GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.254.536/01 rekestnummer rechtbank : HA RK 17-742 zaaknummer rechtbank : C/10/532959 beschikking van de meervoudige kamer van 28 april 2021 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat voorheen mr. F.J.V.H. Stoffels te Zevenbergen, thans zonder advocaat, tegen Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 De vader is op 13 februari 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De gecertificeerde instelling heeft op 25 juni 2019 een verweerschrift ingediend. 2.3 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van de vader van 13 februari 2019 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van de zijde van de vader van 26 maart 2019 met bijlagen, ingekomen op 27 maart 2019; - een journaalbericht van de zijde van de vader van 28 april 2019 met bijlagen, ingekomen op 29 april 2019; - een journaalbericht van de zijde van de vader van 14 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een faxbericht van de gecertificeerde instelling van 26 juni 2019, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van de zijde van de vader van 30 september 2019 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van de zijde van de gecertificeerde instelling van 29 december 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; 2.4 De mondelinge behandeling is op 4 oktober 2019 aangevangen en op 9 december 2020 en op 13 januari 2021 voortgezet. Tijdens laatstgenoemde voortzetting van de behandeling ter zitting heeft de vader mondeling een verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gedaan. Bij beslissing van de wrakingskamer d.d. 17 februari 2021 is het verzoek tot wraking afgewezen en is bepaald dat het proces in de hoofdprocedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Verder is bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdprocedure niet in behandeling zal worden genomen. Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen: - een brief van de zijde van de gecertificeerde instelling van 30 maart 2021, ingekomen op 31 maart 2021, vermeldend dat de gecertificeerde instelling niet aanwezig zal zijn bij de voortzetting van de mondelinge behandeling. De mondelinge behandeling is op 9 april 2021 voortgezet, tegelijk met de behandeling van de procedure tussen de vader en de gecertificeerde instelling met zaaknummer 200.254.935/01. Verschenen is: - de vader. De gecertificeerde instelling is met bericht niet verschenen. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2011 is de vader ontheven van het ouderlijk gezag over zijn zoon. De rechtsvoorganger van de gecertificeerde instelling, Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, is benoemd tot voogd van de zoon van [appellant] . 3.3 Na diverse procedures over de informatieverplichting van de gecertificeerde instelling jegens de vader, heeft het Hof Amsterdam bij beschikking van 20 februari 2018 het gedeelte van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2014 (C/10/441665 / FA RK 13-11250) waarin het verzoek van de vader tot vaststelling van een maandelijkse informatieverplichting is afgewezen, bekrachtigd. Het hof heeft daartoe het volgende – voor zover van belang - overwogen: 3.18 (...) Het hof ziet in hetgeen de man [de vader] naar voren heeft gebracht geen aanleiding om de huidige informatieregeling te wijzigen. De man heeft zijn stelling dat JRR [de gecertificeerde instelling] de op haar rustende verplichtingen niet zou nakomen onvoldoende toegelicht. Het had op de weg van de man gelegen om, bijvoorbeeld door overlegging van de verslagen die hij naar zijn zeggen wel heeft ontvangen, aan te tonen dat deze ondeugdelijk zouden zijn en niet voldoen aan de daaraan gestelde vereisten Een dergelijke onderbouwing ontbreekt. Het verzoek van de man zal derhalve worden afgewezen. (...) 3.4 Voornoemd arrest van het hof is de meest recente beslissing omtrent de informatieverplichting van de gecertificeerde instelling jegens de vader. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank afgewezen het verzoek van de vader om de gecertificeerde instelling te gebieden om aan hem tweejaarlijks volledige dossierinzage te mogen hebben, waarbij voor nu te doen toekomen binnen 2 weken na het geven van de beschikking het volledige dossier, inclusief de volgende stukken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere keer dat de gecertificeerde instelling hiermee in gebreke is/blijft tot een maximum van € 20.000,00 althans zodanige dwangsom en maximum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren vast te stellen: - het complete dossier vanaf november 2004, inclusief alle contactjournaals en het verslag van het intern overleg van 15 november 2011 - alle voortgangsbesprekingen teamleider/maatschappelijk werker (elke 4-8 weken) - alle overleggen teamleider/gedragsdeskundige (tweewekelijks) - alle teamvergaderingen (elke maand) - alle kwartaalrapportages - alle gespreksverslagen directeur/teamleider en gedragsdeskundige (tweejaarlijks). Voorts is de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek de verbeurde dwangsommen van vijf maal het maximum van € 1.260,00 = € 6.300,00 toe te kennen. 4.2 De vader is het niet eens met deze beslissing en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw beschikkende: 1. de verbeurde dwangsommen van 5 maal het bedrag ad € 1.260,- toe te kennen; 2. de gecertificeerde instelling te gebieden om aan hem tweejaarlijks volledige dossierinzage te mogen hebben, waarbij voor nu te doen toekomen binnen 2 weken na het in deze te wijzen beschikking het volledige dossier, inclusief de volgende stukken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere keer dat verweerder hiermee in gebreke is/blijft tot een maximum van € 100.000,00 althans zodanige dwangsom en maximum als het hof juist acht vast te stellen: - het complete dossier vanaf november 2004, inclusief alle contactjournaals en het verslag van het intern overleg van 15 november 2011; - alle voortgangsbesprekingen teamleider / maatschappelijk werker (elke 4-8 weken); - alle overleggen teamleider / gedragsdeskundige (tweewekelijks); - alle teamvergaderingen (elke maand); - alle gespreksverslagen directeur / teamleider en gedragsdeskundige (tweejaarlijks). 4.3 De gecertificeerde instelling bestrijdt het hoger beroep van de vader en verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, indien nodig onder aanvulling of verbetering van de (rechts)gronden de vader in het door hem ingestelde appel tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de door hem ingediende verzoeken af te wijzen, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure. 5De motivering van de beslissing Standpunten 5.1 De vader voert kort samengevat het volgende aan. Grief I: Ten onrechte heeft de rechtbank in punt 4.1 van de beschikking overwogen dat de vader zich tot de bestuursrechter zou moeten wenden. De rechtbank Rotterdam oordeelde al eerder dat een verzoek tot dossierinzage bij de civiele rechter thuis hoort. De vader verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam in ECLI:NL:RBROT:2016:7423. Dit dient door middel van een verzoekschriftprocedure te gebeuren, hetgeen de vader gedaan heeft. Het kan dan niet zo zijn dat de civiele rechter vervolgens de zaak weer terugverwijst naar de bestuursrechter. Grief II: Ten onrechte heeft rechtbank in punt 4.3 het verzoek om dossierinzage vereenzelvigd met een verzoek om (een) informatie(voorziening, in casu een kwartaalrapportage). Een verzoek om informatie (gebaseerd op art. 1:377c BW) is niet hetzelfde als een dossierinzageverzoek (gebaseerd op het Privacyreglement Jeugdzorg). Het dossier bevat veel meer informatie dan alleen de informatie met betrekking tot de kwartaalrapportages, zoals contactjournaals, voortgangsgesprekken, overleggen, teamvergaderingen en gespreksverslagen. Het gaat dan met name om de periodieke evaluaties van de kinderbeschermingsmaatregel. De evaluatieverplichting betreft óók de niet-juridische ouder. Ouders zonder gezag zijn ook belanghebbende. De vader verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2018:463. Het is de vader niet duidelijk waarom de rechtbank deze procedures met elkaar verwart. Grief III: Ten onrechte heeft de rechtbank in punt 4.3 overwogen dat het verzoek van de vader uitsluitend om gegevens van zijn zoon te doen zou zijn. Het is de vader zowel om zijn eigen gegevens, als die van zijn zoon te doen. Met name periodieke evaluaties betreffen zowel de vader als zijn zoon. Immers, het sociale netwerk moet betrokken worden bij deze evaluaties. Dergelijke evaluaties bevatten zowel informatie van de vader als zijn zoon, zodat niet eenvoudig te splitsen is waar de vader wel of geen recht op zou hebben. De vader verwijst naar de eigen klachtencommissie van de gecertificeerde instelling, destijds nog Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam. Vastgesteld werd dat een ouder met een informatierecht een overzicht dient te ontvangen van de informatie die niet ingezien zou mogen worden. Grief IV: Ten onrechte heeft de rechtbank de vader in de proceskosten veroordeeld. Vanwege het structureel oneerlijk procederen door de gecertificeerde instelling, de verschuldigde dwangsommen en de misslag van de rechtbank dienen de proceskosten van de man ten laste te komen van de gecertificeerde instelling. De vader verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van State in ECLI:NL:RVS:2018:1106. Het betreft dan in ieder geval verletkosten, reiskosten en advocaatkosten. 5.2 De gecertificeerde instelling voert in het verweerschrift - kort samengevat - het volgende aan. Voor de gecertificeerde instelling is uit de proceshouding van de vader af te leiden dat hij geen enkel (proces)belang heeft bij het onderhavige beroepschrift en tevens is duidelijk dat hij door middel van de onderhavige procedure niet het belang van zijn zoon dient. De gecertificeerde instelling verzoekt het hof dan ook de verzoeken van de vader wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk te verklaren. De gecertificeerde instelling meent dat in de onderhavige kwestie van een concreet en nader onderbouwd verzoek geen sprake is. De gecertificeerde instelling meent dat er sprake is van "fishing expedition" en het hoger beroep van de vader reeds op deze grond onhoudbaar is. De gecertificeerde instelling heeft verder de grieven van de vader gemotiveerd bestreden. Wrakingsverzoek en verzoek om aanhouding 5.3 De vader heeft ter terechtzitting op 9 april 2021 een verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ingediend tegen mr. [jongste raadsheer] op de volgende gronden: 1. Hierbij wraak ik [jongste raadsheer] in verband met een eerdere administratieve wraking. 2. Wraking werkt jegens de partij, niet in/tegen de zaak. 3. Zij had net als [raadsheer in het hof Den Haag] nooit op deze zaak mogen dan wel moeten zitten. 5.4 Het hof heeft, na schorsing, ter zitting meegedeeld het wrakingsverzoek buiten behandeling te laten en voort te gaan met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het hof licht dit als volgt toe. Het hof neemt tot uitgangspunt wat de strafkamer van de Hoge Raad op 16 maart 2021 heeft beslist (ECLI:NL:HR:2016:370) over de mogelijkheid van uitzonderingen op het algemene uitgangspunt dat een verzoek tot wraking behoort te worden behandeld door een wrakingskamer: 2.6 (…) Dit neemt echter niet weg dat zich tijdens de behandeling van strafzaken uitzonderlijke gevallen kunnen voordoen waarin als gevolg van hetzij herhaalde wrakingsverzoeken, hetzij evident niet als wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 en 513 Sv aan te merken verzoeken, de strafrechter de bevoegdheid — niet de verplichting — heeft te bepalen dat zo’n (wrakings)verzoek niet in behandeling wordt genomen. De belangen van een goede procesorde — die mede strekken tot bescherming van de belangen van andere procesdeelnemers waaronder slachtoffers — en van een goede en tijdige rechtspleging in strafzaken, prevaleren in een dergelijk geval boven het hiervoor genoemde algemene uitgangspunt. Dat uitgangspunt brengt wel mee dat de zittingsrechter met terughoudendheid toepassing geeft aan de bevoegdheid een (wrakings)verzoek niet in behandeling te nemen. Als de rechter aan die bevoegdheid toepassing geeft, moet hij ervan blijk geven dat en waarom naar zijn oordeel zich één van de onder 2.7.1 - 2.7.3 bedoelde gevallen voordoet. 2.7.1 Een dergelijk geval waarin het verzoek buiten behandeling kan blijven, doet zich in de eerste plaats voor als een eerder wrakingsverzoek in dezelfde strafzaak met betrekking tot dezelfde rechter(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.