GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.254.935/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 18-2042 zaaknummer rechtbank : C/10/546654 beschikking van de meervoudige kamer van 28 april 2021 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat voorheen mr. F.J.V.H. Stoffels te Zevenbergen, thans zonder advocaat, tegen Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Rijnmond, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: [belanghebbenden] , hierna te noemen: de pleegouders, advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 De vader is op 20 februari 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De gecertificeerde instelling heeft op 29 april 2019 een verweerschrift ingediend. 2.3 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een brief van de zijde van de vader van 4 april 2019 met bijlagen, ingekomen op 9 april 2019; - een fax van de zijde van de GI van 10 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; 2.4 De minderjarige heeft zijn mening per e-mailbericht kenbaar gemaakt. 2.5 De mondelinge behandeling is op 10 mei 2019 aangevangen en op 20 november 2019, 25 juli 2020, 12 november 2020 en 13 januari 2021 voortgezet. Tijdens laatstgenoemde voortzetting van de behandeling ter zitting heeft de vader mondeling een verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gedaan. Bij beslissing van de wrakingskamer d.d. 17 februari 2021 is het verzoek tot wraking afgewezen en is bepaald dat het proces in de hoofdprocedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Verder is bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdprocedure niet in behandeling zal worden genomen. Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen: - een brief van de zijde van de gecertificeerde instelling van 30 maart 2021, ingekomen op 31 maart 2021, vermeldend dat de gecertificeerde instelling niet aanwezig zal zijn bij de voortzetting van de mondelinge behandeling; - een journaalbericht d.d. 8 april 2021 van mr. G.E. van der Pols, advocaat van de pleegouders, , ingekomen op diezelfde dag, vermeldend dat om hun moverende redenen de pleegouders noch de advocaat zullen verschijnen ter zitting. De mondelinge behandeling is op 9 april 2021 voortgezet. Verschenen is: - de vader. De gecertificeerde instelling en de pleegouders zijn met bericht niet verschenen. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 De vader is de biologische vader van de minderjarige: [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige). 3.3 Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2005 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld en is machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg. 3.4 De minderjarige verblijft sinds 1 maart 2005 in het huidige pleeggezin. 3.5 Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2011 is de vader ontheven uit het ouderlijk gezag over de minderjarige en is Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (thans: de gecertificeerde instelling) benoemd tot voogdes over de minderjarige. 3.6 Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2012 is - voor zover thans van belang - bepaald dat de gecertificeerde instelling de vader met ingang van 23 augustus 2012 eenmaal per kwartaal schriftelijk op de hoogte stelt omtrent belangrijke ontwikkelingen die de persoon van het minderjarig kind of diens verzorging en opvoeding. 3.7 Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 8 mei 2013 is de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2012 bekrachtigd. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank afgewezen de verzoeken van de vader, inhoudende: de gecertificeerde instelling te gebieden de vader ieder kwartaal schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen van de minderjarige, op het gebied van gezondheid, schoolprestaties, vrijetijdsbesteding en sociaal leven; daaronder begrepen het toezenden van recente foto's van de minderjarige, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,- voor elke keer dat de gecertificeerde instelling deze verplichting niet nakomt, met een maximum van € 120,000,-, althans zodanige bedragen die de rechtbank juist acht; de gecertificeerde instelling te gebieden ieder kwartaal met de man de kinderbeschermingsmaatregel te evalueren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,- voor elke keer dat de gecertificeerde instelling deze verplichting niet nakomt met een maximum van € 120.000,-, althans zodanige bedragen die de rechtbank juist acht; de gecertificeerde instelling op te dragen alle evaluatieverslagen van de voogdijmaatregel in de periode 2004 tot en met heden, inclusief de concepten daarvan, in deze procedure over te leggen, of straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor elke dag dat de gecertificeerde instelling deze verplichting niet nakomt, met een maximum van € 50.000,- uitvoerbaar bij voorraad, althans zodanige bedragen die de rechtbank juist acht. Het verzoek van de gecertificeerde instelling om de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen, met veroordeling van de vader in de proceskosten is eveneens afgewezen. 4.2 De vader is het niet eens met deze beslissingen en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw beschikkende: de gecertificeerde instelling te gebieden ieder kwartaal verzoeker schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen van zijn minderjarige kind, [naam minderjarige] , op het gebied van gezondheid, schoolprestaties, vrijetijdsbesteding en sociaal leven, daaronder begrepen het toezenden van recente foto's van voornoemd minderjarig kind, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,00 voor elke keer dat de gecertificeerde instelling deze verplichting niet nakomt, met een maximum van € 120.000,00, althans zodanige bedragen die het hof juist acht; de gecertificeerde instelling te gebieden ieder kwartaal met de vader de kinderbeschermingsmaatregel te evalueren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,00 voor elke keer dat de gecertificeerde instelling deze verplichting niet nakomt, met een maximum van € 120.000,00, althans zodanige bedragen die het hof juist acht; te besluiten de Hoge Raad om een prejudiciële beslissing te verzoeken met betrekking tot de vraag op welke wijze vormgegeven kan worden aan het recht van een ouder om de kinderbeschermingsmaatregel van diens kind periodiek te evalueren. 4.3 De gecertificeerde instelling voert gemotiveerd verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien de verzoeken van de vader in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de beschikking, af te wijzen. 5De motivering van de beslissing Standpunten 5.1 De vader voert kort samengevat het volgende aan. Grief I en II: Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de informatieregeling wordt nagekomen. De kwartaalrapportages worden de vader niet toegezonden en ook wordt hij niet schriftelijk geïnformeerd als er tussentijds belangrijke gebeurtenissen plaatsvinden die de minderjarige betreffen. De vader stelt in dit verband dat het niet meewerken aan het uitvoeren van een door de rechter opgelegde informatieregeling een grond oplevert om de gecertificeerde instelling uit de voogdij te ontzetten. Grief III: Ten onrechte stelt de rechtbank dat een voogdijmaatregel geen kinderbeschermingsmaatregel is en wijst de rechtbank het verzoek van de vader af. Grief IV: Ten onrechte stelt de rechtbank dat er geen wettelijke grondslag zou zijn om te evalueren. De verplichting periodiek te evalueren vloeit volgens de vader voort uit artikel 25 IVRK en uit jurisprudentie van het EHRM. Grief V: Ten onrechte heeft de rechtbank [de minderjarige] niet gehoord. Grief VI: Ten onrechte stelt de rechtbank dat de vader bij [de minderjarige] onrust zou veroorzaken door de vele procedures en dat het belang van de minderjarige zich tegen het verschaffen van die informatie (evaluatieverslagen) verzet. Grief VII: Ten onrechte veroordeelde de rechtbank de gecertificeerde instelling niet in de proceskosten. De vader biedt aan [naam] als getuige te doen horen. De vader wil voorts een aantal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorleggen. 5.2 De gecertificeerde instelling heeft de grieven van de vader gemotiveerd betwist. Wrakingsverzoek en verzoek om aanhouding 5.3 De vader heeft ter terechtzitting op 9 april 2021 een verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ingediend tegen mr. [jongste raadsheer] op de volgende gronden: 1. Hierbij wraak ik [jongste raadsheer] in verband met een eerdere administratieve wraking. 2. Wraking werkt jegens de partij, niet in/tegen de zaak. 3. Zij had net als [raadsheer in het hof Den Haag] nooit op deze zaak mogen dan wel moeten zitten. 5.4 Het hof heeft, na schorsing, ter zitting meegedeeld het wrakingsverzoek buiten behandeling te laten en voort te gaan met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het hof licht dit als volgt toe. Het hof neemt tot uitgangspunt wat de strafkamer van de Hoge Raad op 16 maart 2021 heeft beslist (ECLI:NL:HR:2016:370) over de mogelijkheid van uitzonderingen op het algemene uitgangspunt dat een verzoek tot wraking behoort te worden behandeld door een wrakingskamer: 2.6 (…) Dit neemt echter niet weg dat zich tijdens de behandeling van strafzaken uitzonderlijke gevallen kunnen voordoen waarin als gevolg van hetzij herhaalde wrakingsverzoeken, hetzij evident niet als wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 en 513 Sv aan te merken verzoeken, de strafrechter de bevoegdheid — niet de verplichting — heeft te bepalen dat zo’n (wrakings)verzoek niet in behandeling wordt genomen. De belangen van een goede procesorde — die mede strekken tot bescherming van de belangen van andere procesdeelnemers waaronder slachtoffers — en van een goede en tijdige rechtspleging in strafzaken, prevaleren in een dergelijk geval boven het hiervoor genoemde algemene uitgangspunt. Dat uitgangspunt brengt wel mee dat de zittingsrechter met terughoudendheid toepassing geeft aan de bevoegdheid een (wrakings)verzoek niet in behandeling te nemen. Als de rechter aan die bevoegdheid toepassing geeft, moet hij ervan blijk geven dat en waarom naar zijn oordeel zich één van de onder 2.7.1 - 2.7.3 bedoelde gevallen voordoet. 2.7.1 Een dergelijk geval waarin het verzoek buiten behandeling kan blijven, doet zich in de eerste plaats voor als een eerder wrakingsverzoek in dezelfde strafzaak met betrekking tot dezelfde rechter(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.