Rolnummer: 22-000097-21 Parketnummer: 09-837030-20 Datum uitspraak: 22 juli 2021 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 december 2020 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedatum] 1994, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Omtrent de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 01 december 2019 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 01 december 2019 te 's-Gravenhage aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een en/of meerdere snijwonden en/of littekens (van snijwonden) op de wang en/of pols en/of buik, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes althans een scherp en/of puntig voorwerp te steken. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij. Op dat onderdeel zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te melden verbeteringen en aanvullingen aanbrengt. Verbeteringen Op bladzijde 3, onder 3.4, wordt de laatste zin van de eerste alinea te weten: “De verdachte sloeg aangever in zijn gezicht en de verdachte en aangever begonnen te duwen en te trekken.” geschrapt. Op de bladzijden 5 en 6 wordt de tekst onder het kopje: “Had de verdachte opzet op de dood van aangever?” geschrapt en vervangen door de volgende tekst: Hiervoor is vastgesteld dat de verdachte aangever onverhoeds in zijn gezicht heeft geslagen, terwijl de verdachte een mes in zijn vuist had en dat er vervolgens tussen de verdachte en aangever een vechtpartij is ontstaan, waarbij aangever met het mes onder meer in zijn wang, buik en oksel is geraakt. De vraag is of de handelingen van de verdachte dienen te worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag of als een poging tot zware mishandeling. In dit verband is van belang vast te stellen of de verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – op de dood van het slachtoffer heeft gehad dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte vol opzet had op de dood van aangever. Dan ligt de vraag voor of er bij de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval de dood van aangever - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Het hof stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd, de oksel en de buik bij uitstek kwetsbare en vitale delen van het lichaam zijn. Door het meermalen steken met een mes in die delen van het lichaam van een persoon wordt naar algemene ervaringsregels dan ook de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte aangever onverhoeds en ongecontroleerd achter elkaar tijdens een vechtpartij heeft gestoken, moeten de voornoemde gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm voorts worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van een levensgevaarlijke verwonding aan aangever dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg daarvan, de dood van aangever, heeft aanvaard. Het hof acht daarom het primair ten laste gelegde feit, de poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen. Op bladzijde 8, derde alinea, wordt onder het kopje: “Ernst van het feit”, de laatste volzin, te weten: “In plaats van dit zich aan te trekken en verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden heeft de verdachte na het horen van deze verklaring enkel aangegeven welke gevolgen het misdrijf voor hem hebben gehad.”, geschrapt. Aanvulling De eerste alinea onder het kopje: “3.4 De beoordeling van de tenlastelegging” op bladzijde 3 van het vonnis wordt aangevuld als volgt. De verklaring die de getuige [getuige] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd, doet geen afbreuk aan haar verklaring afgelegd bij de politie. Het kopje: “Straf” op bladzijde 9 van het vonnis wordt aangevuld met het volgende: Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Het vonnis waarvan beroep dient derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder verbetering en aanvulling van gronden te worden bevestigd. Vordering tot schadevergoeding In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde tot een bedrag van in totaal € 18.156,50, bestaande uit een bedrag van € 11.006,50 aan materiële schade en een bedrag van € 7.150,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de posten “materiële schade” ten bedrage van € 650,-, “verlies van arbeidsvermogen” ten bedrage van € 9.180,- en “kosten huishoudelijke hulp” ten bedrage van € 1.176,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.