GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.268.153/01 Zaaknummer rechtbank: 7531488 RL EXPL 19-3712 Arrest van 4 mei 2021 (bij vervroeging) inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. I. Heijselaar te Amsterdam, tegen Koninklijke PostNL B.V., gevestigd te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: PostNL, advocaat: mr. F. Diepraam te Haarlem. Het geding Bij exploot van 10 oktober 2019 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 16 juli 2019 (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft PostNL de grieven bestreden. Op 6 april 2021 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden door middel van een videoconferentie waarbij sprake is van een directe beeld- en geluidsverbinding. Partijen hebben de zaak doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van pleitnotities, die tot de gedingstukken behoren. [appellant] heeft via een telefoonverbinding de zitting gevolgd en ook zelf het woord gevoerd. Vervolgens is arrest gevraagd. De beoordeling Feiten 1. De in het bestreden vonnis onder 2 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende. 1.1. Tussen partijen is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen ten behoeve van postdienstverlening. Op deze overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor de universele Postdienst (hierna: de AVP) van toepassing. Artikel 11 van de AVP luidt: 11.1 Koninklijke PostNL stelt voor het indienen van klachten inzake de uitvoering van de Overeenkomst een telefoonnummer beschikbaar. (…)11.2 Blijft er tussen Koninklijke PostNL en de Afzender zijnde een consument een geschil bestaan (…), dan kan de voornoemde Afzender dit geschil tegen betaling van het verschuldigde klachtengeld op elektronische wijze of schriftelijk aanhangig maken bij de onafhankelijke Geschillencommissie Post via www.degeschillencommissie.nl respectievelijk, Postbus 90600, 2509LP ’s-Gravenhage. (…)11.3 Geschillen tussen Koninklijke PostNL en Afzenders, zijnde consumenten, naar aanleiding van deze voorwaarden en de op grond daarvan van toepassing zijnde voorschriften, tarieven en regelingen kunnen bij wijze van bindend advies worden beslecht door de Geschillencommissie Post overeenkomstig haar reglement. Wenst de Afzender geen behandeling van een geschil door de Geschillencommissie Post of kan deze het geschil niet behandelen, dan kan hij het geschil aan de burgerlijke rechter voorleggen.(…) 1.2. Op 6 juni 2018 heeft [appellant] twee poststukken bij PostNL aangeboden om per aangetekende post te laten verzenden. De twee poststukken zijn op 11 juni 2018 zonder protest in ontvangst genomen door de geadresseerde. 1.3. Op 21 juni 2018 heeft [appellant] bij PostNL geklaagd dat de twee poststukken beschadigd zijn ontvangen en dat hij daardoor schade heeft geleden van € 2.000,--. 1.4. Rond 24 juli 2018 heeft [appellant] deze klacht ter beoordeling voorgelegd aan de Geschillencommissie Post (hierna: de Geschillencommissie). 1.5. Op 26 september 2018 heeft de Geschillencommissie de klacht ter zitting behandeld. [appellant] was niet ter zitting aanwezig. Op dezelfde datum heeft de Geschillencommissie een bindend advies (hierna: het bindend advies) gegeven. Dit luidt als volgt: ‘Het is betreurenswaardig dat het pakket niet zonder schade bezorgd kon worden althans als daarvan sprake is. Wat dat betreft is door de consument weinig aangevoerd en al helemaal niets aangetoond of aannemelijk gemaakt. Hij stelt dat de pakketbezorger de pakketten heeft laten vallen, maar enige bijzonderheid wordt niet opgegeven. Het is overigens belangrijk dat de verpakking tegen een stootje kan. De consument kan immers niet verwachten dat in het vervoersproces individuele behandeling van elk pakket plaatsvindt. Een deugdelijke verpakking is dan vanzelfsprekend van groot belang. De consument heeft geen enkele mededeling gedaan over de wijze van verpakking terwijl die hem toch bekend moet zijn. Van hem kan wellicht niet verwacht worden dat hij tevoren alles fotografeert maar wel dat hij informatie verschaft die relevant is. Er zijn wel wat foto’s later ingediend maar die geven onvoldoende inzicht, zeker zonder toelichting. De consument was niet ter zitting om daarover nadere vragen te beantwoorden. Voor zover hard schuimplastic is gebruikt – daar is iets van zichtbaar – zou het tegemoet kunnen komen aan de eisen maar er is ook bubbeltjesplastic te zien en dat kan geenszins voldoende geacht worden om het kennelijk 6 kilo zware apparaat te beschermen. Overigens kan niet worden uitgesloten dat de schade niet tijdens het vervoer heeft plaatsgevonden, wat een afzonderlijke reden zou zijn om niet tot het aannemen van aansprakelijkheid van de vervoerder over te kunnen gaan. Voor zover er reden zou zijn om tot vergoeding van de schade over te gaan is onvoldoende de hoogte daarvan aangetoond. Er is een factuur overgelegd uit 1997 en dat zou ertoe leiden aan te nemen dat de betreffende apparaten al lang afgeschreven zijn en geen economische waarde meer vertegenwoordigen. Er is al met al geen reden om de klacht gegrond te kunnen verklaren.’ De procedure in eerste aanleg 2. In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd het bindend advies te vernietigen en PostNL te veroordelen tot betaling van € 2.400,-- vermeerderd met rente en kosten. Aan zijn vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat gebondenheid aan het bindend advies in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat hij niet ter zitting is verschenen. 3. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering afgewezen en [appellant] in de kosten veroordeeld. De kantonrechter heeft daartoe overwogen: ‘4.1 De Geschillencommissie Post heeft de klacht van [appellant] ongegrond verklaard omdat de omstandigheden waaronder de twee poststukken beschadigd zijn geraakt alsmede de schade van € 2.400,00 niet worden aangetoond of aannemelijk zijn gemaakt door hem. De reden is derhalve niet, zoals [appellant] kennelijk meent, dat zijn klacht ongegrond is verklaard door niet te verschijnen op die zitting. De Geschillencommissie Post heeft slechts geconstateerd dat [appellant] niet op de zitting is verschenen waardoor de commissie niet de mogelijkheid had [appellant] nadere vragen te stellen over de omstandigheden waaronder de poststukken beschadigd zijn geraakt. Voor zover [appellant] heeft bedoeld aan te voeren dat dit een gebrek in de beslissing is, is dit zonder nader toelichting, die ontbreekt, onnavolgbaar. 4.2. Terecht heeft PostNL aangevoerd dat [appellant] in beginsel gebonden is aan het bindende advies van de Geschillencommissie Post, tenzij sprake blijkt te zijn van ernstige gebreken in de beslissing. Dat sprake is van ernstige gebreken waaronder de beslissing tot stand is gekomen is door [appellant] verder niet onderbouwd gesteld. Dit betekent dat de vordering als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen.’ Maatstaf voor vernietiging bindend advies 4. In deze zaak wordt de vernietiging van een bindend advies gevorderd. Als partijen overeenkomen dat zij de beslissing van hun geschil aan een derde opdragen – de beslissing van die derde is een bindend advies – zijn zij in beginsel aan die beslissing gebonden. Maar als gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing vernietigbaar (artikel 7:904 lid 1 BW). De terughoudende bewoordingen van deze maatstaf brengen mee dat niet elke onjuistheid in de beslissing kan leiden tot vernietiging van het bindend advies. Alleen ernstige gebreken in de beslissing kunnen gebondenheid aan de beslissing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. Dit geldt dus niet alleen voor de inhoud van de beslissing, maar ook voor de wijze van totstandkoming. Wat die laatste categorie betreft moet worden gedacht aan schending van een essentieel vormvereiste, zoals het beginsel van onpartijdigheid en van hoor en wederhoor. Grief III: bevoegdheid Geschillencommissie 5. Grief III omvat de meest verstrekkende klacht tegen het bestreden vonnis, om welke reden het hof deze grief eerst zal behandelen. De grief is gericht tegen rov. 4.2 van het bestreden vonnis. In de toelichting heeft [appellant] aangevoerd dat hij, anders dan PostNL stelt, de uitspraak van de Geschillencommissie niet als bindend heeft aanvaard. Volgens [appellant] moet iemand op het digitale formulier (productie G6), waarnaar PostNL verwijst, nadrukkelijk aanvinken dat hij de uitspraak van de Geschillencommissie als bindend advies wil accepteren. Uit het genoemde formulier blijkt echter niet dat hij dat heeft gedaan, aldus [appellant]. 6. Het hof stelt voorop dat, zoals in artikel 4 van het Reglement Geschillencommissie Post (hierna: het Reglement) is bepaald, de Geschillencommissie bevoegd is een geschil te behandelen indien en voor zover partijen zijn overeengekomen zich aan het bindend advies van de Geschillencommissie te onderwerpen. Als juist is dat [appellant], zoals hij heeft betoogd, niet heeft ingestemd met beslechting van het geschil door het bindend advies van de Geschillencommissie, zou de Geschillencommissie onbevoegd zijn geweest. 7. Uit de door PostNL als productie G5 overgelegde geprinte versie daarvan blijkt dat [appellant] op 24 juli 2018 een digitaal ingevuld formulier bij de Geschillencommissie heeft ingediend. PostNL heeft gesteld dat dit formulier door de indiener digitaal dient te worden ondertekend en dat hij daarmee verklaart zich te onderwerpen aan de bepalingen van het Reglement en de uitspraak als bindend advies te accepteren. PostNL heeft als voorbeeld van een dergelijke verklaring productie G6 overgelegd, dus niet als bewijs dat [appellant] het formulier digitaal heeft ondertekend. In dit verband heeft zij gesteld dat zonder digitale ondertekening het formulier niet kan worden verstuurd. Productie G6 is dus niet van belang voor de beoordeling of [appellant] ermee heeft ingestemd de beslissing aan de Geschillencommissie als bindend advies te accepteren. Artikel 7 lid 2 van het Reglement bepaalt dat het geschil aan de Geschillencommissie dient te worden voorgelegd door middel van een door de Geschillencommissie te verstrekken en door de consument in te vullen vragenformulier. Omdat [appellant] niet heeft betwist dat hij het als productie G5 overgelegde formulier heeft ingevuld en digitaal bij de Geschillencommissie heeft ingediend, is het hof van oordeel dat hij hiermee het geschil bij de Geschillencommissie aanhangig heeft gemaakt en dat [appellant] daardoor het in artikel 11.3 AVP neergelegde aanbod van PostNL heeft aanvaard om het geschil bij wijze van bindend advies te laten beslechten door de Geschillencommissie. Dat [appellant] hiermee heeft ingestemd vindt bovendien steun in de brief van [appellant] van 19 september 2018 aan de Geschillencommissie met als onderwerp ‘aanvulling klacht’ (productie G9), waarin hij op het verweerschrift van PostNL heeft gereageerd en de Geschillencommissie heeft bericht dat hij ‘gezien het vorenstaande onderbouwd met bewijstukken’ ervan uitgaat dat zijn klacht alsnog gegrond wordt verklaard met veroordeling van de tegenpartij in de kosten van het geding. Deze verklaringen en gedragingen van [appellant] kunnen redelijkerwijze niet anders worden begrepen dan dat hij de bevoegdheid van de Geschillencommissie heeft aanvaard om het geschil bij wijze van bindend advies te beslechten. 8. Deze grief is dus ongegrond.Grief I: (on)volledig dossier? 9. Grief I houdt de klacht in dat de kantonrechter niet alle relevante feiten heeft vastgesteld. In dit verband heeft [appellant] aangevoerd dat het de vraag is of het toegezonden dossier wel door PostNL en de Geschillencommissie compleet werd ontvangen. Het door de Geschillencommissie aan hem retour gezonden dossier bleek namelijk incompleet, aldus [appellant]. Hij heeft in dit verband aangevoerd hierin de hand te zien van een individuele medewerkster van PostNL die zijn klacht in behandeling had genomen en met wie hij eerder in aanvaring was gekomen. Verder heeft [appellant] bezwaar tegen de overweging in het bestreden vonnis dat de twee poststukken op 11 juni 2018 zonder bezwaar in ontvangst zijn genomen (rov. 2.2). Volgens hem is het niet realistisch te veronderstellen dat een geadresseerde de postpakketten bij ontvangst direct openmaakt en controleert. Maar de stukken waar hij een beroep op heeft gedaan en die hij bij de kantonrechter voorafgaand aan de zitting heeft ingediend, maken duidelijk dat PostNL de stukken niet onbeschadigd heeft afgeleverd, met schade aan zijn zijde tot gevolg, aldus [appellant]. [appellant] heeft geconcludeerd dat de rechtbank dit op basis van het voorhanden dossier ook had moeten constateren, maar heeft nagelaten, en hij heeft het hof verzocht dat in hoger beroep alsnog te doen. 10. Voor zover [appellant] met deze grief heeft beoogd te stellen dat PostNL welbewust, door de handelwijze van een medewerkster met wie hij onenigheid had, aan de Geschillencommissie een onvolledig dossier heeft gestuurd en dat de Geschillencommissie als gevolg hiervan zich geen juist oordeel heeft kunnen vormen van de zaak, kan het hof hem in die stelling niet volgen. [appellant] heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij zelf aan de Geschillencommissie wel een compleet dossier heeft toegestuurd. In dat verband is ook van belang dat uit het bindend advies blijkt dat de Geschillencommissie kennis heeft genomen van de overgelegde stukken en dat zij de door [appellant] toegestuurde foto’s in haar beslissing heeft betrokken. Dat en welke (andere) stukken aan het dossier zouden hebben ontbroken, heeft [appellant] in dit licht bezien niet, althans onvoldoende duidelijk toegelicht. 11. Wat betreft de behandeling van deze zaak in eerste aanleg, heeft [appellant] gesteld dat hij de stukken zelf bij de kantonrechter heeft ingediend. Zoals hiervoor onder 4 overwogen, geldt voor de rechter die moet oordelen of een bindend advies vernietigbaar is vanwege de inhoud daarvan als maatstaf dat gebondenheid daaraan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De kantonrechter had dus niet tot taak aan de hand van de overgelegde stukken te beoordelen of de beslissing van de Geschillencommissie inhoudelijk juist was. Hetzelfde geldt voor het hof die de zaak in hoger beroep beoordeelt. Het is niet aan het hof het werk van de Geschillencommissie over te doen en zelfstandig te beoordelen of PostNL jegens [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting uit de overeenkomst tussen partijen. Naar het oordeel van het hof voldoet het bindend advies wat betreft de inhoud aan de daaraan te stellen eisen. De Geschillencommissie heeft de klacht ongegrond verklaard omdat [appellant] onvoldoende had aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de schade was ontstaan door de handelwijze van (een pakketbezorger van) PostNL, terwijl [appellant] ook (de hoogte van) de schade onvoldoende had aangetoond. De Geschillencommissie heeft in haar uitspraak overwogen dat zij kennis heeft genomen van de overgelegde stukken en heeft de door [appellant] als bewijs ingediende foto’s ook inhoudelijk in haar beslissing betrokken. Die foto’s hebben haar geen aanleiding gegeven tot een ander oordeel. De beslissing van de Geschillencommissie is behoorlijk gemotiveerd. 11. Bij pleidooi heeft [appellant] nog een beroep gedaan op (kleuren)foto’s, met handgeschreven toelichtingen daarop, die aan de pleitnota zijn gehecht en die volgens hem duidelijke(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.