GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.288.020/01 Rolnummer rechtbank : C/09/585857/KG ZA 19-1255 arrest van 19 januari 2021 inzake DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid), zetel houdend te Den Haag, appellant, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. R.J. Wybenga te Rotterdam. Het geding Bij exploot van dagvaarding in spoedappel van 4 januari 2021 is de Staat in hoger beroep gekomen van het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 30 december 2020 (hierna: het eindvonnis), alsmede tegen het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 6 februari 2020. Bij de appeldagvaarding (met productie) heeft de Staat onder aanvoering van twee grieven gevorderd dat deze vonnissen worden vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen, met diens veroordeling in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met wettelijke rente, en met de verklaring dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal zijn. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden bij een memorie van antwoord (met drie producties). Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten ter zitting van dit hof van 14 januari 2021, de Staat door zijn advocaat, en [geïntimeerde] door zijn advocaat en diens kantoorgenoot mr. V. Sloeserwij. De raadslieden hebben zich hierbij bediend van pleitnota’s, die zij op de zitting hebben overgelegd. Het hof heeft met partijen besproken dat op 19 januari 2021 om 10.00 uur arrest wordt gewezen, en wel in de vorm van een kop-staart-arrest (met daarin enkel de beslissing) en dat de motivering ten spoedigste daarna wordt weergegeven in een uitgewerkt arrest. Dit is dat uitgewerkte arrest. Beoordeling van het hoger beroep 1. korte samenvatting van wat in dit arrest wordt beslist. 1.1 [geïntimeerde] is in 1984 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Hij heeft in de afgelopen jaren meerdere malen een verzoek om gratie ingediend. De Staat, laatstelijk de minister voor Rechtsbescherming, daartoe gemachtigd door de Koning (hierna: de minister), heeft deze verzoeken tot nu toe steeds afgewezen. 1.2 In deze zaak is het vierde gratieverzoek van [geïntimeerde] aan de orde. De minister heeft dit verzoek (voor de tweede keer) bij beslissing van 20 december 2019 afgewezen. [geïntimeerde] heeft tegen die beslissing een kort geding aanhangig gemaakt. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 30 december 2020 [geïntimeerde] in het gelijk gesteld omdat hij van oordeel was dat de minister zijn beslissing niet goed had gemotiveerd. De voorzieningenrechter heeft de Staat veroordeeld om binnen vier weken een nieuwe beslissing op het vierde gratieverzoek te nemen. 1.3 De Staat heeft tegen het vonnis van de voorzieningenrechter dit hoger beroep ingesteld. De zaak is in hoger beroep behandeld als een ‘(turbo)spoedappel’. In dit arrest beslist het hof dat de voorzieningenrechter terecht heeft beslist dat de minister een nieuwe beslissing op het vierde gratieverzoek moet nemen, omdat de beslissing van de minister inderdaad niet goed is gemotiveerd. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de voorzieningenrechter. 2. de feiten en de achtergronden van het geschil. 2.1 Bij op 1 juli 1985 onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 14 oktober 1984 is [geïntimeerde] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens een schietpartij in café “Het Koetsiertje” te Delft op 5 april 1983, waarbij zes doden vielen en enkele gewonden. [geïntimeerde] is op 7 april 1983 in detentie genomen. 2.2 Op 11 maart 1998 heeft [geïntimeerde] een gratieverzoek ingediend, dat aanleiding is geweest voor een onderzoek naar [geïntimeerde] en een advies hem te laten opnemen in een tbs-kliniek. Na overleg tussen de minister van Justitie en het Forensisch Psychiatrisch Centrum Dr. Henri van der Hoevenkliniek (hierna: de kliniek) is [geïntimeerde] op 31 augustus 2001 opgenomen in die kliniek. 2.3 Op 3 november 2016 is aan [geïntimeerde] transmuraal verlof toegekend. Dit komt er thans op neer dat [geïntimeerde] buiten de kliniek verblijft, werkt en (bij zijn gezin) woont. [geïntimeerde] staat nog wel onder toezicht van de kliniek. Het land verlaten of zich in het buitenland vestigen is hem niet toegestaan. 2.4 In de loop der jaren heeft [geïntimeerde] meerdere malen een gratieverzoek ingediend. Deze verzoeken zijn tot nu toe steeds afgewezen. 2.5 Op 25 maart 2019 heeft [geïntimeerde] een vierde gratieverzoek ingediend. Naar aanleiding van dit gratieverzoek heeft (de strafkamer van) dit hof in zijn advies van 23 juli 2019 de minister geadviseerd het verzoek toe te wijzen. Het hof heeft in dit advies deels verwezen naar zijn eerdere advies van 6 september 2018, gegeven naar aanleiding van een eerder (derde) gratieverzoek. Het hof heeft in zijn advies tevens acht geslagen op het evaluatieverslag van de kliniek van 13 september 2018. 2.6 Bij beslissing van 5 september 2019 heeft de minister het vierde gratieverzoek afgewezen. 2.7 Bij kort geding-vonnis van 5 november 2019 heeft de voorzieningenrechter beslist dat de minister een nieuwe beslissing op het vierde gratieverzoek moet nemen. De voorzieningenrechter baseerde zich in zijn vonnis (in ieder geval mede) op het criterium zoals geformuleerd in het arrest van dit hof van 6 mei 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:1167), waarin is overwogen dat de minister slechts van het rechterlijk advies kan afwijken indien sprake is van nieuwe omstandigheden. Inmiddels is door de uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1747) komen vast te staan dat de eis van nieuwe omstandigheden niet mag worden gesteld. 2.8 De Staat heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 5 november 2019. Dit hoger beroep, bij het hof aanhangig onder zaaknummer 200.272.250/01, is tezamen met de onderhavige zaak bepleit op 14 januari 2021. 2.9 Ter uitvoering van het vonnis van de voorzieningenrechter van 5 november 2019 heeft de minister bij beslissing van 20 december 2019 zijn beslissing van 5 september 2019 herroepen en het vierde gratieverzoek opnieuw afgewezen. De kern van de motivering van deze afwijzing luidt: “(…) Uw verzoek dient derhalve beoordeeld te worden tegen de achtergrond van artikel 2 onder B van de Gratiewet. Dat wil zeggen dat eerst beoordeeld dient te worden of aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Ondanks mijn eerdere opvattingen en de niet eensluidende adviezen daarover heeft de rechter in kort geding dusdanige kaders geschetst dat ik geen argumenten meer heb om te betogen dat niet aan artikel 2 onder B van de Gratiewet is voldaan. Ik leg mij daarom neer bij de meerderheid van de adviezen dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Dat wil echter niet zeggen dat daarmee automatisch tot gratieverlening overgegaan moet worden. De wet zegt immers dat als aan onderdeel B is voldaan gratie "kan" worden verleend. Er is derhalve ook dan nog sprake van een discretionaire bevoegdheid waarbinnen de kroon ruimte toekomt om een belangenafweging te maken met inachtneming van eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid. Daarbij dien ik de belangen van de maatschappij en de slachtoffers/nabestaanden enerzijds af te wegen tegen uw belang anderzijds. Ten aanzien van het maatschappelijk belang overweeg ik dat gratieverlening in casu tot grote maatschappelijke verontwaardiging zal leiden. Uit het eerder uitgevoerde slachtofferonderzoek is bovendien bekend dat de nabestaanden het verlies van hun dierbare nog lang niet verwerkt hebben. Bij hen zal gratiëring op groot onbegrip stuiten. Daartegenover staat uw belang om uw leven in vrijheid te kunnen vervolgen. Daarbij merk ik op dat u door het verloop van uw detentie feitelijk al zo goed als vrij bent. Voor u is gratieverlening derhalve een belangrijke stap qua formele status maar het materiele effect ervan is voor u beperkt. Naar mijn mening is voor u daarmee geen sprake (meer) van een inhumane of onrechtvaardige situatie. Als ik de in deze betrokken belangen tegen elkaar weeg dan ben ik van mening dat uw (nog beperkte) belang bij gratiëring op dit moment in redelijkheid niet opweegt tegen de belangen van maatschappij, slachtoffers en nabestaanden. (...)" 2.10 [geïntimeerde] is in dit kort geding opgekomen tegen deze (tweede) afwijzing van het vierde gratieverzoek. Hij vordert, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, dat de minister zijn beslissing herroept en een nieuwe beslissing op het (vierde) gratieverzoek neemt. De voorzieningenrechter heeft, voor zover thans nog van belang, de Staat veroordeeld om binnen vier weken na 30 december 2020 opnieuw te (doen) beslissen op het vierde gratieverzoek van [geïntimeerde] . 2.11 De voorzieningenrechter heeft zijn beslissing in het eindvonnis als volgt gemotiveerd. De erkenning van de minister dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend, impliceert dat de vergelding met verdere tenuitvoerlegging niet meer wordt gediend. Daarmee valt niet te rijmen dat de minister de grote maatschappelijke verontwaardiging waartoe gratieverlening zal leiden en de omstandigheid dat gratiëring bij de nabestaanden op groot onbegrip zal stuiten doorslaggevend acht in de door hem te maken belangenafweging. Dit laatste impliceert immers dat het strafdoel van vergelding tóch wordt gediend met de verdere tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing. Het instrument van gratie strekt er bovendien niet toe de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing. De motivering van de minister geeft daar echter wel blijk van. Van bijzondere omstandigheden om van het advies van de rechter af te wijken blijkt in die motivering niet of onvoldoende. Dat sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden geldt hier temeer nu afwijking van het advies van de rechter in voor [geïntimeerde] ongunstige zin plaatsvindt, aldus de voorzieningenrechter. 3. bespreking van de grieven. 3.1 In grief 1 (grief 2 heeft geen zelfstandige betekenis) komt de Staat op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de motivering van de minister om ondanks het positieve advies van de strafrechter toch geen gratie te verlenen die beslissing niet kan dragen. De Staat voert hiertoe (samengevat) het volgende aan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.