeft dit met hem besproken, hij zegt zelf beslist niet onderbewind te willen. Weet ook dat hij nu zuinig moet zijn. Er was 1 onbetaalde rekening, die nog ruim binnen de termijn was, dus ook hier geen achterstanden. Haar advies is om moeder te adviseren om een onafhankelijke deskundige in de arm te nemen. Die kan dan weer advies bij ons inwinnen als het een arts is. Ik ben niet buiten mijn boekje gegaan door haar de formulieren te geven, zij kan die gewoon via internet downloaden. Ik heb ze alleen gegeven, niet ingevuld. [naam 1] is in elk geval op de hoogte.” 3.13 Op donderdag 13 oktober 2016 heeft [de casemanager] een bezoek gebracht aan [de zoon] . Hierover heeft zij [de moeder] per e-mail het volgende bericht. “(…) Ik ben eind van de morgen bij [de zoon] geweest, het ging redelijk met hem. Met dr. [psychiater 1] staat een afspraak ingepland voor een huisbezoek op 3 november. Echter omdat dit nog ver weg is, ga ik maandag met hem proberen het huisbezoek naar voren te halen. Ik zal maandag telefonisch contact met u opnemen. (…)” Daarop heeft [de moeder] [de casemanager] het geantwoord: “(…) dank voor je mail. er is wel een dringend probleem, n.l. ik schijn niet meer bij de rekening van [de zoon] te kunnen, dit is belangrijk, omdat hij per 21 oktober a.s. zijn uitkering krijgt. dan kan hij weer € 900,- gaan opnemen, nu staat hij € 1004,- in het rood. de bedoeling is, dat er voor die tijd een druk op hem gezet moet worden, om zijn pinpas terug te geven. (…)”. 3.10 Op 18 oktober 2016 heeft [de moeder] in een gesprek met de ING vernomen dat de [de zoon] op 12 oktober 2016 zijn woning heeft verkocht voor een bedrag van € 122.500,--. De woning was in 2008 aangekocht voor een bedrag van € 195.000,--. De [de zoon] had van de reeds van de koper ontvangen aanbetaling van € 22.500,-- een bedrag van € 19.500,-- overgemaakt naar een Nigeriaanse bankrekening. De omschrijving bij deze betaling was: “ [...] ”. 3.11 [de moeder] heeft op 18 oktober 2016 [de casemanager] en [maatschappelijk werkster] over de mededelingen van de ING geïnformeerd en om hulp gevraagd in de vorm van een – aan de ING te overleggen – medische verklaring van Rivierduinen waaruit blijkt dat de [de zoon] niet in staat is de gevolgen van zijn financiële transacties te overzien. 3.12 Op 20 oktober 2016 heeft [psychiater 1] , samen met [de casemanager] en [maatschappelijk werkster] , een huisbezoek gebracht aan de [de zoon] teneinde de wilsbekwaamheid van de [de zoon] ter zake van onder meer zijn beslissingen ten aanzien van de verkoop van zijn woning en de hieraan verbonden financiële transacties te beoordelen. Hierover heeft [psychiater 1] in het medisch dossier van de [de zoon] (pagina 65/66, prod. 1 bij conclusie van antwoord) onder meer het volgende genoteerd: “ Momentane toestand (…) Ik ( en de anderen) vonden het erg lastig om tot een oordeel te komen daar de kans dat [de zoon] zijn geld kwijt geraakt door ons groot wordt geacht gezien de kranten en media berichten daarover en ik kwam tot het oordeel dat het me erg onverstandig lijkt, maar dat hij ondanks de chronische waan wel tav deze beslissingen wel wilsbekwaam is (hij heeft ook over het “worst case” scenario en de eventuele gevolgen nagedacht en zegt daar geld voor apart te houden ) Een tweede beoordeling is dan maw zorgvuldig en zeer wenselijk Rapportage algemeen Ik overleg met mijn collega’s en [geneesheer directeur] geneesheer directeur tav wat verstandig is in deze toch ingewikkelde kwestie ; oa Kantonrechter tbv Bewindvoering/Curatorschap /2de Wilsbekwaamheids toetsing/BOPZ” 3.13 Op 21 oktober 2016 heeft de heer [geneesheer directeur] (hierna: [geneesheer directeur] ), waarnemend geneesheer-directeur van Rivierduinen, contact opgenomen met [de moeder] en haar geadviseerd om een verzoek tot ondercuratelestelling aan de rechtbank te doen. In een e-mail van diezelfde dag heeft psychiater [psychiater 2] van Rivierduinen [de moeder] in dat verband nog meegedeeld: “Graag vernemen mijn collega’s [psychiater 1] en [geneesheer directeur] op welke termijn hiertoe een aanvullende geneeskundige verklaring aangeleverd moet worden en wat de exacte vraagstelling is bij deze verklaring. Op deze wijze hopen wij op korte termijn indien aan de orde een niet bij de behandeling betrokken psychiater een dergelijke beoordeling te kunnen laten doen”. 3.14 [de moeder] heeft op 22 oktober 2016 juridisch advies ingewonnen bij mr. Karstanje , advocaat te Gouda, die haar heeft gewezen op de mogelijkheid van een spoedvoorziening. Nog diezelfde dag heeft [de moeder] aan de kantonrechter verzocht om de [de zoon] provisioneel onder bewind en onder curatele te stellen. 3.15 Op 24 oktober 2016 heeft psychiater [psychiater 3] (hierna: [psychiater 3] ), in het kader van een second opinion, met de [de zoon] gesproken om zijn wilsbekwaamheid te beoordelen. [psychiater 3] kon op basis van een eenmalig consult echter niet tot een conclusie komen en heeft [geneesheer directeur] gevraagd hierin verdere stappen te nemen. 3.16 Op 1 november 2016 heeft de kantonrechter te Gouda het door [de moeder] ingediende verzoek ter zitting behandeld. Per diezelfde datum heeft de kantonrechter bij beschikking een provisioneel bewind ingesteld met betrekking tot de [de zoon] . Bij opvolgende beschikking van 15 november 2016 is dit provisioneel bewind opgeheven nadat de kantonrechter een huisbezoek aan de [de zoon] heeft gebracht. De [de zoon] is bij diezelfde beschikking onder curatele gesteld waarbij [de moeder] tot curator is benoemd. 3.17 De curator heeft, met hulp van een advocaat, de verkoop van de woning van de [de zoon] kunnen terugdraaien. De curator heeft de koper in verband hiermee, namens de [de zoon] , een bedrag van ruim € 24.000,-- terugbetaald (het aanbetaalde bedrag, vermeerderd met notaris- en advocaatkosten). 3.18 Mr. Van der Giesen heeft namens [de moeder] in haar hoedanigheid van zowel moeder van de [de zoon] als zijn curator, op 28 juli 2017 een klacht ingediend bij de klachtencommissie van Rivierduinen met betrekking tot het handelen en nalaten van Rivierduinen ten aanzien van de [de zoon] in de periode van september 2016 tot en met november 2016. Bij beslissing van 26 oktober 2017 van de klachtencommissie is de klacht op alle onderdelen ongegrond verklaard. 4De beoordeling van het hoger beroep 4.1 Bij inleidende dagvaarding van 22 mei 2018 heeft de curator de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Haag en daarbij gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Rivierduinen in de periode van 26 september 2016 tot 1 november 2016 is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst met de [de zoon] althans onrechtmatig jegens de [de zoon] heeft gehandeld, en dat Rivierduinen jegens de [de zoon] aansprakelijk is voor de schade die daaruit is voortgevloeid, alsmede de veroordeling van Rivierduinen tot betaling aan de curator van: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.