GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.279.881/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 19-6454 zaaknummer rechtbank : C/10/578907 beschikking van de meervoudige kamer van 7 april 2021 inzake [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. S. Broekzitter-Nieuwland te Spijkenisse, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. A.G.H.M. Ganzeboom te Capelle aan den IJssel. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 De moeder is op 19 juni 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De vader heeft op 7 september 2020 een verweerschrift ingediend. 2.3 Bij het hof zijn voorts van de zijde van de moeder de volgende stukken ingekomen: een journaalbericht van 23 juli 2020 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum; een journaalbericht van 18 februari 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum. 2.4 De mondelinge behandeling heeft op 25 februari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat. 2.5 De advocaat van de vader heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen voornoemd journaalbericht met bijlagen van 18 februari 2021 van de zijde van de moeder. Deze stukken zijn buiten de 10-dagen termijn ingediend als gevolg waarvan hij deze niet goed heeft kunnen bestuderen. Het hof zal deze stukken desondanks toelaten. De overgelegde stukken zijn redelijk eenvoudig te doorgronden en zien op de meest actuele inkomenspositie van de moeder. Deze informatie is niet geheel nieuw. Bovendien is kinderalimentatie een kwestie van openbare orde, hetgeen met zich meebrengt dat zo veel als mogelijk rekening dient te worden gehouden met de meest recente en actuele informatie. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 De moeder en de vader zijn de ouders van [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ). 3.3 De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. Hij woont bij de moeder. 3.4 Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 augustus 2018, zoals aangevuld bij beschikking van 2 november 2018, is het door partijen opgestelde ouderschapsplan van 15 april 2018 in de beschikking opgenomen. In het ouderschapsplan zijn partijen – voor zover hier van belang – overeengekomen dat de niet-verzorgende ouder met ingang van 1 januari 2018 maandelijks een bedrag van € 200,- als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: kinderalimentatie) aan de verzorgende ouder zal voldoen. Van deze bijdrage zal maandelijks € 50,- rechtstreeks op de spaarrekening van [minderjarige] worden gestort. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder tot wijziging van voormelde beschikking van 14 augustus 2018, zoals aangevuld bij beschikking van 2 november 2018, en gelijktijdige wijziging van het ouderschapsplan op dat punt, in die zin dat de door de vader te betalen kinderalimentatie wordt bepaald op ten minste € 350,- per maand, afgewezen. 4.2 De moeder is het niet eens met deze beslissing en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat: - de beschikking van 14 augustus 2018, zoals aangevuld bij beschikking van 2 november 2018, in die zin wordt gewijzigd dat ten aanzien van de kinderalimentatie wordt bepaald dat de vader: o met ingang van 1 januari 2018 tot 31 december 2018 aan de moeder een bedrag van ten minste € 351,- bij vooruitbetaling dient te voldoen; o vanaf 1 januari 2019 tot en met januari 2020 aan de moeder een bedrag van ten minste € 291,- bij vooruitbetaling dient te voldoen; o vanaf 1 februari 2020 aan de moeder een bedrag van ten minste € 432,- bij vooruitbetaling dient te voldoen; - dan wel een zodanige uitspraak te doen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens. 4.3 De vader voert verweer en verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel hetgeen door de moeder is verzocht af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens. 4.4 Bij voormeld journaalbericht van 18 februari 2021 heeft de moeder haar verzoek aangevuld en het hof verzocht te bepalen dat de vader vanaf 1 januari 2021 aan de moeder een bedrag van € 317,- per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen. 5De motivering van de beslissing De ingangsdatum 5.1 De door partijen in het ouderschapsplan overeengekomen ingangsdatum voor de kinderalimentatie van 1 januari 2018 is in deze procedure niet in geschil zodat het hof, indien de kinderalimentatie op een van de aangevoerde gronden opnieuw dient te worden vastgesteld, deze datum als ingangsdatum zal nemen. Inleiding 5.2 De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij meent dat de rechtbank haar verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie ten onrechte heeft afgewezen. 5.3 Een verzoek tot wijziging van een overeenkomst betreffende levensonderhoud dient: ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 lid 5 BW te worden gegrond op de stelling dat deze overeenkomst destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven; en/of ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 BW te worden gegrond op de stelling dat deze overeenkomst nadien door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. 5.4 Het hof zal allereerst beoordelen of sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Grove miskenning wettelijke maatstaven 5.5 De moeder stelt zich primair op het standpunt dat de overeenkomst betreffende kinderalimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Er ligt geen enkele berekening ten grondslag aan het overeengekomen bedrag. De vader weigerde financiële gegevens te verstrekken als gevolg waarvan zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) destijds geschat moest worden en is gesteld op € 2.000,- per maand. De moeder had een minimuminkomen uit studiefinanciering. Op basis hiervan is (ook) de behoefte van [minderjarige] geschat. Gebleken is echter dat het inkomen van de vader op het moment dat de bijdrage werd afgesproken een stuk hoger was, te weten € 48.331,- per jaar. De vader heeft dit niet betwist. De overeengekomen bijdrage strookt dan ook niet met de bijdrage die op basis van dit hogere inkomen (door een rechter) zou zijn vastgesteld. 5.6 De vader betwist dat er sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Volgens hem hebben partijen destijds, onder deskundige bijstand van [naam advocaat] , bewust gekozen voor de overeengekomen bijdrage en zijn zij daarmee bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. De vader voegt hier nog aan toe dat het inkomen van de moeder over het jaar 2017 nog steeds onbekend is en dat de behoefte van [minderjarige] geheel wordt gedekt door het kindgebonden budget (KGB). 5.7 Het hof overweegt als volgt. Van grove miskenning van de wettelijke maatstaven is sprake wanneer, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter destijds zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich wel op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar - als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van die maatstaven of doordat zij daarbij zijn uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens - tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid. Bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven? 5.8 Het hof verwerpt het betoog van de vader dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. In de eerste plaats blijkt uit overgelegde (email)correspondentie van de moeder met haar advocaat [naam advocaat] dat ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan het inkomen van de vader niet bekend was (gemaakt). De advocaat is uitgegaan van een schatting van het inkomen van de vader. Reeds daarom kan niet worden gesteld dat door partijen bewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven. Verder verwijst het hof in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:422) en zijn prejudiciële beslissing van 1 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1689). De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. Hieruit volgt dat daarvan niet ten nadele van de minderjarige kan worden afgeweken, ook niet bewust. Gelet hierop is het, als er ten nadele van de minderjarige is afgeweken van de wettelijke maatstaven, voor de toepassing van artikel 1:401 lid 5 BW dus niet van belang of de ouders daarvan bewust zijn afgeweken of dat die afwijking het gevolg is van onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven of doordat zij uitgingen van onjuiste of onvolledige gegevens. Het gevolg hiervan is dat de rechter die heeft vastgesteld dat er sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen. Dit zal het hof dan ook doen. 5.9 Inmiddels zijn voldoende (inkomens)gegevens overgelegd om te kunnen beoordelen of de overeengekomen kinderalimentatie destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Naar het oordeel van het hof dient hiertoe allereerste de behoefte van [minderjarige] te worden vastgesteld. De behoefte van [minderjarige] 5.10 Niet in geschil is dat de ouders nimmer hebben samengewoond. Op grond van het Rapport Alimentatienormen wordt in een dergelijk geval de behoefte van het kind aldus bepaald, dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte, berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder. De inkomens van de ouders moeten dus niet eerst bij elkaar opgeteld worden. Het aldus gevonden eigen aandeel kan worden vermeerderd met de netto kosten van kinderopvang, dus na aftrek kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in die kosten door een werkgever. Anders dan de vader stelt is het door de moeder ontvangen kindgebonden budget niet van invloed op de behoefte van [minderjarige] . Wel zal dit worden opgeteld bij de draagkracht van de moeder, zoals hierna bij de bepaling van de draagkracht wordt overwogen. Bij de vader wordt geen kindgebonden budget in aanmerking genomen, nu gesteld noch gebleken is dat hij dat ontvangt. 5.11 Het hof zal voor de berekening van de (gemiddelde) behoefte van [minderjarige] uitgaan van het jaar 2017, het jaar waarin [minderjarige] geboren is. 5.12 Inmiddels heeft de vader zijn jaaropgave over het jaar 2017 overgelegd. Hieruit blijkt een jaarinkomen van € 48.331,-. Het hof heeft, op basis van dit inkomen, het NBI van de vader berekend op € 2.751,- per maand. Op basis van de behoeftetabel 2017 leidt dit (bij 4 kinderbijslagpunten) tot een totale behoefte van € 408,- per maand. 5.13 De moeder heeft in haar beroepschrift en ter zitting gesteld dat zij in 2017 studiefinanciering ontving. De vader heeft dit niet betwist. Nu de moeder geen (exacte) gegevens heeft overgelegd waaruit de hoogte van de door haar ontvangen studiefinanciering uit blijkt, gaat het hof er vanuit dat de moeder, gezien haar situatie, het maximale bedrag aan studiefinanciering heeft ontvangen. Voor het jaar 2017 komt het hof voor de moeder als uitwonende MBO-student uit op een netto maandbedrag van € 1.058,-Dit bedrag is als volgt opgebouwd: - een basisbeurs van € 268,59; - de maximale aanvullende beurs van € 359,41; - een lening van € 179,29; - een éénoudertoeslag van € 251,04; Het hof houdt verder nog rekening met het door de moeder ontvangen KGB van € 351,- per maand. Het NBI van de moeder bedraagt daarmee € 1.409,- per maand. Op basis van de behoeftetabel 2017 leidt dit (bij 4 kinderbijslagpunten) tot een totale behoefte van € 179,- per maand. 5.14 Het voorgaande leidt tot een gemiddelde behoefte van [minderjarige] van (€ 408,- + € 179,- / 2 =) € 293,- per maand. De netto kinderopvangkosten moeten hier nog bij opgeteld worden. Er zijn geen gegevens ten aanzien van de kinderopvangkosten in 2017 maar de moeder heeft ter zitting verklaard dat deze kosten vergelijkbaar waren met die in het jaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.