Rolnummer: 22-002053-17 Parketnummer: 10-960151-16 Datum uitspraak: 29 maart 2021 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2017 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, adres en feitelijk verblijvend uit hoofde van extramurale detentie vanuit de P.I. Middelburg: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 12 september 2018 en op 1, 9 en 15 maart 2021. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6,5 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is omtrent het beslag en de voorlopige hechtenis beslist als vermeld in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Verweer Door de verdediging is aangevoerd dat in het vooronderzoek vormen zijn verzuimd die onherstelbaar zijn en waarvan de gevolgen niet uit de wet blijken. Samenvattend is hieraan het volgende ten grondslag gelegd: De toonzetting van de politie ten aanzien van de verdachte en zijn door hen benoemde rol als “facilitator” in de verhoren van medeverdachten was zeer veroordelend en sturend; Hierdoor is gerechercheerd met tunnelvisie en is geen rekening gehouden met het scenario dat de verdachte zo’n rol niet had en van niets wist; Er is in strijd met de verbaliseringsplicht opgeschreven wat er niet is gezegd, evenals niet, of niet juist, opgeschreven wat er wel is gezegd tijdens de verhoren; Hierdoor is – in strijd met een eerlijk proces - ontlastend materiaal niet of verkeerd gepresenteerd en de rechter op het verkeerde been gezet; Er is gestuurd in de verhoren en ook de verdachte heeft in zijn eigen verhoor niet zijn volledige verhaal kunnen vertellen; Er zijn toezeggingen gedaan aan medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en in strijd met het beginsel van equality of arms heeft de verdediging daar geen onderzoek naar kunnen doen; Nagelaten is belangrijk onderzoek te doen waardoor de daadwerkelijke “facilitators” en initiatiefnemers van het drugstransport mogelijk hadden kunnen worden gevonden; Bij dit alles moet worden meegewogen dat de redelijke termijn is overschreden en getuigen door het tijdsverloop zich minder kunnen herinneren van wat er destijds gebeurd is. Dit raakt de kern van een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM. Door deze opeenstapeling van diverse vormverzuimen – het hof begrijpt: onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in art. 359a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) - is doelbewust – op zijn minst met grove veronachtzaming - inbreuk gemaakt op de beginselen van een goede procesorde, ten nadele van de verdachte. Dat de desbetreffende verbalisanten mochten worden gehoord geeft op zichzelf onvoldoende compensatie. Er is geen sprake meer van een eerlijk proces wat maar één gevolg kan hebben: het openbaar ministerie is niet ontvankelijk in de vervolging, aldus de verdediging. Standpunt openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft in zijn op schrift gestelde reactie op het verweer betoogd dat ontlastend materiaal inderdaad ten onrechte niet in de processen-verbaal van verhoren is opgenomen en dat op onderdelen onjuist of niet is geverbaliseerd. Dit is echter hersteld door het door de verdediging aan het dossier toevoegen van de uitwerkingen van de verhoren door de verdachte en het horen van de verbalisanten bij de raadsheer-commissaris. Tot een tunnelvisie concludeert de advocaat-generaal niet, evenmin dat moedwillig een foutief proces-verbaal is gepresenteerd door de verbalisanten. De uitvoering van de verhoren was niet steeds even professioneel en medeverdachten zijn soms stevig ondervraagd, maar de druk die daarbij is uitgeoefend was gelet op de ernst van de verdenkingen niet disproportioneel. Voor zover er gebreken kleven aan de verhoren en de vastlegging daarvan zijn deze onvoldoende voor een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Van extreem ernstige onregelmatigheden is geen sprake. Voortzetting van de vervolging is niet in strijd met het recht op een eerlijk proces, aldus de advocaat-generaal. Vaststelling van feiten en omstandigheden Het hof gaat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken uit van de navolgende, voor beoordeling van het voorgaande relevante feiten en omstandigheden. Het opsporingsonderzoek Ponroy richtte zich op de invoer in Nederland van een partij cocaïne van 1075 kilo via het vissersbootje [vaartuig 2]. De verdenking bestond dat deze partij door de zeesleper [vaartuig 1] op 14 januari 2016 op de Noordzee op [vaartuig 2] was overgezet. De verdachte was de huurder van de [vaartuig 1], die op 24 december 2015 uit Paramaribo was vertrokken met [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) als kapitein en onder anderen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) als bemanningsleden aan boord. Van de meeste verdachten- en getuigenverhoren in het opsporingsonderzoek Ponroy zijn geluidsopnames gemaakt. In hoger beroep zijn de geluidsopnames van enkele verhoren door de verdediging opgevraagd en uitgeluisterd, de verdachte heeft daar een schriftelijk verslag van gemaakt en ook het hof en het openbaar ministerie hebben van de geluidsopnames kennis kunnen nemen. Meer in het bijzonder gaat het hier om de politieverhoren van [medeverdachte 1] van 29 maart 2016 en 9 juni 2016 en van [medeverdachte 2] van 22 november 2017. Van het politieverhoor van de verdachte van 13 februari 2018 bevindt zich geen geluidsopname in het dossier, maar wel een schriftelijk verslag dat de verdachte daarvan heeft gemaakt. Het hof komt ten aanzien van de gang van zaken bij deze verhoren – voor zover relevant - tot de volgende bevindingen. Verhoor [medeverdachte 1] van 29 maart 2016 In dit eerste verhoor van [medeverdachte 1] zijn de verbalisanten veel aan het woord geweest en weinig daarvan is in het proces-verbaal van verhoor vastgelegd. Er is [medeverdachte 1] veel informatie voorgehouden uit het opsporingsonderzoek tot dusver. Het proces-verbaal vermeldt dat [medeverdachte 1] wordt geconfronteerd met de bevindingen uit het onderzoek, maar niet welke bevindingen. In het oog springend is dat [medeverdachte 1] de gehele (relevante) inhoud van de verklaring van de reeds verhoorde [medeverdachte 3] is voorgehouden zonder dat het proces-verbaal dat vermeldt. [medeverdachte 3] was de enige medeverdachte die op dat moment in belastende zin openheid van zaken had gegeven. Voorgehouden is wat [medeverdachte 3] had verklaard over het hoe en wanneer aan boord nemen van de drugs op zee op de [vaartuig 1], wie had meegeholpen, hoe de drugs verpakt waren, waar de drugs aan boord verstopt werden (in de watertank) en hoe en wanneer de drugs uiteindelijk weer werden overgeladen op een vissersboot en wat daarbij precies gebeurd was. [medeverdachte 1] wordt een foto voorgehouden van [vaartuig 2], meermalen wordt al dan niet in vragende vorm gemeld dat er een bootje langszij heeft gelegen en dat de boot een uur lang stil ligt. Later in zijn verhoor is [medeverdachte 1] uiteindelijk ook gaan verklaren over het aan- en van boord gaan van de drugs en de gang van zaken daarbij. In het proces-verbaal van verhoor valt niet terug te lezen dat een van de verbalisanten als eerste het woord “faciliteerder” in relatie tot [verdachte] in de mond heeft genomen, dat wordt gevraagd aan [medeverdachte 1] hoe [verdachte] hem heeft geronseld, en dat [verdachte] er tot “zijn fucking nek” in zit. Ook is hierin niet terug te lezen dat [verdachte] door de verbalisant een slechte hond (letterlijk: “een nog slechtere hond dan je ooit hebt kunnen bedenken”) wordt genoemd, en later een kwade genius. Hetzelfde geldt voor de vraag waarom [medeverdachte 1] de “stront van [verdachte]” zou gaan “oppakken”. Ten onrechte wordt [medeverdachte 1] voorgehouden dat hij [verdachte] zojuist de kwade man heeft genoemd in zijn verklaring; deze woorden kwamen van de verbalisanten. De woorden “Ik had geen keus. En dat allemaal door die klootzak van een [verdachte]” zijn daarentegen wel in de verklaring van [medeverdachte 1] te lezen, maar niet op de audiotape te horen. Het hof acht het evenwel mogelijk dat dat een deel van het verhoor is geweest dat niet op de audiotape is opgenomen. Tijdens het verhoor van [medeverdachte 1] is op diens verzoek op enig moment de opname gestopt en heeft overleg met de verhorende verbalisanten en de officier van justitie plaatsgevonden. De officier van justitie heeft in de zaak van een medeverdachte bij processen-verbaal van 25 oktober 2018 en 12 maart 2019 gerelateerd dat door haar geen toezeggingen zijn gedaan, niet direct en ook niet door tussenkomst van de verbalisanten. Ze heeft een kortdurend telefonisch contact met de verbalisanten gehad, waarin is gesproken over de veiligheid van [medeverdachte 1]. Deze processen-verbaal met bijlagen zijn ter terechtzitting in hoger beroep in de zaak van de verdachte gevoegd. Als bijlage is een schriftelijke uitwerking van een deel van het verhoor gevoegd, die op het bewuste moment als volgt luidt: “02:34:02 (…) Z: (ntv) uitzetten X: Sorry? Z: Die ding uitzetten X: Verdachte [medeverdachte 1] wil dat de opname stopt en omdat hij daar moeite mee heeft, omdat hij iets gaat vertellen wi hij niet dat het wordt opgenomen. Uiteraard tikken we het wel weg. Zodra het weer mogelijk is zetten we Y: ...de opname X: de opname weer aan. Dus bij dezen pauzeren we even 02:35:29 X: Het verhoor wordt voortgezet. We hebben overleg gehad met de officier van justitie mevrouw Vreugdenhil die hebben wat toezeggingen gedaan... Y: Nou toezeggingen? Ze hebt gezegd: het heeft mijn aandacht. Ik neem het mee. X: Oke Y: Ik ga hè... X: Oke, dan gaan we verder met het verhoor” Verhoor [medeverdachte 1] van 9 juni 2016 Op de vraag van de verbalisant of [medeverdachte 1] de man, door wie hij bedreigd werd, wel eens samen met de verdachte heeft gezien, heeft [medeverdachte 1] ontkennend geantwoord. Het hof stelt vast dat dit onderdeel van de verklaring niet in het proces-verbaal staat vermeld. Verhoor [medeverdachte 2] van 22 november 2017 Op het moment dat [medeverdachte 2] op 22 november 2017 werd gehoord, was hij inmiddels onherroepelijk veroordeeld in deze zaak. De verbalisanten stellen in dit verhoor, zo stelt het hof vast, nauwelijks open maar overwegend gerichte vragen over de verdachte, en vragen [medeverdachte 2] of hij hen “wil helpen” door nog over de verdachte te verklaren. De verbalisanten houden de getuige verder voor dat de verbalisanten gaan proberen [verdachte] “bij de keel te grijpen”, en dat [verdachte] een rat is. [medeverdachte 2] geeft vervolgens aan dat hij zich hier niet over wil uitlaten, dat hij er klaar mee is. Hij verklaart dat hij voor niemand bang is, en niet weet van een organisatie. Hij geeft ook te kennen dat hij geen haat heeft richting de verdachte. Hij verklaart dat de verdachte niet tegen hem gezegd heeft “je moet dit of dat”. Het hof stelt vast dat deze uitlatingen wel te horen zijn op de audiotape, maar dat deze niet of niet volledig zijn neergelegd in het proces-verbaal van verhoor. Ook is niet in het proces-verbaal gerelateerd dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij nooit een gesprek met de verdachte over coördinaten heeft gehad – een onderdeel van de feitsomschrijving die in het bijzonder op de tenlastelegging van de verdachte staat vermeld - en dat [medeverdachte 1] tegen hem gezegd heeft dat hij (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) de grote man was, en “zonder mij gebeurt er niets”. In dit verhoor wordt door de verbalisanten een aantal maal verwezen naar uitlatingen van [medeverdachte 2] onderweg, kennelijk tijdens het transport van [medeverdachte 2] naar de plaats van verhoor. Van uitlatingen van [medeverdachte 2] tijdens een eerder transport op 24 april 2017 hebben de verbalisanten een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, niet van uitlatingen tijdens het onderhavige transport naar dit verhoor. Verhoor van de verdachte van 13 februari 2018 In het door de verdachte gemaakte verslag van dit verhoor is te lezen dat een deel van zijn verklaring na een discussie met de verbalisanten niet op papier is gezet. Ook is hierin te lezen dat de verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een PGP (telefoon) hadden, terwijl in het proces-verbaal van verhoor gerelateerd wordt dat de verdachte verklaart dat zij een PGB hadden. In dit verhoor wordt ook een deel van de verklaring van [medeverdachte 1] van 9 juni 2016 aan de verdachte voorgehouden. Dit voorgehouden deel wordt in het proces-verbaal cursief weergegeven, met uitzondering van de zinnen uit de verklaring van [medeverdachte 1]: “als ik ga verklaren over de partij drugs dan ga ik mezelf in een moeilijke situatie brengen dat wil ik nu nog niet. Op een later tijdstip kan ik misschien wel verklaren”. De verhorende opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zijn beiden twee maal als getuige bij de raadsheer-commissaris gehoord en in deze verhoren van 21 november 2019 en 4 maart 2020 uitvoerig bevraagd over de gang van zaken bij bovengenoemde verhoren, waarbij delen van de geluidsopnames zijn afgespeeld. Op sommige vragen hebben de verbalisanten geen antwoord gegeven en daarbij vermeld dat zij het zich niet meer konden herinneren. Oordeel van het hof De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie: “Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.” In het arrest 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, heeft de Hoge Raad onder rechtsoverweging 2.5.2 en verder de toepassing van deze maatstaf als volgt bijgesteld en verduidelijkt: “De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. (…) 2.5.3 In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de onder 2.5.2 besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.(…).” Onder vormverzuimen zijn begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Het hof heeft de door de verdediging aangevoerde vormverzuimen en de mogelijk daaraan te verbinden consequenties in het licht van het voorgaande beoordeeld. Hierbij heeft het hof de door de verdediging aangedragen punten - waar van toepassing gezamenlijk - in haar overwegingen betrokken. Ad c, d en e: strijd met de verbaliseringsplicht Artikel 152 Sv schrijft voor dat opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Het behoeft geen betoog dat het verhoren van verdachten en het horen van getuigen hieronder valt. Uit voorgaande vaststellingen volgt dat het proces-verbaal van het verhoor van [medeverdachte 1] van 29 maart 2016 op de hiervoor weergegeven onderdelen een andere inhoud heeft dan het verhoor op de audiotape. Duidelijk is dat de verdachte aan [medeverdachte 1] in diens verhoor meermalen als de grote man en de “faciliteerder” wordt gepresenteerd, zonder dat dit kenbaar is uit het proces-verbaal. Ook is [medeverdachte 1], voordat hij zelf inhoudelijk over de zaak verklaard heeft, de volledige verklaring van [medeverdachte 3] voorgehouden, zonder dat het proces-verbaal dat vermeldt. De rechtbank, recht doende in eerste aanleg, was hiervan niet op de hoogte en heeft, zoals blijkt uit haar bewijsoverwegingen, belang gehecht aan het feit dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] “in hoge mate en tot in detailniveau” overeenkwamen en betrekt de inhoud van hetgeen zij beiden hebben verklaard in haar bewijsoverwegingen. In zoverre is de rechtbank kenbaar onvolledig - en daarmee onjuist - geïnformeerd. In het verhoor van [medeverdachte 1] van 9 juni 2016 had naar het oordeel van het hof mede opgenomen moeten worden het ontkennende, immers de verdachte ontlastende, antwoord van [medeverdachte 1] op de vraag of hij de man, door wie hij werd bedreigd, wel eens samen met de verdachte heeft gezien. De opsporingsambtenaren hebben naar het oordeel van het hof gehandeld in strijd met hun verbaliseringsplicht door (op ambtseed) een proces-verbaal op te maken met een op onderdelen ontoereikende en onjuiste weergave van hetgeen door hen is bevonden. Dit verzuim is echter hersteld door de beschikbaarheid van geluidsopnames van de verhoren, waardoor de verdediging op de onjuiste weergaven heeft kunnen wijzen. Het hof kan een en ander nu bovendien betrekken bij zijn oordeelsvorming. Ook in het verhoor van [medeverdachte 2] van 22 november 2017 zijn in strijd met de verbaliseringsplicht vragen en antwoorden niet of onjuist opgenomen, en hebben de verbalisanten [medeverdachte 2] willen sturen in het verhoor. Het hof is in dit opzicht – met de advocaat-generaal in zijn schriftelijk requisitoir – van oordeel dat de verbalisanten op deze wijze probeerden “[medeverdachte 2] te beïnvloeden en aan het praten te krijgen”. Echter naar het oordeel van het hof is de verdachte hierdoor niet in zijn belangen geschaad nu dit – voor zover het al door de opstelling van de verbalisanten kwam - niet tot nauwelijks heeft geleid tot het nadelig over de verdachte verklaren. Voor zover de verdachte ontlastende informatie niet, of niet helemaal juist, in het proces-verbaal terecht is gekomen, is dit door kennisname van de geluidsopnames hersteld. De uitlatingen van [medeverdachte 2] over [medeverdachte 1], te weten dat - anders dan [medeverdachte 1] verklaard heeft - een gesprek met de verdachte over coördinaten niet heeft plaatsgevonden en dat [medeverdachte 1] tegen hem gezegd had dat hij, [medeverdachte 1], de grote man was, hadden daarnaast ook in het proces-verbaal opgenomen moeten worden. Deze informatie is wel opgenomen in de verklaring van [medeverdachte 2] als getuige bij de raadsheer-commissaris, waar de verdediging hem over deze punten bevraagd heeft. In zoverre is ook dit verzuim hersteld. Dit geldt ook voor het niet opmaken van een proces-verbaal van mogelijke, uitsluitend negatieve persoonlijke uitlatingen van [medeverdachte 2] over de verdachte onderweg naar het verhoor. Immers, afgezien van het feit dat deze in de geluidsopname van het verhoor alsnog ter sprake komen, valt niet in te zien hoe de verdachte door het achterwege laten hiervan in zijn belangen geschaad is. Voor zover de verdachte in zijn verhoor van 13 februari 2018 onvoldoende in staat is gesteld zijn visie weer te geven en een (belangrijk) deel van zijn verklaring niet is opgenomen in het proces-verbaal, geldt ook dat dit verzuim hersteld is. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is de verdachte immers in de gelegenheid geweest om te verklaren, van welke gelegenheid hij ruimschoots gebruik heeft gemaakt. De verdediging heeft niet verzocht om meer tijd of ruimte hiervoor. Tevens heeft de verdachte in hoger beroep een uitgebreide schriftelijke zienswijze over genoemd verhoor overgelegd waarvan het hof heeft kennis genomen. Juist is dat een deel van de in dat verhoor aangehaalde verklaring van [medeverdachte 1] niet gecursiveerd is, maar naar het oordeel van het hof is hier sprake van een kennelijke vergissing door de verbalisanten. Hetzelfde geldt voor de verwisseling van de afkortingen PGP en PGB. Op sommige punten is samenvattend gerelateerd of zijn bepaalde onderdelen niet vermeld. Buiten de hiervoor genoemde punten is het hof echter niet gebleken van een dermate afwijkende verslaglegging van hetgeen verklaard is dat dit strijd oplevert met de verbaliseringsplicht. Ad a, b en g: toonzetting, tunnelvisie en nalaten van het verrichten van onderzoek De verdachte is in de verhoren van [medeverdachte 1] van 29 maart 2016 en van [medeverdachte 2] van 22 november 2017 door de verbalisanten gepresenteerd als de grote man, de faciliteerder van het drugstransport. Het is niet ongebruikelijk en voor de hand liggend dat verhoren erop gericht zijn informatie te verkrijgen over vermeende organisatoren van een grootschalig, internationaal drugstransport als hier aan de orde. Daarbij kan het nodig zijn dat een scenario dat de verhorende ambtenaren voor ogen staat aan een verdachte of getuige wordt voorgehouden. Een scenario waarbij de verdachte de organisator of de “faciliteerder” was, was niet ondenkbaar op het moment dat genoemde verhoren plaatsvonden. De verdediging moet echter worden nagegeven dat de verbalisanten volhardend waren in hun pogingen een voor de verdachte belastende verklaring te verkrijgen, en op de toonzetting valt zeer veel af te dingen als het gaat om benamingen als slechte hond en rat. Anders dan de verdediging, is het hof echter niet van oordeel dat daarmee dermate sturend is opgetreden dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] hierdoor niet meer voldoende in staat waren zelf de inhoud van hun verklaring te bepalen. Het vizier was bij de hiervoor besproken verhoren van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor een groot deel gericht op de persoon van de verdachte. Deze insteek heeft echter alles bijeen genomen niet geleid tot een te zeer tot hem beperkt onderzoek. Ten aanzien van het niet verrichten van nader onderzoek op door de verdediging ter terechtzitting aangedragen punten heeft de advocaat-generaal uiteengezet waarom daarvoor ofwel te weinig aanknopingspunten bestonden, ofwel de vraag was waartoe verder onderzoek redelijkerwijs zou hebben kunnen leiden, ofwel dat de daaraan ten grondslag liggende suggesties niet reëel waren. Het hof stelt daarbij met de advocaat-generaal vast dat de verdediging had kunnen verzoeken om andere scenario’s nader te doen onderzoeken, hetgeen zij niet heeft gedaan. Hierbij komt dat het onderzoek Ponroy veel meer omvattend is geweest dan de door de verdediging in de onderbouwing van dit standpunt aangedragen verhoren. Er zijn andere verdachten en vele getuigen gehoord, doorzoekingen op schepen en in woningen verricht, telecomgegevens nagetrokken en rechtshulpverzoeken ingediend. Niet gezegd kan worden dat het gehele opsporingsonderzoek in volle omvang eenzijdig gericht is geweest op de verdachte. Evenmin is met het voorgaande in strijd gehandeld met de jegens de verdachte in acht te nemen onschuldpresumptie. Ad f. toezeggingen Vooropgesteld zij dat de verdediging niet heeft uiteengezet wat zij precies onder de term “toezeggingen” verstaat. Het hof begrijpt het verweer van de verdediging zo, dat met toezeggingen wordt geduid op voordelen die [medeverdachte 1] door het openbaar ministerie in het vooruitzicht zijn gesteld en die van invloed zijn geweest op het belastend over de verdachte gaan verklaren. Het hof overweegt in dit verband als volgt. De officier van justitie die het opsporingsonderzoek heeft geleid, heeft desgevraagd laten weten dat er geen toezeggingen aan [medeverdachte 1] zijn gedaan. Het hof heeft geen reden hieraan te twijfelen. Zo heeft ten aanzien van [medeverdachte 1] alleen het openbaar ministerie hoger beroep aangetekend ten aanzien van diens ontslag van alle rechtsvervolging door de rechtbank bij het onderhavige drugsfeit. Ook de uitwerking van het bewuste onderdeel van het verhoor van [medeverdachte 1] geeft daartoe geen aanleiding. Het woord “toezeggingen” dat verbalisant [verbalisant 1] in de mond neemt wordt door verbalisant [verbalisant 2] direct gecorrigeerd met de woorden dat het haar (het hof begrijpt: de officier van justitie) aandacht heeft, en het meeneemt, waarop [verbalisant 1] kennelijk daarin berustend “oké” zegt. Dit, en ook de tijdspanne zoals aangegeven in de uitwerking, past bij een kortdurend onderhoud over enkel de veiligheid van [medeverdachte 1], zoals de officier van justitie vermeldt. Gelet hierop is de verdediging niet op achterstand komen te staan door het in haar ogen onvoldoende onderzoek kunnen doen naar het al dan niet doen van toezeggingen. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat toezeggingen ertoe hebben geleid dat er een belastende verklaring over de verdachte is afgelegd, ontbeert het betoog feitelijke grondslag. Ad h. Tijdsverloop Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat door het onderhavige tijdsverloop getuigen dermate weinig konden verklaren dat dit een belemmering heeft opgeleverd voor de waarheidsvinding of de uitoefening van de verdedigingsrechten. Meer specifiek hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] – welke getuigen in dit verband door de verdediging zijn aangevoerd – het overgrote deel van de vragen kunnen beantwoorden bij de raadsheer-commissaris. Bovendien zijn de eerder genoemde geluidsbestanden van de verhoren beschikbaar gebleven en zijn fragmenten daarvan ook afgespeeld tijdens de getuigenverhoren bij de raadsheer-commissaris, zodat de gang van zaken bij die verhoren ook aan de hand daarvan kon worden vastgesteld. Conclusie Voor zover vormen zijn verzuimd, zijn deze in de fase van het hoger beroep in voldoende mate hersteld, dan wel kan de verdediging daardoor niet worden geacht te zijn geschaad in haar verdedigingsrechten. De aangevoerde gronden kunnen afzonderlijk noch tezamen en in onderling verband bezien aanleiding geven tot het vaststellen van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. Ook de opstelsom van de geconstateerde verzuimen kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot de slotsom dat daarmee een zodanig ernstige inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten, die van dien aard en zodanig ernstig is, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Weliswaar geldt dat de situatie in eerste aanleg voor de rechtbank misleidend was ten aanzien van de totstandkoming van de verklaring van [medeverdachte 1] van 29 maart 2016, waardoor het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang is geweest, maar die situatie is in hoger beroep in voldoende mate hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. Dat dit dankzij het werk van de verdediging is geweest, is enigszins wrang om te constateren, maar maakt dat niet anders. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat: 1.hij in of omstreeks de periode van 14 januari 2016 tot en met 15 januari 2016 op/in de Atlantische Oceaan en/of op/in de Noordzee en/of op/in de Westerschelde en/of te Cadzand, gemeente Sluis, althans op (volle) zee en/of in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht circa 1075,92 kilogram cocaïne (netto gewicht), althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 24 december 2015 tot en met 15 januari 2016 in Suriname en/of op/in de Atlantische Oceaan en/of op/in de Noordzee en/of op/in de Westerschelde en/of te Veere, althans op (volle) zee en/of in Nederland en/of in België, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, circa 1075,92 kilogram cocaïne (netto gewicht), althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, - ( middels het bedrijf [bedrijf] (waarvan hij, verdachte enig aandeelhouder was)) een sleepboot, de '[vaartuig 1]' gehuurd/gekocht en/of ter beschikking heeft gesteld en/of - verschillende personen heeft benaderd en/of betalingen heeft verricht om als kapitein en/of bemanning van voornoemd schip dienst te doen en/of - opdracht(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.