Parketnummer: 10-059924-20 Gerechtshof Den Haag enkelvoudige kamer voor strafzaken Proces-verbaal van de op 22 februari 2021 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof. Tegenwoordig zijn: mr. F.P. Geelhoed, voorzitter, en mr. R. van Eekeres, griffier. Voorts is aanwezig mr. F.P. Holthuis, advocaat-generaal. De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen na te noemen verdachte. De voorzitter stelt de identiteit van de ter terechtzitting aanwezige verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (Polen), adres: [adres], ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam te Rotterdam. Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. N.S. de Haas advocaat te Rotterdam. Ter terechtzitting is aanwezig mw. M.J. van Burken-Laskowska, die als beëdigd tolk in de Poolse taal is ingeschreven in het Register beëdigde tolken en vertalers, onder nummer 19795. Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld. De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en wijst erop dat hij niet tot antwoorden verplicht is. De voorzitter deelt mede dat de zaak eerder aan de orde is geweest op de strafrolzitting op 28 oktober 2020. De advocaat-generaal draagt de zaak opnieuw voor. De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld. De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van: - een namens de verdachte door de raadsman ingediende appelschriftuur d.d. 27 oktober 2020; - een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2021, betreffende de verdachte; - de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door het hof te nemen beslissing, waaronder de stukken die door het hof als bewijsmiddel zijn gebezigd. De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende: Op 7 maart 2020 kwam ik uit een coffeeshop in Rotterdam. Ik geloof dat het Rotterdam Zuid was, maar ik weet het niet precies. Ik werd aangesproken door een donkere man die uit tegenovergestelde richting kwam aanlopen. Ik spreek geen Engels en Nederlands. Ik heb met hem in gebarentaal gesproken. De man stapte de auto in. De deuren waren niet geforceerd en de ruiten waren evenmin vernield. De man opende de deur voor mij waarop ik ben ingestapt. Vervolgens reden we weg. Het zag er niet uit alsof de man de auto had gestolen. Ik was onder invloed van marihuana. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik op 7 maart 2020 op zoek was naar een coffeeshop en niet dat ik er vandaan kwam. Toen ik in de auto stapte, was ik al in de coffeeshop geweest. Ik weet niet waarom ik in de auto stapte. Ik was onder invloed van alcohol en marihuana. De man heeft mij geroepen en het zag er niet uit alsof hij de auto had gestolen, het was een vrolijke man. Er was verder niemand rondom de auto. De verdachte legt op vragen van de voorzitter met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden een verklaring af, inhoudende: U houdt mij voor dat ik sinds afgelopen vrijdag gedetineerd ben en vraagt mij of ik iets wil vertellen over de verdenking tegen mij. Ik wil daarover zwijgen. Ik verblijf bij een kennis in Leiden, maar het adres daarvan wil ik niet geven. Ik werk zes dagen in de week als timmerman in Alphen aan den Rijn, maar ik heb geen contract. Ik werk zwart. Ik kan ervan rondkomen. Ik heb verder niets over mijn persoonlijke omstandigheden te verklaren. De verdachte legt op vragen van de advocaat-generaal een verklaring af, inhoudende: Voordat ik in de auto stapte, was ik in een coffeeshop. Ik weet niet meer of ik samen met de man bij wie ik in de auto stapte in de coffeeshop was. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik samen met een vriend in de coffeeshop was. Dit zou kunnen. Het klopt dat ik bij de politie heb verklaard dat ik een black-out had en op het politiebureau wakker werd. Ik was onder invloed van wiet en alcohol. Ik werd wakker op de tweede dag nadat de politie me heeft meegenomen. De verdachte legt op vragen van zijn raadsman een verklaring af, inhoudende: Ik heb aan mensen de weg naar de coffeeshop gevraagd. Ik ben op 20 januari 2020 naar Nederland gekomen. De advocaat-generaal voert h nhj ierna het woord en draagt de schriftelijke vordering aan het gerechtshof over: Ik acht de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig. Het gedrag en de handelingen van de verdachte tijdens en na de aanhouding weerspreken dat hij op dat moment buiten westen was en een black-out had. Verdachte vertelt vandaag een heel ander verhaal dan in eerste aanleg en zoals staat omschreven in de namens de verdachte ingediende appelschriftuur. Anders dan het in de appelschriftuur genoemde arrest van het gerechtshof Den Haag biedt het dossier in deze situatie voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdachte is samen met een ander in de auto gestapt en ze werden vijf minuten later – onder invloed van alcohol en wiet – staande gehouden. De uiterlijke verschijningsvorm blijft over. De verdachte geeft daarbij geen aannemelijke en overtuigende verklaring. Er is voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen van diefstal van een auto. Ik vorder bevestiging van het vonnis. De raadsman voert het woord tot verdediging: Welke handelingen heeft mijn cliënt verricht met betrekking tot het wegnemen van de auto? Het is de vraag of mijn cliënt het oogmerk heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de auto. Het is niet bekend of mijn cliënt in de auto is gestapt om deze weg te nemen of dat hij enkel een stukje mee wilde rijden met de man die hij heeft ontmoet. Mijn cliënt is wat wisselend in zijn verklaringen. Het is een jonge jongen waarvan ik zijn achtergrond niet ken. Daarbij weet ik niet hoe hij tegen de strafprocedure aankijkt. Niet is vast te stellen wat er exact is gebeurd. Dan dient te worden bewezen of er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Gelegenheid maakt de dief, de auto is achtergelaten. Ik weet niet wat de verhouding is tussen mijn cliënt en de man, meneer [medeverdachte]. Ze trokken met elkaar op, maar ik betwijfel en betwist dat er een rolverdeling was en dus een nauwe en bewuste samenwerking. Mijn cliënt is in een vreemd land en kende hier niemand. Hij wist niet waar hij was en heeft de weg gevraagd. Hij was afhankelijk van de Nederlands sprekende [medeverdachte]. Mijn cliënt was aan zijn zorg toevertrouwd. Onder deze omstandigheden is het niet vreemd om bij iemand in de auto te stappen. De auto had van [medeverdachte] kunnen zijn, aangezien de auto niet geforceerd was. Ik verwijs naar de twee uitspraken in de appelschriftuur en ik citeer: “Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat de verdachte de bijrijder van de gestolen Porsche was (...)" “Niet kan worden vastgesteld op welk moment en onder welke omstandigheden de verdachte als bijrijder in de gestolen Porsche is ingestapt. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt (medeplegen van) diefstal of heling van de auto.” We kunnen niet vaststellen hoe de verdachte is ingestapt. Ik verzoek vernietiging van het vonnis en vrijspraak van het tenlastegelegde. De advocaat-generaal voert het woord tot repliek: Ik hoor de raadsman meer verklaren van de verdachte zelf. De verdachte geeft geen aannemelijke verklaring. Als hij al onder de hoede zou zijn van meneer [medeverdachte] dan betekent dit niet dat de auto van [medeverdachte] was. De raadsman persisteert. Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken: U kunt het ook vanaf de andere kant bekijken: iemand heeft zijn auto laten staan met de sleutel nog in het contact. De donkere man stapte in de auto alsof het zijn eigen auto was. Dit is ook te zien op de beelden. De man riep mij. Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak. Aantekening mondeling arrest als bedoeld in artikel 425, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2020, gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, alsmede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van heden. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 7 maart 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een auto, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.