GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.275.067/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/563246 / HA ZA 18-1163 Vindplaats vonnis : ECLI:NL:RBDHA:2020:560 arrest van 25 mei 2021 inzake De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie & Veiligheid), zetelend te Den Haag, appellant in het principaal hoger beroep,verweerder in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. A. Th. M. ten Broeke te Den Haag, tegen [verweerder], thans gedetineerd in de P.I. [plaats], verweerder in het principaal hoger beroep,appellant in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: [verweerder], advocaat: mr. T. de Boer te Amsterdam. De processtappen Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:- het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2020 (hierna het vonnis) en het procesdossier van de rechtbank;- het arrest in het incident in deze zaak van 7 juli 2020 en de daarin genoemde processtukken;- de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep;- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep. Op 15 april 2021 is de zaak mondeling met een videoverbinding voor het hof behandeld ter zitting. Partij [verweerder] heeft de zitting met een videoverbinding vanuit de PI bijgewoond. De advocaten hebben ieder vlak voor de zitting een pleitnota overgelegd. De Staat heeft op voorhand productie 28 overgelegd. Aan het slot van de zitting is uitspraak (arrest) bepaald. De zaak in het kort 3. [verweerder], die de Nederlandse nationaliteit heeft, is in 2010 in België veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf voor de moord op zijn vriendin. Hij is sinds 30 december 2007 gedetineerd en is op 11 april 2013 naar Nederland overgebracht om hier zijn straf verder uit te zitten. De discussie in deze zaak gaat om de vraag of deze straf moet worden ‘omgezet’, met de kans dat de straf lager wordt, of dat deze moet worden ‘voortgezet’, zodat de straf levenslang blijft. De Staat vindt het laatste. [verweerder] vindt dat om vele redenen onrechtmatig. De rechtbank heeft [verweerder] gelijk gegeven en de Staat bevolen om alsnog de ‘omzettingsprocedure’ toe te passen. Het hof zal, gelet op de grieven van de Staat, opnieuw over deze kwestie oordelen. De (indertijd) relevante wettelijke bepalingen 4. De Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, zoals die gold van 1 juli 2011 t/m 31 december 2012 (hierna: Wots (oud)).Hfst III van de Wots (oud) regelt de procedure. Afdeling C daarvan (de artikelen 18 t/m 33) gaat blijkens het opschrift over de ‘gerechtelijke procedure’ (ook wel genoemd: de omzettings- of exequaturprocedure), waarbij de rechtbank over de omzetting beslist, nadat veroordeelde in de gelegenheid is geweest om te worden gehoord. Afdeling D daarvan (de artikelen 34 t/m 43) gaat blijkens het opschrift over de ‘buitengerechtelijke procedures’. Artikel 43 staat in § 3, met als opschrift ‘Onmiddellijke tenuitvoerlegging’ en luidt als volgt: “1. Voor zover een verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet kan, op aanwijzing van Onze Minister, de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van een in een vreemde Staat opgelegde tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie in Nederland plaatsvinden buiten toepassing van afdeling C van dit hoofdstuk. 2. De in het vorige lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gegeven, indien uit een door de veroordeelde ondertekende verklaring blijkt dat hij met zijn instemming naar Nederland is overgebracht met het oog op de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de hem opgelegde sanctie. 3. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gegeven nadat advies is ingewonnen van de bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie. 4. Hangende de beslissing tot het geven van een aanwijzing, kan de veroordeelde met toepassing van de artikelen 8–12 voorlopig van zijn vrijheid worden beroofd. 5. De tenuitvoerlegging van de in het eerste lid bedoelde sanctie geschiedt op last van de officier van justitie, aan wie op de voet van het bepaalde in de artikelen 15 of 17 de stukken in handen zijn gesteld.” 5. Artikel 10 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP) gaat over de voortzetting van de straf in de Staat van tenuitvoerlegging. Artikel 11 VOGP gaat om de omzetting van de straf in de Staat van tenuitvoerlegging. 6. Artikel 3 Aanvullend Protocol (hierna: AP) bij het VOGP luidt als volgt:“1. Op verzoek van de Staat van veroordeling kan de Staat van tenuitvoerlegging, met inachtneming van de bepalingen van dit artikel, ermee instemmen een gevonniste persoon zonder de instemming van die persoon over te brengen, wanneer de tegen hem uitgesproken veroordeling of een daaruit voortvloeiende administratieve beslissing een bevel tot uitzetting of uitwijzing inhoudt of enige andere maatregel krachtens welke het aan die persoon na zijn invrijheidsstelling niet langer is toegestaan op het grondgebied van de Staat van veroordeling te verblijven.2. De Staat van tenuitvoerlegging geeft pas zijn instemming als bedoeld in het eerste lid nadat hij de mening van de gevonniste persoon in zijn overwegingen heeft betrokken. De achtergronden van de zaak 7. In aansluiting op overweging 3 volgt hierna verdere informatie over de zaak. 8. Het VOGP (met AP) regelt tussen Staten (zoals België en Nederland) dat personen die in het buitenland zijn bestraft, hun straf in Nederland kunnen uitzitten. Voor zover voor deze zaak van belang, was dit verdrag geïmplementeerd in de Wots (oud). Op basis daarvan is een uitvoeringsbeleid in Nederland ontwikkeld. Dit uitvoeringsbeleid ging indertijd uit van de omzettingsprocedure als hoofdprocedure waarbij ‘omzetting’ van de straf zou plaatsvinden bij overbrenging naar Nederland. Op grond van artikel 43 Wots (oud) was ook ‘voortzetting’ van de straf mogelijk. De veroordeelde moest dan wél (op grond van artikel 43 lid 2) vooraf laten weten dat hij instemde met overbrenging naar Nederland met het oog op de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de hem opgelegde sanctie. 9. De toenmalige Minister van Justitie heeft per 1 oktober 2011 dit uitvoeringsbeleid gewijzigd, omdat de meeste landen alleen zouden willen toestemmen in tenuitvoerlegging van de straf in Nederland wanneer de straf zou worden voortgezet (en dus niet zou worden omgezet). Deze problematiek speelt overigens niet bij België. Sindsdien is ‘voortzetting’ de hoofdregel van het beleid. Dit is later vastgelegd in een wet in formele zin, te weten de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: de WETS), die op 1 november 2012 in werking is getreden. Hiermee heeft Nederland uitvoering gegeven aan (onder meer) het Europese Kaderbesluit 2008/909/JBZ (hierna: het Kaderbesluit), dat binnen de EU voorziet in voortgezette tenuitvoerlegging van de straf (hierna ook: ‘voortzetting’). Het Kaderbesluit kent in artikel 28 lid 1 een overgangsregeling. De strekking hiervan is dat bij verzoeken vóór 1 december 2011 (zoals in het geval van [verweerder]) de oude regeling, dus in dit geval de Wots (oud) geldt. 10. [verweerder] is op 6 januari 2011 en 1 februari 2011 in België gehoord op zijn verzoek om overbrenging naar Nederland om daar zijn straf verder uit te zitten. Toen een spoedige overbrenging uitbleef heeft [verweerder] zijn verzoek ingetrokken (vaststelling rechtbank, waartegen niet in gegriefd). 10. [verweerder] is daarna, en wel op 3 november 2011 door de Belgische autoriteiten tot ongewenst vreemdeling verklaard. 10. België heeft op 17 november 2011 (op 25 november 2011 bij het Ministerie ontvangen) het verzoek gedaan aan Nederland tot overbrenging van [verweerder], zonder zijn akkoord, met toepassing van artikel 3 AP. De brief vervolgt met: “Mag ik u vragen mij te informeren of u akkoord gaat met dit verzoek tot overbrenging. Indien de Nederlandse overheid kan instemmen met deze overbrenging, verzoek ik u (………….) en mij te informeren over de verdere tenuitvoerlegging dan wel de omzetting van de Belgische vrijheidsstraf.” 10. Artikel 3 lid 1 AP voorziet, zoals in de hiervoor geciteerde wettekst is vermeld, in de mogelijkheid om een tot ongewenst vreemdeling verklaarde veroordeelde op verzoek van de Staat van veroordeling zonder zijn instemming over te brengen naar de Staat van tenuitvoerlegging. De Staat van tenuitvoerlegging kan aan dit verzoek te voldoen. Hij geeft deze instemming pas nadat hij de mening van de veroordeelde in zijn overwegingen heeft betrokken (artikel 3 lid 2 AP). 10. De bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem heeft op grond van artikel 43 lid 3 Wots (oud) op 4 oktober 2012 aan de Minister van Veiligheid en Justitie een positief advies uitgebracht over het verzoek van de Belgische autoriteiten van 17 november 2011 en over de voortzetting van de straf. Daarbij heeft het hof onder meer overwogen: “Naar het oordeel van het hof kan daarmee niet geconcludeerd worden dat voortgezette tenuitvoerlegging van de opgelegde straf als levenslange gevangenisstraf thans gezien zou moeten worden als een strafverzwaring. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat hier te lande de mogelijkheid van gratieverlening bestaat.” [verweerder] is niet door de bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem gehoord; de adviesprocedure voorziet daar ook niet in. De bijzondere kamer heeft ten tijde van het uitbrengen van haar advies niet geweten dat [verweerder] zijn verzoek om overbrenging naar Nederland had ingetrokken. 10. De Minister heeft bij brief van 20 november 2012 aan de Belgische autoriteiten laten weten in te stemmen met overbrenging van [verweerder] naar Nederland waarbij de voortzettingsprocedure van artikel 10 VOGP zal worden gevolgd. 16. [verweerder] is op 11 april 2013 overgebracht naar Nederland en zit sindsdien zijn levenslange gevangenisstraf verder uit in Nederland op basis van de voortzettingsprocedure. 16. De voorzitter van de bijzondere kamer van het hof dat voormeld advies van 4 oktober 2012 heeft uitgebracht, heeft op 12 februari 2020 aan [medewerker], werkzaam bij afdeling IOS Van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de volgende e-mail gezonden: “Hoi [medewerker], Excuses voor de wat late reactie op het vonnis [hof: bedoeld wordt het thans bestreden vonnis van 29 januari 2020]. Volgens mij houdt de instemmingseis niet in dat de veroordeelde moet instemmen met een van de procedure, exequatur of voortgezette tul, zoals de rechtbank zegt, maar met de overbrenging op zich. Zo staat het ook in de tekst van het verdrag en de toelichting. Zo hebben wij het ook nooit uitgelegd. Ook het Kb ter uitvoering van artikel 58 WOTS differentieert niet. Het zou ook wel wat ver gaan, als de veroordeelde over de te volgen procedure – de ene of de andere – zou mogen ‘beslissen’. Groet […] () www.rechtspraak.nl” Ter zitting heeft de Staat verklaard dat de voorzitter van de bijzondere kamer van het hof heeft ingestemd met het verstrekken van deze e-mail in de procedure. De vordering van [verweerder] en het vonnis van de rechtbank 18. [verweerder] heeft (samengevat) gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:voor recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld; en primairom de Staat te veroordelen alsnog de omzettingsprocedure (de exequaturprocedure) toe te passen en hem schadevergoeding toe te kennen, althans de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure;subsidiairom de Staat te veroordelen te beslissen op een nog op te stellen gratieverzoek van [verweerder];meer subsidiairom de Staat te verplichten (al dan niet via gratie) de straf gelijk te stellen met de te verwachten effectieve strafduur in België;enin alle gevallenom de Staat te veroordelen, in afwachting van een oordeel over de straftoemeting, [verweerder] onmiddellijk in vrijheid te stellen, dan wel hem in elektronische detentie te plaatsen, dan wel hem onder een aangepast detentieregime te plaatsen, enom de Staat te veroordelen tot betaling van immateriële schadevergoeding, althans verwijzing naar de schadestaatprocedure. 18. De rechtbank heeft als volgt beslist6.1 verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerder] door in strijd met artikel 43 lid 2 WOTS zonder instemming van [verweerder] de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging toe te passen bij het overnemen van de tenuitvoerlegging van zijn in België opgelegde straf.6.2 beveelt de Staat de beslissing tot voortgezette tenuitvoerlegging te herroepen en alsnog de in de WOTS neergelegde omzettingsprocedure toe te passen;6.3 compenseert de proceskosten in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen;6.4 verklaart de onder 6.2 bedoelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;6.5 wijst af het meer of anders gevorderde. De grieven van partijen in hoger beroep 20. De Staat klaagt in het principaal hoger beroep met zijn vier grieven over de uitleg van artikel 43 lid 2 Wots (oud) in samenhang met artikel 3 AP. Meer specifiek bevatten de grieven, voor zover van belang, de volgende klachten.Grief I bevat als klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 43 lid 2 Wots (oud) inhoudt dat voor toepassing van de voortgezette tenuitvoerlegging de instemming van veroordeelde is vereist. Volgens de Staat is die eis niet in lid 2 te lezen; slechts instemming met overbrenging is vereist. Deze heeft veroordeelde in januari en februari 2011 gegeven. Bovendien is de rechtbank (Grief IV) zonder nadere motivering afgeweken van het advies van de bijzondere kamer van het hof Arnhem-Leeuwarden van 4 oktober 2012. Grieven II en III gaan over de uitleg van artikel 3 AP in samenhang met artikel 43 Wots (oud). De verdragsbepaling van artikel 3 AP (overbrenging zonder instemming) zet de nationale bepaling van artikel 43 lid 2 Wots (oud) opzij, althans voor zover deze onverenigbaar is met de verdragsbepaling. Daarvan is hier sprake, aldus nog steeds de Staat. Het oordeel van de rechtbank dat de Staat was aangewezen op de Omzettingsprocedure is onjuist, nu artikel 43 lid 2 Wots (oud) niet vereist dat [verweerder] zijn instemming gaf voor toepassing van de voortgezette tenuitvoerlegging. 20. [verweerder] klaagt in het incidenteel hoger beroep met grief 1 over de afwijzing van zijn schade- en nevenvorderingen. Grief 2 bevat een klacht over de compensatie van de proceskosten. Beoordeling van de grieven van de Staat 22. De grieven zullen samen worden behandeld. Kern van het geschil is de vraag of de Staat de voortzettingsprocedure van artikel 43 Wots (oud) heeft mogen toepassen en aldus de aan [verweerder] in België opgelegde levenslange gevangenisstraf ongewijzigd heeft mogen handhaven. 22. Uitgangspunt is het verzoek van België van 17 november 2011 tot overbrenging van de tot ongewenst vreemdeling verklaarde veroordeelde [verweerder] op grond van artikel 3 AP om zijn straf verder in Nederland uit te zitten. Het was daarbij aan de Staat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.