GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.300.897/01 Insolventienummer rechtbank : C/09/18/229 R arrest van 13 december 2021 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. A.P. Stipdonk te Leiden. Het geding Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2018 is ten aanzien van [appellant] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij vonnis van deze rechtbank van 4 oktober 2021 is aan [appellant] de schone lei onthouden. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het op 7 oktober 2021 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met producties). Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van door [appellant] toegezonden nadere producties en de door de bewindvoerder toegezonden openbare verslagen en bijlagen gedateerd 2 november en 26 november 2021 houdende de laatste stand van zaken. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 december
- Verschenen zijn: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat, en N.T. van den Deijssel namens de bewindvoerder J. Wijker. De beoordeling van het hoger beroep
- De rechtbank heeft aan [appellant] de schone lei onthouden omdat hij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (artikel 354 lid 1 en 2 jo 358 lid 2 Fw). De rechtbank heeft daarbij – kort samengevat – het volgende overwogen. Naast de boedelachterstand van € 2.054,89 zijn er twee nieuwe schulden bij de Belastingdienst ontstaan, te weten een schuld van € 2.714,- (terugvordering huurtoeslag) en een schuld van € 302,- (terugvordering zorgtoeslag). Voldoende is gebleken dat [appellant] niet in staat is de nieuwe schulden en de boedelachterstand te voldoen, ook niet tijdens een eventuele verlenging van de schuldsaneringsregeling. Dit is bevestigd door [appellant] zelf, door zijn advocaat en door de bewindvoerder.
- [appellant] heeft het hof verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en alsnog de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen met twee jaar. Daarbij heeft [appellant] aangevoerd dat hij bij een maximale verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling in staat zal zijn de boedelachterstand en de nieuwe schulden te voldoen. In zijn hoger beroepschrift heeft [appellant] in eerste instantie aangevoerd dat hij daartoe zijn auto (een Volkswagen Polo uit 2001) zou verkopen. Blijkens de aan het hof toegezonden, door hem zelf opgestelde, draagkrachtberekening en zijn verklaring ter zitting van het hof stelt [appellant] zich nu echter op het standpunt dat hij door te besparen op zijn autoverzekering en zijn televisie- en internetabonnement, en met gebruikmaking van zijn vakantiegeld, voldoende geld kan vrijmaken om daarmee de boedelachterstand en de nieuwe schulden in te lopen.
- De (vertegenwoordigster van de) bewindvoerder heeft ter zitting van het hof verklaard dat zij blijft bij haar conclusie dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
- Het hof stelt voorop dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van deze verplichtingen. Daar liggen de volgende overwegingen aan ten grondslag.
- Het hof stelt vast dat [appellant] niet heeft weersproken dat de hiervoor (in 1) genoemde boedelachterstand en nieuwe schulden zijn ontstaan. Het verzoek van [appellant] om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen teneinde hem in staat te stellen die boedelachterstand en schulden in te lopen wijst het hof af, nu [appellant] geen onderbouwd voorstel heeft gedaan dat daadwerkelijk tot de voldoening van boedelachterstand en schulden kan leiden. De door [appellant] zelf opgestelde draagkrachtberekening is daartoe onvoldoende. Desgevraagd heeft [appellant] ter zitting van het hof verklaard dat hij bij het opstellen van die berekening geen rekening heeft gehouden met de maandelijkse boedelafdracht en dat hij bij een eventuele verlenging van de looptijd alleen in staat zou zijn om in te lopen op de boedelachterstand en de nieuwe schulden. Daarnaast heeft [appellant] hangende het geding in hoger beroep nagelaten boedelafdrachten te verrichten of geld daarvoor te reserveren. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat de boedelachterstand niet is verminderd, integendeel. Gelet op de hoogte van de boedelachterstand en de nieuwe schulden is het zonder concrete onderbouwing niet aannemelijk dat deze bij een eventuele verlenging kunnen worden ingelopen, ook niet bij een maximale verlenging van de looptijd. Dit klemt te meer omdat – ook als [appellant], die er voorheen niet in slaagde rond te komen van het vrij te laten bedrag, de in zijn draagkrachtberekening aangegeven bezuinigingen zou realiseren – het bedrag dat hij zou kunnen besparen ongeveer € 3.000,- is, namelijk € 1.348,05 (19 keer € 70,95) plus ongeveer € 1.700,- (twee keer vakantiegeld). Dat is onvoldoende.
- Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de schuldsaneringsverplichtingen en dat alle omstandigheden in aanmerking nemende geen sprake is van een tekortkoming die vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis ervan buiten beschouwing kan worden gelaten. Daarom is verlening van een schone lei, of verlenging van de looptijd, niet op zijn plaats.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. De beslissing Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 oktober
- Dit arrest is gewezen door mrs. M.T. Nijhuis, P. Volker en A.J. Swelheim en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2021 in aanwezigheid van de griffier.