← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2021:383

GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.288.593/01 Rekestnummer rechtbank : C/09/604118/FT RK20/1228 arrest van 22 februari 2021 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: appellant, advocaat: mr. I.P. van Rossen te Amsterdam, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: geïntimeerde, advocaat: mr. L.M. van Ooij-Jongejan te Leusden. Het geding Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 januari 2021 (hierna: het bestreden vonnis) is appellant in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. A.C.M. Höppener tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. G.J. de Bock, advocaat te Leiden, als curator. In de herstelbeschikking van 15 januari 2021 is bepaald dat in plaats van mr. A.C.M. Höppener mr. H.J. van Harten gelezen moet worden. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 januari 2021, is appellant van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen. Op 5 februari 2021 heeft appellant nog stukken aan het hof overgelegd. Op 1 februari 2021 heeft geïntimeerde stukken overgelegd. De curator heeft op 4 februari 2021 schriftelijk verslag uitgebracht aan het hof en op 5 en 12 februari 2021 nog stukken overgelegd. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 februari

  1. Verschenen zijn: appellant, bijgestaan door mr. Van Rossen en vergezeld van V. Raats (insolventieadviseur), geïntimeerde bijgestaan door mr. Van Ooij-Jongejan en de curator vergezeld van L. Monshouwer (faillissementsmedewerker). Mr. Van Rossen en mr. Van Ooij-Jongejan hebben de zaak bepleit aan de hand van aan het hof overgelegde stukken. Beoordeling van het hoger beroep
  2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van geïntimeerde en van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat appellant in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
  3. Appellant heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn faillissement heeft uitgesproken nu de rechtbank in strijd met artikel 15b Fw heeft nagelaten de behandeling van het verzoekschrift tot faillietverklaring aan te houden om zo appellant in de gelegenheid te stellen een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. Daarnaast betwist appellant dat hij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Gelet op het voorgaande heeft appellant het hof verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en alsnog de schuldsaneringsregeling op appellant van toepassing te verklaren.
  4. Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt.
  5. Indien een verzoek tot faillietverklaring een natuurlijke persoon betreft en hij geen verzoek heeft ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, wordt de schuldenaar door de griffier van de rechtbank per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen na de dag van de verzending van die brief alsnog een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. Zolang die termijn nog niet is verstreken, zal geen uitspraak mogen worden gedaan op het verzoek tot faillietverklaring; de behandeling daarvan is geschorst (artikel 3 lid 1 en 2 Fw).
  6. Appellant heeft aangevoerd dat de termijn van veertien dagen zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 en 2 Fw nog niet was verstreken, omdat geïntimeerde hem bij de betekening van de faillissementsoproeping op 8 februari 2021 de mogelijkheid heeft gegeven om binnen veertien dagen nadien een verzoekschrift in te dienen. Het hof volgt deze stelling niet. De termijn zoals bedoeld in artikel 3 Fw vangt niet aan bij betekening van de oproep door geïntimeerde, maar door verzending van de brief door de griffier van de rechtbank zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw. Uit de door appellant aan het hof overgelegde zittingsaantekeningen van de rechtbank van 12 januari 2021 blijkt dat appellant heeft verklaard dat hij op 15 december 2020 de stukken van de rechtbank heeft ontvangen. Het hof gaat er dan ook van uit dat de termijn van veertien dagen al voor de zitting van 12 januari 2021 was verstreken. Overigens heeft appellant de ontvangst van de brief van de griffier in hoger beroep niet weersproken. Ook is niet weersproken dat appellant geen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling voor de behandeling van het faillissementsverzoek bij de rechtbank heeft ingediend.
  7. Verder is het hof van oordeel dat summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die meebrengen dat appellant verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Appellant heeft het vorderingsrecht van geïntimeerde niet betwist en uit het verslag van de curator blijkt dat één preferente en drie concurrente schuldeisers vorderingen ter verificatie hebben ingediend voor een bedrag van totaal respectievelijk € 80.465,- en € 93.769,
  8. De stelling van appellant dat hij met al zijn schuldeisers - op geïntimeerde na - een betalingsregeling heeft getroffen, heeft hij niet met stukken kunnen onderbouwen en die stelling is dan ook niet aannemelijk geworden. De door appellant overgelegde bankafschriften zijn daartoe niet voldoende.
  9. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank het faillissement van appellant terecht heeft uitgesproken. Het verzoek van appellant om het faillissement op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan hem in hoger beroep niet baten, omdat uit artikel 15b Fw volgt dat dit verzoek tot de rechtbank dient te worden gericht.
  10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Beslissing Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 januari
  11. Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, P.W. van Baal en K.I. de Jong en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 22 februari 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.